Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1492

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
10/997517-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van handelen in strijd met de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, door in strijd met de ADR vaten te voorzien van een UN kenmerk, nu de verdachte als producent van verpakkingen niet kan worden aangemerkt als normadressaat van de WVGS.

Wel wordt de verdachte veroordeeld voor valsheid in geschrift. De verdachte heeft door haar geproduceerde vaten voorzien van UN kenmerken, terwijl uit herhaalde beproevingen met inwendige druk is gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met de bij die UN kenmerken behorende ontwerptypen.

Aan de verdachte wordt opgelegd een geldboete van € 40.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997517-12

Datum uitspraak: 24 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

Greif Beheer B.V.,

voorheen gevestigd op het adres Bergseweg 9, 3633 AK Vreeland,

thans gevestigd op het adres Van Heuven Goedhartlaan 9A, 1181 LE Amstelveen,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door haar bestuurder, mevrouw [bestuurder],

raadslieden mrs. D.R. Doorenbos, M. Velthuis en S.A. Verkerk, advocaten te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 13 december 2018 (inhoudelijke behandeling) en 10 januari 2019 (sluiting).

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting op vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 (cumulatief) en het onder 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 75.000,00.

4 Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat onder feit 1 subsidiair van de tenlastelegging (de rechtbank begrijpt: het onder feit 1 als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde) niet is aangegeven aan welke voorwaarden, genoemd in de toelating, niet zou zijn voldaan. Omdat aan dit begrip geen feitelijke invulling is gegeven, is voor de verdediging volstrekt onduidelijk op welke voorwaarden wordt gedoeld. Gelet hierop hebben de raadslieden verzocht dit onderdeel van de tenlastelegging nietig te verklaren.

4.2.

Beoordeling

Uit de tenlastelegging blijkt dat de verdachte verweten wordt vaten te hebben geproduceerd die – in strijd met de gestelde voorschriften – bij herhaalde beproeving met inwendige druk bleken te lekken. Dat maakt de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijk. In geen enkel opzicht is gebleken dat de verdachte zich hiertegen niet kon verweren.

4.3.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 1

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, omdat de verdachte niet als normadressaat van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de WVGS) kan worden aangemerkt. De verdachte heeft zich ertoe verbonden de voorschriften van het Accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (hierna: ADR) na te leven. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze voorschriften evenwel niet via de WVGS kunnen worden gehandhaafd, omdat de verdachte geen handelingen met gevaarlijke stoffen verricht en geen gevaarlijke stoffen vervoert. De verdachte is producent van verpakkingen. Het produceren van verpakkingen is nooit begrepen onder de handelingen waarop de WVGS van toepassing is, ook niet nadat in 2006 artikel 2, eerste lid, onderdeel j aan die wet werd toegevoegd. De producent van verpakkingen is dan ook geen normadressaat van de WVGS.

5.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging van de WVGS in 2006 het volgende aangevoerd. Met die wijziging is de reikwijdte van de WVGS uitgebreid. In artikel 2, eerste lid, onderdeel j is een restcategorie normadressaten opgenomen. Dit onderdeel maakt het mogelijk internationale ontwikkelingen te implementeren. Onderdeel j heeft een afgebakende strekking en wordt beperkt tot daadwerkelijk met vervoer verband houdende activiteiten. Bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft de minister dat geëxpliciteerd, in die zin dat niet alle handelingen feitelijk contact met een vervoermiddel vereisen, maar dat deze ook kunnen geschieden ten behoeve van het vervoer. Ook in het ADR is geregeld op wie het ADR van toepassing is. In 1.4.2 van het ADR worden als belangrijkste betrokkenen genoemd: de afzender, de vervoerder en de geadresseerde. In 1.4.3 wordt nog een aantal overige betrokkenen genoemd. Deze opsomming is niet limitatief.

De verdachte produceert verpakkingen (vaten) ten behoeve van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dat is dus een met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende handeling, waaromtrent regels zijn gesteld in onder meer het ADR.

5.1.3.

Beoordeling

Blijkens de tenlastelegging wordt de verdachte verweten handelingen te hebben verricht die vallen onder artikel 2, eerste lid, onderdeel j van de WVGS.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j van de WVGS luidt als volgt:

1. Deze wet is van toepassing op:

(…)

j. de overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende handelingen, waaronder de beveiliging van de vervoersketen, voor zover daaromtrent bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, regels zijn gesteld.’

De toevoeging van onderdeel j hield onder meer verband met de herstructurering van het ADR, waarbij in het ADR het aantal normadressaten is uitgebreid. Daardoor ontstond de noodzaak ook de reikwijdte van de WVGS uit te breiden. De Memorie van Toelichting bij de wetswijziging (Kamerstukken II 2005-2006, 30 328, nr. 3) vermeldt, voor zover van belang, daarover:

‘Zoals (…) aangegeven waren [de rechtbank verstaat: voorheen] vooral de afzender (degene die gevaarlijke stoffen ten vervoer aanbiedt) en de vervoerder verantwoordelijk voor de naleving van de gestelde internationale vervoersvoorschriften. Dit gold ook indien bijvoorbeeld een ondeugdelijke verpakking in een vervoermiddel werd aangetroffen. In dat geval richtte het optreden van een inspecterend ambtenaar zich met name tegen de afzender of de vervoerder. Krachtens de nieuw gestructureerde internationale vervoersregelgeving is het thans echter mogelijk bijvoorbeeld de onderneming die de gevaarlijke goederen verpakt aan te spreken op een ondeugdelijke verpakking (zie randnummer 1.4.3.2 juncto randnummer 1.2.1 van het ADR).’ (p. 3-4)

‘Niet uitgesloten is overigens dat de verdere ontwikkeling en harmonisering van de internationale voorschriften en de ontwikkeling van stoffen, categorieën en verpakkingen, het noodzakelijk maakt nieuwe adressaten op te nemen in de internationale voorschriften. Hoogstwaarschijnlijk zullen er bijvoorbeeld nieuwe, veiliger verpakkingen voor de verschillende stoffen worden ontwikkeld, die vervolgens worden vereist in de internationale voorschriften. Vooralsnog is in dit wetsvoorstel voor wat betreft materiaal en adressaten aangesloten bij de definities die nu worden aangehouden in de internationale voorschriften. Het is echter ondoenlijk om bij alle te verwachten verbeteringen in de internationale regelgeving

de nationale wetgeving telkens aan te passen op het niveau van wet of algemene maatregel van bestuur. De internationale voorschriften worden immers aangepast om de twee jaar. Er is daarom een restcategorie opgenomen in artikel 2, te weten onderdeel j, waarbij het mogelijk wordt nieuwe ontwikkelingen tijdig te implementeren zonder daarvoor de wet te moeten wijzigen.’ (p. 7)

‘Voorop staat dat de uitbreiding van de handelingen waarop de WVGS ziet,

alleen nodig en wenselijk is voor zover die handelingen direct verband houden met het vervoer van gevaarlijke stoffen. (…) Een en ander kan bijvoorbeeld geïllustreerd worden aan de hand van de voorschriften betreffende het verpakken van gevaarlijke stoffen. De uitbreiding van de WVGS in deze beoogt de verpakker verantwoordelijk te maken voor zijn onderdeel in het vervoersproces, waarop hij als enige directe invloed heeft.’ (p.7-8)

De wetgever heeft met de restcategorie neergelegd in artikel 2, eerste lid, onder j van de WVGS beoogd de implementatie van toekomstige internationale vervoersvoorschriften in de Nederlandse regelgeving te vereenvoudigen. Noch vóór 2006, noch na 2006 zijn in de relevante internationale regelgeving producenten van verpakkingen, zoals de verdachte, als normadressaat toegevoegd. Daarnaast volgt uit de Memorie van Toelichting en de considerans van de WVGS dat er een direct verband moet bestaan tussen de handelingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verpakker is onder de reikwijdte van de WVGS gebracht, waarbij uitdrukkelijk is overwogen dat deze handeling niet per definitie een vervoershandeling is, zodat “het onderbrengen daarvan in de WVGS noodzaakt tot een uitbreiding van de reikwijdte van de WVGS. Deze uitbreiding wordt beperkt tot het verpakken ten behoeve van het vervoer.” (Kamerstukken 2005/06, 30 328, nr. 3, p. 9). De wetgever heeft het kennelijk niet nodig geacht om ook de producent van de verpakking onder de reikwijdte van de WVGS te brengen (ook niet wanneer die verpakking specifiek bestemd is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen), terwijl het produceren van verpakkingen nog verder afstaat van een vervoershandeling.

Het aanmerken van de producent van een verpakking als normadressaat van de WVGS zou naar het oordeel van de rechtbank dan ook een te ruime uitleg van de wet inhouden.

5.1.4.

Conclusie

De verdachte is als producent van verpakkingen geen normadressaat van de WVGS. Het onder 1 ten laste gelegde is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.2.

Bewijswaardering feit 2

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde en daartoe het volgende aangevoerd. Aan de verdachte is onder feit 2 primair ten laste gelegd dat zij ‘vaten (…) zijnde (telkens) geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst’. Taalkundig gezien zijn vaten geen geschriften. Ook in het maatschappelijk verkeer worden zij niet als zodanig gezien. Zowel uit het Wetboek van Strafrecht als uit de wetsgeschiedenis valt niet op te maken dat onder ‘geschrift’ elk voorwerp wordt verstaan waarop letters of cijfers zijn aangebracht. Ook met een kleine inscriptie wordt een vat geen geschrift.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het UN-kenmerk niet tot zekerheid strekt. Het UN-kenmerk brengt volgens punt 6.1.3 van het ADR tot uitdrukking dat deze verpakking overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan. De vaten die volgens het ontwerptype worden geproduceerd, worden niet op eenzelfde wijze beproefd. Van deze vaten kan dan ook slechts verwacht worden dat zij bestand zijn tegen de inwendige druk waartegen het ontwerptype bestand was; zekerheid kan niet worden gegeven. Het UN-kenmerk mag dus ook niet worden opgevat alsof het zekerheid kan geven. Dat een aantal vaten die door de verdachte zijn geproduceerd de hydraulische druktest niet doorstonden, impliceert niet dat het UN-kenmerk ten onrechte op die vaten is aangebracht.

5.2.2.

Beoordeling

Ten aanzien van de gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.

Geschrift

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad en de wetsgeschiedenis van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat aan het begrip ‘geschrift’ in die bepaling een ruime interpretatie wordt toegekend (Kamerstukken II 2002-2003, 29 025, nr. 3, p. 3). In 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een barcode, bestaande uit een streepjescode en voorzien van een getallenreeks, kan worden aangemerkt als een geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (ECLI:NL:HR:2016:1174).

De formulering van de door de verdediging aangehaalde zinsnede in de tenlastelegging laat weliswaar wat te wensen over, maar uit de overige tekst van de tenlastelegging volgt onmiskenbaar dat bedoeld is ten laste te leggen dat de UN-kenmerken ten onrechte zijn aangebracht op de vaten en dat daarin de valsheid is gelegen. Uit wat ter terechtzitting is verhandeld is gebleken dat de verdachte zich tegen dit verwijt heeft kunnen verweren. De rechtbank zal de tenlastelegging dan ook verbeterd lezen, nu de verdachte daardoor niet in haar verdediging wordt geschaad.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de UN-kenmerken die in de tenlastelegging zijn genoemd en zijn aangebracht op de vaten die in geschil zijn telkens kunnen worden aangemerkt als een geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Strekt het UN-kenmerk tot zekerheid?

Ook het verweer dat het UN-kenmerk niet tot zekerheid strekt, wordt verworpen. Het ADR zegt het volgende over het doel van een kenmerk:

‘HOOFDSTUK 6.1 VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE EN BEPROEVING VAN VERPAKKINGEN

6.1.3

Kenmerk

Opmerking 1 : De kenmerken op de verpakking geven aan, dat deze overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met de voorschriften van dit hoofdstuk, voor zover deze betrekking hebben op de fabricage, maar niet op het gebruik van de verpakking. (…)’

Volgens het ADR moeten de beproevingen, waaronder de hydraulische druktest (onderdeel 6.1.5.5 ADR), bij door de bevoegde autoriteit vastgestelde tussenpozen worden herhaald (onderdeel 6.1.5.1.3 ADR). Het criterium voor een voldoende beproevingsresultaat is dat geen enkele verpakking mag lekken (onderdeel 6.1.5.5.6 ADR). De UN-kenmerken op de verpakking geven (dus) niet alleen aan dat de verpakking overeenkomt met het ontwerptype dat met succes de hydraulische druktest heeft doorstaan, maar ook dat de verpakking zelf de druktest kan doorstaan. Overigens zou een andere uitleg van deze regeling meebrengen dat de plaatsing van een UN-kenmerk voor gevaarlijke stoffen wel een zeer beperkte kwaliteitsstandaard behelst. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de ten laste gelegde periode door medewerkers van de verdachte en het NFI een aantal hydraulische druktesten is afgenomen bij de vaten en dat geen van deze vaten de druktest kon doorstaan. Daarmee is vast komen te staan dat de ten laste gelegde vaten niet voldeden aan de beproevingsvoorschriften, terwijl het UN-kenmerk aangeeft dat een vat wél aan die beproevingsvoorschriften voldoet.

De UN-kenmerken zijn dus valselijk op die vaten aangebracht.

Opzet

Niet ter discussie staat dat het aanbrengen van het UN-kenmerk op de vaten die in geschil zijn een gedraging is die aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze handeling is onderdeel van het productieproces en werd verricht door personen die in dienst waren van de verdachte. Het past daarom in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. De handelingen zijn de verdachte bovendien dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf: vaten met een UN-kenmerk vertegenwoordigen een hogere economische waarde dan vaten zonder kenmerk.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of de verdachte opzet had op het valselijk aanbrengen van de UN-kenmerken op vaten, nu de bedoelde vaten de hydraulische druktest niet doorstonden.

Over de feitelijke gang van zaken binnen Greif Nederland B.V. volgt uit het dossier het volgende. De heer [benadeelde], voorheen als kwaliteitsmedewerker werkzaam bij de verdachte, heeft herhaaldelijk bij zijn leidinggevenden gemeld dat de hydraulische druktesten niet werden gehaald. Hij heeft bij de politie verklaard dat geen enkel open head vat, zoals de specifiek ten laste gelegde vaten, door de hydraulische druktest kwam. In het dossier bevinden zich verder verscheidene testformulieren die de verklaring van de heer [benadeelde] ondersteunen. In de ten laste gelegde periode (ruim twee jaar) is de hydraulische druktest in totaal dertien keer uitgevoerd bij vaten met de drie in de tenlastelegging genoemde UN-kenmerken. Geen van die vaten kwam door die test. Ook de heer Boom, vicepresident van de verdachte, heeft verklaard dat het een bekend probleem was dat niet alle open head vaten de hydraulische druktest doorstonden. Stukken waaruit volgt dat vaten met de in de tenlastelegging genoemde kenmerken wel door de test kwamen, zijn door de verdachte niet overgelegd. Ten slotte volgt uit het rapport van het NFI dat alle geteste vaten de meergenoemde druktest niet konden doorstaan.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het binnen het bedrijf van de verdachte bekend was dat de ten laste gelegde vaten met de UN-kenmerken 2573, 1572 en 1086 niet voldeden aan de hydraulische druktest en dat deze vaten desondanks werden voorzien van één van de UN-kenmerken die in de tenlastelegging zijn genoemd. Niet gebleken is dat naar aanleiding hiervan binnen de rechtspersoon in de ten laste gelegde periode structureel maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de geproduceerde vaten wel aan de hydraulische druktest zouden voldoen. Uit deze feitelijke gang van zaken leidt de rechtbank af dat het handelen kan worden toegerekend aan de verdachte en dat de verdachte opzet had op het valselijk aanbrengen van UN-kenmerken op de ten laste gelegde vaten.

Slotopmerking

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verdediging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het verweer heeft gevoerd dat de hoogte van de druk waarmee het ontwerptype van de vaten met succes is beproefd geen onderdeel uitmaakt van dat ontwerptype. Dit verweer is bij het onder 2 ten laste gelegde niet herhaald. De rechtbank zal dan ook niet ingaan op dit verweer.

5.2.3.

Conclusie

De verweren worden verworpen.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

zij (voorheen als Greif Nederland B.V.)

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 te Rotterdam,

opschriften op vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen,

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te

dienen,

valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft zij, verdachte, telkens valselijk, in strijd met de waarheid,

een UN kenmerk, te weten

UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 en

UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 en

UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,

op die vaten aangebracht,

terwijl uit herhaalde beproevingen met inwendige druk als bedoeld in

voorschrift 6.1.5.1.3 en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR was

gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij die UN kenmerken

behorende ontwerptypen,

zulks telkens met het oogmerk om die vaten als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2 valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft UN-kenmerken op vaten aangebracht en deze vaten op de markt gebracht, terwijl zij wist dat de vaten niet door de hydraulische druktest kwamen. Door het aanbrengen van de kenmerken heeft de verdachte ten onrechte het vertrouwen gewekt dat deze vaten geschikt waren voor het verpakken en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Het gebruik van vaten die niet aan de eisen voldoen kan ernstige gevolgen hebben voor het milieu. Bovendien doet de handelwijze van de verdachte afbreuk aan het vertrouwen dat men mag stellen in een dergelijk UN-kenmerk. De verdachte heeft haar handelwijze gedurende jaren volgehouden. Dit zijn buitengewoon ernstige feiten, waarvoor bij tijdige berechting een substantiële geldboete zou zijn opgelegd.

De verdachte heeft tot en met de terechtzitting geweigerd de laakbaarheid van haar eigen handelen in te zien. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.

8.3.

Omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De officier van justitie heeft zijn strafeis gebaseerd op de beoogde bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank slechts tot de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde komt, zal de op te leggen straf aanzienlijk lager zijn dan door de officier van justitie gevorderd.

De verdediging heeft verzocht om, conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel aan de verdachte op te leggen, gelet op het extreme tijdsverloop en de schending van artikel 6 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank overweegt daarover als volgt.

De redelijke termijn is aangevangen met de doorzoeking van het bedrijfspand van de verdachte en het omliggende terrein op 22 maart 2012. Tussen 22 maart 2012 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van zes jaar en tien maanden. Er wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaren, zodat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM van bijna vijf jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht ziet de rechtbank, onder meer gelet op de ernst van de feiten, geen aanleiding.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een geldboete hebben opgelegd van € 80.000. In de ernstige overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding de geldboete te matigen tot € 40.000.

9 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde], ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden door zijn ontslag bij de verdachte.

9.1.

Beoordeling

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Voorts is niet komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

9.2.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding dus geen inhoudelijke beslissing genomen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000,00 (veertigduizend euro);

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2019.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij (voorheen als Greif Nederland B.V.)

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 te Rotterdam,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk

in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen

één of meer verpakkingen (vaten) ten behoeve van de opslag en/of het vervoer

van gevaarlijke stoffen van de verpakkingsgroep(en) II en/of III heeft

geproduceerd,

in ieder geval met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks

samenhangende handelingen heeft verricht

zonder een of meer krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in

bijlage 1 (ADR) van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

gestelde regels in acht te nemen,

door

(telkens)

in strijd met 4.1.1.3 van het ADR

een of meer verpakkingen (vaten) te voorzien van een UN kenmerk, te weten

UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of

UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of

UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,

terwijl deze verpakking(en) niet overeenkwam(en) met het/de ontwerptype(n),

dat/die volgens de voorschriften van 6.1.5 van het ADR met succes was/waren

beproefd

aangezien (een) monster(s) uit de productie van die verpakking(en) bij

herhaalde beproeving met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3

en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR bleek/bleken te lekken

en/of

(telkens)

in strijd met 6.1.3.14 van het ADR

met het aanbrengen van een kenmerk volgens 6.1.3.1 van het ADR,

te weten UN kenmerk

UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of

UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of

UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,

op een of meer in serie vervaardigde verpakkingen (vaten)

te bevestigen dat deze overeenkwam(en) met het toegelaten constructietype

en/of dat aan de voorwaarden, genoemd in de toelating werd voldaan,

terwijl (een) monster(s) uit de productie van die verpakking(en) bij

herhaalde beproeving met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3

en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR bleek/bleken te lekken;

2.

zij (voorheen als Greif Nederland B.V.)

op één of meer tijdstip(pen)

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 te Rotterdam,

vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen,

zijnde (telkens) geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te

dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

immers heeft zij, verdachte, (telkens) valselijk, in strijd met de waarheid,

een UN kenmerk, te weten

UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of

UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of

UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,

op die vaten aangebracht,

terwijl uit herhaalde beproeving(en) met inwendige druk als bedoeld in

voorschrift 6.1.5.1.3 en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR was

gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij dat/die UN kenmerk(en)

behorende ontwerptype(n),

zulks (telkens) met het oogmerk om die vaten als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij (voorheen als Greif Nederland B.V.)

op één of meer tijdstip(pen)

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 te Rotterdam,

op vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen

valselijk

(een) UN kenmerk(en), te weten

UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of

UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of

UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,

zijnde (telkens) andere dan de in de artikelen 217 en 218 van het Wetboek van

Strafrecht bedoelde merken, die krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen

op die goederen moeten of kunnen worden geplaatst,

heeft geplaatst,

immers was gebleken uit krachtens genoemde wet voorgeschreven herhaalde

beproeving(en) met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3 en de

voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij

dat/die UN kenmerk(en) behorende ontwerptype(n),

zulks (telkens) met het oogmerk om die vaten te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken alsof het/de daarop geplaatste merk(en) echt en onvervalst

waren.