Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1516

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-01-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
10/681003-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie en het aanwezig hebben van ruim 13 gram cocaïne. Aan de verdachte is opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/681003-18

Datum uitspraak: 11 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. S. Arakelyan, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Beoordeling

De verdachte heeft bekend dat hij een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad. Ter terechtzitting heeft de verdachte weersproken dat er acht kogelpatronen in het vuurwapen aanwezig waren. Volgens hem zaten er twee kogels in de patroonhouder en één in de kamer. Uit onderzoek van het wapen door een vuurwapendeskundige is gebleken dat in de kamer van het pistool en in het patroonmagazijn acht kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm werden aangetroffen. Op basis van dit deel van het proces-verbaal acht de rechtbank bewezen dat acht kogelpatronen in het vuurwapen aanwezig waren. Mede gelet op de 39 kogelpatronen in het munitiedoosje had de verdachte dus 47 kogelpatronen voorhanden.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 26 januari 2018 te [woonplaats] een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk FN, kaliber 7.62mm en munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 47, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 26 januari 2018 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 13,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een doorgeladen vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Dat is een ernstig strafbaar feit. De ervaring leert dat het bezit van vuurwapens leidt tot het gebruik ervan. De verdachte had het wapen doorgeladen in zijn bed verstopt, een levensgevaarlijke situatie voor de verdachte zelf en ieder die zich in de kamer zou bevinden. Daarnaast heeft de verdachte een behoorlijke hoeveelheid cocaïne in zijn bezit gehad. Cocaïne is een harddrug die een gevaar voor de gezondheid vormt. Daarnaast wordt de handel in en productie van harddrugs omgeven met andere criminaliteit.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een wapen. Gelet op de ouderdom en de geringe ernst van dit feit zal de rechtbank dit niet in het nadeel van de verdachte meewegen.

7.3.2.

Rapportages

Psycholoog T. ‘t Hoen heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 mei 2018. Dit rapport houdt het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een depressieve stoornis, forse angst- en spanningsklachten bij een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken, en een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne. Dit heeft invloed gehad op de tenlastegelegde feiten. Door problemen en onzekerheid op zijn werk, in combinatie met de reeds aanwezige forse slaapproblemen en onderliggende psychische klachten, nam de interne druk bij de verdachte steeds meer toe, zich uitend in toenemende depressieve klachten, angst- en spanningsklachten, maar ook gevoelens van onmacht en ontreddering. Deze klachten speelden, in combinatie met zijn persoonlijkheidspathologie een dermate grote rol in het leven van de verdachte, dat hij in verminderde mate in staat was andere en meer gezonde alternatieven te overwegen. Daarom adviseert de psycholoog om de verdachte de tenlastegelegde feiten in (enigszins) verminderde mate toe te rekenen. Er is nog wel behandeling nodig, maar de verwachting is dat de verdachte de al aangevangen behandeling zelf zal voortzetten. Er is daarom geen behandeling in een juridisch kader nodig. Dit is ook niet nodig, nu het gevaar op herhaling laag is.

GGZ Antes Advies heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 december 2018. Dit reclasseringsrapport houdt het volgende in. De verdachte heeft een zelfstandige koopwoning en heeft inkomen uit een ziektewetuitkering. De verdachte is in januari 2018 uit de preventieve hechtenis geschorst onder voorwaarden waaronder verplicht reclasseringscontact. Hij heeft zich goed gehouden aan de voorwaarden en stelt zich meewerkend op. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis was er geen sprake meer van harddrugsgebruik. De verdachte heeft op vrijwillige basis bij Yulius GGZ een behandeling gehad. In dit kader heeft de verdachte een EMDR-behandeling gehad en intensieve psychiatrische thuiszorg ontvangen. De reclassering ziet geen noodzaak om deze behandeling over te dragen naar een forensisch kader. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een gevangenisstraf zou volgens de reclassering een negatieve invloed op de leefsituatie en de behandeling van de verdachte kunnen hebben. De verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. In verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hierboven omschreven, ziet de rechtbank echter aanleiding om daarvan af te wijken. Conform de eis van de officier van justitie zal een taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 232 uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 116 dagen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

en mrs. F.A. Hut en C.A. van Beuningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 januari 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 januari 2018 te [woonplaats]

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool, nl een pistool van het merk FN, model 1992, kaliber 7.62mm en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten 47, bij het vuurwapen behorende,

kogelpatronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 26 januari 2018 te [woonplaats]

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 13,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.