Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1487

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
10/682075-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld in vereniging? Twee portiers zetten een bezoeker uit een horecagelegenheid. De uitzetting zelf is rechtmatig, maar een van de portiers gebruikt onnodig geweld. Die portier wordt veroordeeld voor openlijk geweld en krijgt een taakstraf van 180 uur. De andere portier heeft wel fysiek gehandeld met de uitzetting, maar niet geslagen. Zijn handelen past binnen de reguliere werkzaamheden van een portier en hij wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/682075-18

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

raadsman M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 en 31 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 7 januari 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uur, bij niet voldoening te vervangen door 90 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, op grond van de aangifte van [aangever] en de diverse getuigenverklaringen, waaronder met name de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , die als onafhankelijke getuigen moeten worden aangemerkt en die de verklaring van de aangever ondersteunen.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, vanwege het ontbreken van voldoende overtuigend bewijs. Uit de camerabeelden is niet gebleken dat de verdachte de aangever heeft geslagen. De getuigenverklaringen van

[getuige 1] , [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] komen bovendien niet overeen met wat te zien is op de camerabeelden, waardoor die getuigenverklaringen niet juist kunnen zijn en aldus de aangifte niet kunnen ondersteunen. De aangever heeft zich hevig verzet toen hij de feestzaal vanwege zijn agressieve gedrag moest verlaten. Mogelijk heeft hij zo het letsel opgelopen, hetgeen alsdan niet te wijten is aan het handelen van de verdachte, maar aan het handelen van de aangever zelf.

4.1.3.

Beoordeling

De verdachte was werkzaam als horecaportier bij een muziekevenement in een partycentrum. Eén van de taken van een horecaportier is het (tijdig) signaleren en op gepaste wijze verwijderen van ongewenste bezoekers in overeenstemming met de beleidsrichtlijnen van de (horeca)organisatie. Zo houden horecaportiers toezicht door het lopen van controlerondes en wordt geprobeerd de situatie binnen zo veilig mogelijk te houden of te maken voor de bezoekers. De wet kent aan een horecaportier niet uitdrukkelijk bijzondere bevoegdheden toe voor de uitoefening van zijn taak en werkzaamheden, maar uit hoofde van zijn aanstelling is hij bevoegd personen binnen te laten of, als dat nodig is, te verwijderen. Bij het verwijderen van iemand die de orde verstoort, moet de portier bevoegd worden geacht personen niet alleen verbaal de toegang te ontzeggen, maar hen ook zo nodig aan te raken. Ook het geven van een duw kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Maatgevend bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het optreden is dat de portier daarbij de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Dat laat enige beoordelingsruimte voor verschillen van inzicht en van reactiemogelijkheden (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden

12 maart 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:CA1622).

De verklaringen van de verdachte en de aangever over hetgeen is voorgevallen op de feestavond op 25 februari 2018 lopen uiteen. Op grond van de diverse getuigenverklaringen gaat de rechtbank uit van het volgende.

De aangever was met vrienden in de feestzaal toen [betrokkene] , een bekende van de verdachte, woorden kreeg met een andere bezoeker. De aangever heeft vervolgens zijn arm om de schouder van die [betrokkene] geslagen, naar eigen zeggen met de bedoeling om een opstootje tussen [betrokkene] en die ander te sussen. De collega van de verdachte, [medeverdachte] , tevens medeverdachte, heeft deze situatie – mogelijk mede ingegeven doordat de aangever zijn stem verhief – ingeschat als een opstootje waarbij een interventie gewenst was.

De situatie was voor [medeverdachte] aanleiding om de aangever beet te pakken. Daartoe was hij ook gerechtigd. Of aangever nu louter sussend bezig was of zelf onderdeel was van het opstootje en daadwerkelijk sloeg, feit is dat aangever zijn stem verhief en dat er sprake was van een opstootje. In die situatie kan een portier redelijkerwijs menen dat uitzetting nodig is.

De verdachte is [medeverdachte] daarbij komen helpen. De verdachte heeft verklaard dat de aangever hem vervolgens bij zijn keel heeft gegrepen, maar hiervoor wordt alleen steun gevonden in de verklaring van [medeverdachte] en het blijkt uit geen van de andere getuigenverklaringen. De rechtbank gaat er dan ook niet van uit dat de aangever de verdachte bij de keel heeft gegrepen.

De situatie was – ook zonder het gestelde bij de keel grijpen – voor de verdachten voldoende aanleiding om de aangever beet te pakken en hem richting de uitgang te duwen. De aangever stribbelde daarbij tegen en dit was voor [medeverdachte] aanleiding om bij de aangever een arm om zijn nek te leggen en hem laag te houden. De verdachte heeft de aangever aan de andere zijde vastgehouden door zijn arm op zijn rug te draaien en daar te houden. Ook dit handelen valt redelijkerwijs binnen de taken van een portier, gelet op (1) de aanleiding van de uitzetting (de vermeende betrokkenheid van aangever bij een opstootje) en (2) de aanwezigheid van een groot aantal bezoekers.

Toen de verdachten met de aangever in de hal bij de uitgang kwamen, zijn zij in de linkerhoek van de hal terecht gekomen, gelegen pal voor de uitgang van de feestzaal.

Terwijl [medeverdachte] de aangever vasthield en met zijn gezicht naar de aangever en met zijn rug naar de verdachte stond toegedraaid, heeft de verdachte de aangever een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Na deze vuistslag in zijn gezicht werd de worsteling met de aangever heviger, doordat de aangever zich nog meer is gaan verzetten. Hierbij kwam de aangever vervolgens ten val tegen een hard voorwerp in de hal. De verklaring van de aangever wordt op dit punt ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] (die de situatie vanaf buiten heeft waargenomen) en de verklaringen van de getuigen [betrokkene] en [getuige 3] (die binnen aanwezig waren). Zij verklaren dat de aangever door ‘de kale beveiliger’ in zijn gezicht werd geslagen, dat de aangever vervolgens viel en ergens met zijn hoofd tegenaan kwam. Deze getuigenverklaringen, die elkaar op wezenlijke punten ondersteunen worden – anders dan de verdediging heeft betoogd – door de rechtbank als betrouwbaar beoordeeld. De camera’s hebben immers niets in de hal kunnen vastleggen, omdat een groep mensen het zicht op de hal blokkeerde. Deze omstandigheid raakt derhalve niet de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen en met name niet de getuigenverklaring van [getuige 1] , die buiten voor de deur van de feestzaal stond en door de glazen pui goed zicht had op de gebeurtenissen bij de uitgang.

Vervolgens heeft [medeverdachte] de aangever bij zijn broeksriem en oksel vastgepakt en hem samen met de verdachte naar buiten geduwd.

De rechtbank is van oordeel dat tot aan het moment dat de verdachte met [medeverdachte] en de aangever in de hal kwam, het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als handelingen die horen bij een reguliere uitzetting. Echter, op het moment dat de verdachte besloot om de aangever, terwijl deze in bedwang werd gehouden door de medeverdachte, een vuistslag in zijn gezicht te geven, heeft de verdachte de grenzen van de redelijkheid overschreden en is sprake van disproportioneel handelen. Enige noodzaak daartoe, noch enige rechtvaardiging daarvan, is gesteld noch gebleken. De rechtbank is van oordeel dat verdachtes opzet, naar de uiterlijke verschijningsvorm, daar ook op was gericht. Dit disproportionele handelen leidt ertoe dat de verdachte strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij zich met dit handelen onder de gegeven omstandigheden schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het vervolgens de eigen schuld is geweest van de aangever dat hij met zijn hoofd tegen een hard voorwerp (radiator, ruit, wand of knie) is gevallen omdat hij zich verzette tegen zijn uitzetting, wordt dit verweer verworpen. De rechtbank wil – gelet op de situatie ter plaatse – aannemen dat de verdachte ervan overtuigd was dat het op het moment dat hij de aangever vast greep, noodzakelijk was om in te grijpen. Anderzijds is het alleszins begrijpelijk dat de aangever, die naar het zich laat aanzien geen rol had bij het opstootje in de zaal, het er niet mee eens was dat hij zomaar werd beetgepakt en richting uitgang werd geduwd en dat hij zich daartegen verzette. Dit verzet werd echter heviger toen de aangever van de verdachte een vuistslag in zijn gezicht kreeg waarna hij ten val is gekomen en waardoor hij behoorlijk letsel aan zijn gezicht heeft opgelopen. Deze verdere escalatie is dan ook een omstandigheid die is toe te rekenen aan het handelen van de verdachte.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 25 februari 2018 te Sliedrecht, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten Partycentrum/Zalencentrum 'De Lockhorst', gelegen aan de Sportlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit het (met kracht)

- stompen tegen het oog, althans het gezicht van die [aangever]

en

- vervolgens die [aangever] ten val brengen, als gevolg waarvan hij met zijn hoofd/gezicht tegen een hard voorwerp in voornoemd Partycentrum/Zalencentrum is gevallen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte was als horecaportier werkzaam tijdens een feest waar veel jongeren aanwezig waren. Toen zich een incident voordeed, heeft de verdachte gemeend om hardhandig op te moeten treden tegen de aangever.

De aangever is door de verdachte richting de uitgang geduwd en terwijl zijn collega het slachtoffer in bedwang hield om hem uit te zetten, heeft de verdachte hem een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Vervolgens is het slachtoffer ten val gekomen en is hij met zijn hoofd tegen een hard voorwerp gekomen. Het slachtoffer heeft hierdoor een flink blauw oog, een gebroken jukbeen en gebroken neusbeen opgelopen. De verdachte heeft bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, te weten het waarborgen van de veiligheid van álle aanwezigen, meer geweld gebruikt dan in de gegeven situatie nodig en gerechtvaardigd was en daarmee de grenzen van redelijk optreden overschreden. Dit rekent de rechtbank de verdachte, van wie professioneel optreden mag worden verwacht, aan. De aanwezigheid van portiers dient bezoekers juist een veilig gevoel te geven. Het optreden van de verdachte heeft echter een averechts effect gehad. Uit de getuigenverklaringen en de slachtofferverklaring blijkt de impact die het handelen van de verdachte heeft gehad, zowel op de aangever als op degenen die daarvan ongewild getuigen hebben moeten zijn.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Ter zitting is gebleken dat op 5 december 2018 de aan de verdachte verleende toestemming tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden (de zogeheten “blauwe pas”) is ingetrokken door de korpschef van de politie. Hierdoor kan de verdachte niet langer zijn werkzaamheden als beveiliger uitoefenen en is hij een tweede bron aan inkomsten kwijtgeraakt. Gelet op die omstandigheid ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om naast een taakstraf nog een voorwaardelijk strafdeel (al dan niet de vorm van gevangenisstraf) op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft [benadeelde] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.449,55 aan materiële schade en een vergoeding van € 750,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, behoudens de kosten voor reparatie van het horlogebandje, voldoende is onderbouwd en voor toewijzing gereed ligt.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de geleden schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Deze mate van eigen schuld dient bij het bepalen van de omvang van de vordering tot uitdrukking te komen. Ten aanzien van de afzonderlijke schadeposten heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat er een bezoek aan het politiebureau te Papendrecht is afgelegd, zodat de reiskosten daarvoor moeten worden afgewezen. De broek en het T-shirt, waarvan aankoopbonnen ontbreken, waren een half jaar oud terwijl de aanschafwaarde ervan wordt gevorderd. Deze post is daarmee onvoldoende bepaalbaar en de benadeelde partij dient daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ook in de post die ziet op het verlies van arbeidsvermogen dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de vraag of dit wel schade is, nu het erop lijkt dat de werkzaamheden alleen zijn uitgesteld, maar deze vervolgens wel - betaald - zijn uitgevoerd. Voor het overige refereert de verdediging zich.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit en waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Onder 4.1.3. is reeds uiteengezet dat het verweer ten aanzien van de gestelde eigen schuld wordt verworpen, zodat hiermee geen rekening wordt gehouden bij de ingestelde vordering.

Ten aanzien van de gestelde geleden materiële schade wordt het volgende overwogen.

De verdachte heeft voldoende onderbouwd dat hij reiskosten naar het ziekenhuis en naar het politiebureau heeft moeten maken en dat hij door medisch handelen zijn eigen risico voor de verzekering heeft betaald, zodat een bedrag van € 453,87 wordt toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde nieuwprijs voor een spijkerbroek en T-shirt wordt overwogen dat het de rechtbank niet onredelijk voorkomt dat voor kleding die een half jaar oud is, de nieuwprijs wordt gevorderd. Ook de bedragen van € 129,95 en € 58,73 worden daarom toegewezen.

Voor de reparatie van het horlogebandje ontbreekt het rechtstreeks verband, zodat de benadeelde partij in dat onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten slotte wordt ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen overwogen dat uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat de benadeelde partij later met zijn werkzaamheden is gestart. Echter, onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij ook daadwerkelijk schade heeft geleden door het uitstel van deze werkzaamheden. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de benadeelde partij een andere opdracht heeft moeten afzeggen, omdat hij niet in week 9 maar in week 11 aan zijn eerste opdracht begon. Daarvan is echter niet gebleken. Nu de benadeelde onvoldoende heeft onderbouwd schade te hebben geleden in de vorm van gederfde inkomsten, zal de rechtbank hem niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van zijn vordering. Ook dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De gevorderde immateriële schade van € 750,- is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor, zodat deze zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 februari 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.392,55

(€ 642,55 materieel en € 750,- immaterieel), vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht .

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 178 (honderdachtenzeventig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 89 (negenentachtig) dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.392,55 (zegge: dertienhonderdtweeënnegentig euro en vijvenvijftig eurocent), bestaande uit € 642,55 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.392,55 (zegge: dertienhonderdtweeënnegentig euro en vijvenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1392,55 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 23 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. R. Brand en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann en L.M. van Herwijnen, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 25 februari 2018 te Sliedrecht, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten Partycentrum/Zalencentrum 'De Lockhorst', gelegen aan de Sportlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit het (met kracht)

- beetpakken/vastpakken van die [aangever] en/of

- ( daarbij) in een nekklem nemen van die [aangever] , althans een arm om de nek van die [aangever] doen en/of

- ( daarbij) (vervolgens) sleuren/trekken/duwen van die [aangever] naar/in de richting van de uitgang van voornoemd Partycentrum/Zalencentrum en/of

- ( daarbij) stompen op/tegen het oog, althans het gezicht van die [aangever]

en/of

- ( vervolgens) gooien/duwen/drukken van die [aangever] met zijn hoofd/gezicht op/tegen een (verwarmings)radiator en/of ruit en/of wand en/of een balie, in elk geval een hard en/of stevig voorwerp van/in voornoemd Partycentrum/Zalencentrum, althans die [aangever] ten val brengen, als gevolg waarvan hij met zijn hoofd/gezicht op/tegen een (verwarmings)radiator en/of ruit en/of wand en/of een balie, in elk geval een hard en/of stevig voorwerp van/in voornoemd Partycentrum/Zalencentrum is gevallen/gestoten en/of

- ( vervolgens) beetpakken/oppakken van die [aangever] en/of (daarbij) die [aangever] op straat gooien/duwen.