Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1507

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
10/681120-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van het per post verzenden van MDMA naar het buitenland en het prepareren van enveloppen en pakketjes met carbonpapier en ansichtkaarten, taakstraf 140 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/681120-17

Datum uitspraak: 15 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [gebortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] , raadsman E. Kaya, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden met een proeftijd van 1 (een) jaar met als bijzondere voorwaarde toezicht door de reclassering en medewerking aan schuldhulpverlening.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de rol van de verdachte beperkt was tot het wegbrengen van (post)pakketjes voor een ander. De verdachte zou pas na verloop van tijd in de gaten hebben gekregen dat er drugs in de pakketten zat. Hij heeft zelf nooit drugs in de pakketjes gedaan. Van bewuste uitvoer van de verschillende drugs is dan ook geen sprake geweest. Bovendien kan niet worden bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij de verzending van alle door de politie onderzochte pakketten. Daarbij komt dat de middelen die zijn aangetroffen in de door de politie onderzochte pakketten, vrijwel allemaal niet door het NFI zijn onderzocht. Het is daardoor niet zeker of er in die pakketten daadwerkelijk drugs zaten.

4.1.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verdachte wist dat hij met foute spullen bezig was en heeft verklaard dat hij vermoedde dat er in de pakketten die hij naar het buitenland verstuurde drugs zat. Daarmee had hij minst genomen het (voorwaardelijke) opzet op de uitvoer van de drugs. Ook heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij voor zijn broer [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) ansichtkaarten beplakte met carbonpapier. In een aantal van de door de politie onderzochte postpakketten werden dergelijke beplakte ansichtkaarten aangetroffen waardoor ook de uitvoer van de in deze pakketten aangetroffen drugs aan de verdachte kan worden verweten.

4.1.3.

Beoordeling

Vanaf juli 2016 kreeg de politie verschillende meldingen van bedrijven dat daar postpakketten werden bezorgd waarin vermoedelijk drugs zaten. De politie heeft deze pakketten onderzocht. Uit de adresetiketten en de postzegels op deze pakketten bleek dat de postpakketten vanuit Nederland naar het buitenland waren verzonden en vervolgens retour waren gestuurd naar het adres dat op de achterkant van het pakket stond. Dat retouradres was van het bedrijf waar de pakketten uiteindelijk werden bezorgd. In de pakketten trof de politie verschillende middelen aan. Uit indicatieve testen bleek dat het waarschijnlijk vooral om MDMA, LSD, 2C-B, en amfetamine ging. De wijze waarop deze middelen in de pakketten waren verpakt kwam in een aantal zaken overeen. Daarbij werd gebruik gemaakt van carbonpapier van het merk Kores. In een aantal van de pakketten was dat carbonpapier op een ansichtkaart geplakt.

Op 12 oktober 2016 werden bij Boekhandel [naam boekhandel] in [plaats] drie pakketten bezorgd. Op een van deze pakketten stond op de voorzijde een adres in Oostenrijk vermeld. Aan de achterzijde van het postpakket stond als retouradres het adres van de boekhandel. In dit pakket zat een zak met 50 blauwe pillen (met de opdruk van een stier) met een gewicht van 22,3 gram. Omdat de eigenaar van de boekhandel dacht dat het om drugs ging heeft hij de politie ingeschakeld. Na onderzoek door het NFI bleek dat deze pillen MDMA bevatten. Het postpakket bleek op 10 oktober 2016 aangetekend te zijn verzonden vanuit de Albert Heijn gevestigd aan het Hof van Holland 30 te Zwijndrecht. Op camerabeelden van deze Albert Heijn is de verdachte herkend als de persoon die dit postpakket ter (aangetekende) verzending naar Oostenrijk heeft aangeboden.

Naar aanleiding hiervan is de verdachte aangehouden en heeft een huiszoeking is zijn woning plaatsgevonden. Bij die huiszoeking zijn onder andere diverse enveloppen, ansichtkaarten en carbonpapier van het merk Kores aangetroffen.

Bij de politie, en ook tijdens de terechtzitting, heeft de verdachte verklaard dat hij pakketten ter verzending per post wegbracht. Die pakketten pikte hij dan ergens op of werden bij hem afgeleverd. Hij moest dan de hoogte van de portokosten voor het pakket berekenen en moest het pakket vervolgens aangetekend verzenden. Soms moest hij ook een douanesticker op het pakket invullen, waardoor hij wist dat het pakket naar het buitenland werd verzonden. De verzendkosten werden betaald door degene van wie hij de pakketten kreeg. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat in de pakketten drugs zat. Over de bij de huiszoeking aangetroffen ansichtkaarten en het carbonpapier heeft de verdachte verklaard dat hij deze geleverd kreeg en dat hij de binnenkant van de ansichtkaarten met carbonpapier beplakte. Als hij een voorraad van deze kaarten klaar had, dan nam zijn broer (de medeverdachte) deze mee of hij bracht ze naar de medeverdachte toe. Over deze ansichtkaarten met carbonpapier heeft de verdachte verklaard dat dit was voor de detectiepoorten/ röntgen en dat hij wist dat het “geen zuivere koffie” was.

Uit de voorgaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte betrokken is bij de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Uit zijn handelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging vervoeren en per post verzenden van MDMA naar het buitenland. De verdachte heeft immers bewust en nauw samengewerkt met een ander. Hij kreeg pakketten geleverd of haalde deze op en bracht deze dan naar een postagentschap ter verzending naar het buitenland, terwijl hij wist dat in die pakketten drugs zat. Daarmee heeft de verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat het hierbij ging om hard drugs zoals bedoeld op lijst I bij de Opiumwet. De verdachte vormde zo een belangrijke schakel in de keten om de drugs naar het buitenland te krijgen. Uit deze gedraging blijkt dat de verdachte het opzet had om in vereniging een hoeveelheid MDMA buiten Nederland te brengen. Tevens heeft de verdachte voorwerpen voorhanden gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren voor het vervoer per post van drugs. Immers, de verdachte beplakte op verzoek van zijn medeverdachte kaarten met carbonpapier terwijl hij – gelet op zijn verklaring omtrent het gebruik van carbonpapier – wist of kon vermoeden dat deze werden gebruikt bij het vervoer en de uitvoer van de drugs.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte niet in verband kan worden gebracht met andere pakketten dan het hiervoor genoemde pakket dat bij de Albert Heijn ter verzending naar het buitenland is aangeboden. Bij andere door de politie onderzochte postpakketten is weliswaar een soortgelijke werkwijze gehanteerd, waarbij de drugs verpakt zat in (bubbel)enveloppen waarin een met carbonpapier beplakte ansichtkaart zat, maar deze werkwijze is niet zodanig specifiek dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte bij al deze pakketten betrokken moet zijn geweest. Deze werkwijze laat immers de mogelijkheid open dat ook anderen dan de verdachte betrokken waren bij het vervaardigen en verzenden van de bewuste pakketten. De inhoud van de deze pakketten is bovendien alleen indicatief getest op veelvoorkomende drugs waardoor niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van drugs zoals bedoeld in lijst 1 van de Opiumwet.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte samen met een ander opzettelijk betrokken is geweest bij het vervoeren en buiten Nederland brengen een hoeveelheid MDMA. Ook is bewezen dat de verdachte samen met anderen voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 10 oktober 2016 te Zwijndrecht eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 10 oktober 2016 te Dordrecht en Zwijndrecht eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode 01 oktober 2016 tot en met 11 mei 2017 te

Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit, hebbende verdachte en verdachtes mededaders

- enveloppen en pakketten en (ansicht)kaarten en carbonpapier

voorhanden gehad en

- enveloppen/pakketten ingepakt/geprepareerd met kaarten en carbonpapier.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van het in vereniging:

1.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

en

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

en tevens

3.

Het in vereniging om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de uitvoer van 22,3 gram MDMA. De verdachte heeft, op aangeven van een medeverdachte, een postpakket naar een TNT-punt vervoerd en daar aangeboden ter verzending naar een adres in Oostenrijk.

Daarnaast kreeg de verdachte van een ander ansichtkaarten en carbonpapier. Hij lijmde het carbonpapier vervolgens in de binnenkant van de ansichtkaarten. Deze kaarten werden gebruikt bij het verpakken van de drugs, kennelijk met het doel de inhoud van de pakketten minder goed zichtbaar en detecteerbaar te maken.

Uit de verklaring van de verdachte (met name) bij de politie, alsmede de hoeveelheid bij hem aangetroffen kaarten blijkt bovendien dat hij zich langere tijd met deze feiten heeft bezig gehouden.

Dit zijn ernstige feiten. MDMA is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in MDMA gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben die stof op de markt te brengen dienen te worden bestraft. Het is ernstig dat verdachte zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Reclasseringsrapportage

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de reclasseringsrapportage van 31 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte geen gebrek heeft aan zelfinzicht en onderkent dat hij niet goed heeft nagedacht en naïef heeft gehandeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank, gezien de ernst van de feiten, geen aanleiding te volstaan met een voorwaardelijke taakstraf.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 112 (honderdtwaalf) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

mr. A.A.T. Werner en mr. D.Y.A. van Meersbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 oktober 2016 tot en met 11 mei 2017 te Dordrecht en/of Zwijndrecht en/of

Hendrik Ido Ambacht, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende XTC en/of MDMA en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende LSD en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende 2C-B(/D0B) en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde XTC en/of MDMA en/of LSD en/of 2C-B(/D0B) en/of amfetamine (telkens)

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 oktober 2016 tot en met 11 mei 2017 te Dordrecht en/of Zwijndrecht en/of

Hendrik Ido Ambacht, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende XTC en/of MDMA en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende LSD en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende 2C-B (/D0B) en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde XTC en/of MDMA en/of LSD en/of 2C-B(/D0B) en/of amfetamine (telkens)

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in of omstreeks de periode 01 oktober 2016 tot en met 11 mei 2017 te

Dordrecht en/of Zwijndrecht en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen

of buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDMA en/of LSD en/of 2C-B

(/DOB) en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of LSD en/of 2C-B (/DOB) en/of amfetamine, een of meer

middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden

en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- envelop(pen) en/of paketten en/of (ansicht)kaart(en) en/of carbonpapier

en/of (grote) hoeveelheden (pillen met bevattende) MDMA en/of LSD en/of 2C-B

(/DOB) en/of amfetamine voorhanden gehad en/of

- enveloppen/paketten ingepakt/geprepareerd met kaarten en/of carbonpapier.