Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1480

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
ROT 17/5345
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet dieren en Verordening (EG) nr. 1/2005. Boete wegens het langer dan 8 uur laten duren van een transport van schapen, terwijl niet wordt voldaan aan de eisen voor een langer durend transport. De rechtbank is van oordeel dat de vervoerder enig verwijt van de overtreding valt te maken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres nadat de uitgebroken schapen om 17:30 waren gevangen en gesorteerd de keuze had moeten maken de in het voertuig aanwezige schapen zo snel mogelijk naar de plaats van bestemming te brengen. De vennoot heeft er blijkens zijn verklaring echter voor gekozen om eerst nog een aantal schapen op te halen en vervolgens eerst naar huis te rijden om te gaan eten en vervolgens richting Duizel te rijden om de schapen af te leveren. Wel is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden met zich brengen dat eiseres een beperkt verwijt treft van de overtreding. Het oponthoud is immers voor het grootste deel te wijten aan omstandigheden die eiseres niet kunnen worden aangerekend. Er volgt halvering van de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/61 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/5345

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2019 in de zaak tussen

[Naam vennootschap] , te [Plaats], eiseres,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, thans de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 april 2017 (het primaire besluit), waarbij aan eiseres een bestuurlijke boete is opgelegd van € 1.500,- wegens handelen in strijd met artikel 3, aanhef en onder f, en artikel 6, derde lid, in verbinding met punt 1.2 van hoofdstuk V, van bijlage I van Verordening (EG) nr. 1/2005, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Beide vennoten zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het regelgevend kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan deel uit.

2. Twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit hebben (gelet op het voorblad op 15 december 2016) in een naar waarheid opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen (het rapport) vermeld dat zij op 5 december 2016 om 20:05 uur op de N637 vanuit Schijndel richting Sint-Oedenrode een stopteken hebben gegeven aan de bestuurder – [Naam], een van de vennoten van eiseres (de vennoot) – van het voertuig met kenteken [Nummer], waarna een inspectie met betrekking tot het vervoer van dieren heeft plaatsgevonden door de toezichthouders. Aan de hand van het vervoerdocument zagen de toezichthouders dat de vervoerder de schapen, totaal 46 stuks, op een achttal adressen had geladen, met bestemming UBN 6261166. Volgens het rapport zagen de toezichthouders dat om 6:00 uur die dag de eerste schapen waren opgeladen bij schaapskooi Liempde, UBN 6377720, terwijl het tijdstip van de controle 20:15 uur was. Gelet op de gegevens op het transportdocument was de transporttijd ruim
14 uren. In het rapport is verder vermeld dat het de toezichthouders bekend is dat de vervoerder niet over een transportvergunning type 2 (lang transport > 8 uur) beschikt en het vervoermiddel met kenteken [Nummer] niet voldoet aan de aanvullende eisen voor langtransport. Voorts is vermeld dat gelet op het ontbreken van drinkwater voor de schapen en van onder meer een bewakings- en registratiesysteem, niet is voldaan aan de eisen van artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1/2005, dat ziet op de eisen voor langtransport. Bij het rapport zijn afschriften gevoegd van het vervoerdocument, de vergunning voor vervoerders, waarop is vermeld: Type 1 (niet geldig voor alle transporten / not valid for long journeys), en een schriftelijke waarschuwing van NVWA van 12 augustus 2016 wegens een onvolledig ingevuld vervoersdocument voor vervoer van evenhoevigen.

3. Tijdens een tweede verhoor op 7 december 2016 heeft de vennoot blijkens het rapport het volgende verklaard aan de twee toezichthouders van NVWA:

“Ik ben veehandelaar van beroep. Op maandag 05 december 2016 heb ik bij diverse klanten schapen geladen. Ik had gepland om voor 15.00 uur op het verzamelcentrum in Duizel te zijn. Ik werd omstreeks 14.00 uur gebeld door een persoon ([Naam]). Hij belde mij omdat er schapen op de weg liepen. Ik had daar twee koppels schapen lopen. Een koppel rammen (+/-. 72 stuks) en een koppel ooien (+/- 100 stuks). De schapen liepen op de openbare weg, zijnde de Nieuwe Dijk te
Sint-Michielsgestel. Ik ben daar tot ongeveer 17.30 uur bezig

geweest om de schapen weer in het weiland te krijgen. Er liepen rammen en ooien door elkaar. Deze moest ik nog uit sorteren. Ik had hierbij hulp van een kennis met een hond. Daarna heb ik nog een koppel schapen geladen hij de schaapskooi te Liempde (8 stuks). Op het vervoersdocument staat 06.00 uur, dat moet 18.00 uur zijn. De man van de schaapskooi uit Liempde heeft mij geholpen. Daarna ben ik naar huis gereden, gegeten en toen ben ik richting Duizel gereden. Ik weet dat ik het transport binnen 08 uur moet uitvoeren. Normaal doe ik dat ook, echter door de hierboven genoemde calamiteit was dat deze keer niet gelukt. Overmacht”.

4. Verweerder heeft op basis van het rapport het primaire besluit genomen, dat is gehandhaafd met het bestreden besluit. Bij het bestreden besluit is in correctie op het rapport overwogen dat de eerste schapen op 5 december 2016 om 7:00 uur (dus niet om 06:00 uur) zijn opgeladen en dat de schapen zich ten tijde van de controle ongeveer 13 uren in de vrachtwagen bevonden. Volgens verweerder heeft eiseres gehandeld in strijd met artikel 3, aanhef en onder f, en artikel 6, derde lid, in verbinding met (punt 1.2 van) hoofdstuk V, van bijlage I van Verordening (EG) nr. 1/2005. Gelet op artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren gelezen in samenhang met de artikelen 6.2 en 8.6 van de Wet dieren is dit een overtreding. Op basis van het Besluit handhaving en overige zaken dieren en de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken dieren is het boetebedrag bepaald.

5. Volgens verweerder is geen sprake van overmacht. In het bestreden besluit is overwogen dat eiseres ervoor had moeten zorgen dat het transport van de schapen niet onderbroken werd. De vennoot had er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de onvoorziene situatie, bestaande uit de uitbraak van schapen op de openbare weg, het hoofd te bieden door meer mensen in te schakelen, bijvoorbeeld via een loon- of transportbedrijf of meer kennissen of familieleden, om de schapen te vangen en te sorteren. Voorts is overwogen dat de vennoot ervoor heeft gekozen om nadien om 18:00 uur nog een aantal schapen op te halen en vervolgens eerst naar huis te rijden om te gaan eten en vervolgens richting Duizel te rijden om de schapen af te leveren. Hierdoor zijn de schapen volgens verweerder nog langer onnodig in het vervoersmiddel gelaten. In het verweerschrift heeft verweerder het eerdere standpunt verlaten dat eiseres er een verwijt van kan worden gemaakt dat de vennoot zijn reis met de schapen onderbrak om de uitgebroken schapen te vangen. Verweerder meent echter dat het verwijt blijft staan dat toen de schapen om 17:30 uur in de weide stonden de noodsituatie voorbij was en dat het handelen van de vennoot nadien ervoor heeft gezorgd dat de eerste ingeladen schapen 13 uur hebben moeten wachten, zonder dat zij te drinken kregen, totdat zij op de plaats van bestemming kwamen.

6. Eiseres meent dat haar geen verwijt treft van de overtreding. Eiseres heeft in dit verband – voor zover, gelet op het verweerschrift, thans nog van belang – aangevoerd dat het logisch is dat de vennoot na het vangen van het vangen van de schapen, thuis wat is gaan eten, omdat de verkeersveiligheid er niet bij gebaat is als hij niet snel wat had gegeten, want anders waren er mogelijk ongelukken gebeurd. Ter zitting heeft de vennoot daar aan toegevoegd dat hij naar huis is gereden nadat hij de laatste schapen had ingeladen, omdat hij naar het toilet moest en dat hij thuis vlug een boterham heeft gegeten. Eiseres heeft voorts een ongedateerde verklaring overgelegd van drs. H.R.C. Gostelie, MBA, Veterinair directeur van Vet-Net Beheer B.V. Daarin is onder meer te lezen dat de schapen puur veterinair gezien geen welzijns- of gezondheidsproblemen krijgen indien zij 11 uur verstoken blijven van voer, dat een gering probleem voor het welzijn van de schapen evenwel aan de orde kan zijn indien de dieren 11 uur verstoken blijven drinkwater, maar dat de schapen na het verlengde transport gezond en wel zijn aangekomen op het verzamelcentrum en zij daar ruim zijn voorzien van drinkwater en voer.

7. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres ten minste enige verwijt worden gemaakt van de overtreding, zodat het in artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde uitgangspunt dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien de belanghebbende geen verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, niet in de weg staat aan de oplegging van een bestuurlijke boete. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres nadat de uitgebroken schapen om 17:30 waren gevangen en gesorteerd de keuze had moeten maken de in het voertuig aanwezige schapen zo snel mogelijk naar de plaats van bestemming te brengen. De vennoot heeft er blijkens zijn verklaring echter voor gekozen om eerst nog een aantal schapen op te halen en vervolgens eerst naar huis te rijden om te gaan eten en vervolgens richting Duizel te rijden om de schapen af te leveren. Hierdoor heeft het transport langer geduurd dan wanneer de vennoot alles in het werk had gesteld om de schapen die zich in het voertuig bevonden zo snel mogelijk naar Duizel te brengen. Hetgeen naar voren is gebracht door drs. H.R.C. Gostelie kan hier niet aan afdoen. Nog daargelaten dat in diens verklaring wordt erkend dat een gering probleem voor het welzijn van de dieren mogelijk zou zijn indien de dieren 11 uur verstoken blijven van drinkwater, terwijl het transport 2 uur langer heeft geduurd, zijn de door de Europese wetgever gemaakte keuzes met betrekking tot het stellen van gebods- of verbodsnormen (in verband met de bescherming van dierenwelzijn) maatgevend.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat het met de Verordening (EG) nr. 1/2005 gediende doel – de bescherming en het welzijn van dieren – voorop staat bij de belangenafweging of een bestuurlijke sanctie gerechtvaardigd is, terwijl niet is gebleken dat de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor het dierenwelzijn gering zijn of ontbreken. Dit betekent voorts dat geen aanleiding bestaat tot halvering van het boetebedrag op grond van artikel 2.3. van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.

9. Wel is de rechtbank van oordeel dat de hierboven genoemde omstandigheden met zich brengen dat eiseres een beperkt verwijt treft van de overtreding. Het oponthoud is immers voor het grootste deel te wijten aan omstandigheden die eiseres niet kunnen worden aangerekend. Bovendien waren de schapen die de vennoot na 17:30 uur nog heeft opgehaald van degene die hem had geholpen de uitgebroken schapen te scheiden en weer in de wei te zetten. Voorstelbaar is dat de vennoot zich gehouden achtte om die schapen nog op te halen omdat hij anders degene die hem had geholpen vervolgens zou moeten teleurstellen.
Toepassing van het gefixeerde boetetarief van € 1.500,- acht de rechtbank onder de geschetste omstandigheden daarom niet evenredig. Naar het oordeel van de rechtbank had dit verweerder aanleiding moeten geven voor een matiging op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden en het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het boetebedrag op de voet van artikel 8:72a van de Awb vast te stellen op de helft, dat wil zeggen € 750,-.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de boetehoogte;

  • -

    herroept het primaire besluit voor wat betreft de boetehoogte en stelt het boetebedrag vast op € 750,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit voor wat betreft de boetehoogte;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 februari 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Bijlage

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Verordening (EG) nr. 1/2005) en de daarbij behorende Bijlage I luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

(…)

w) “vervoer”: de verplaatsing van dieren met behulp van een of meer vervoermiddelen en de daarmee samenhangende activiteiten, zoals laden, lossen, overladen en rusten, tot aan het moment waarop alle dieren op de plaats van bestemming zijn uitgeladen;

(…)

Artikel 3

Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

(…)

f) het transport wordt zonder oponthoud tot de plaats van bestemming uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren worden regelmatig gecontroleerd en naar behoren in stand gehouden;

(…)

Artikel 6

Vervoerders

(…)

3. De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.

(…)

BIJLAGE I

(…)

HOOFDSTUK V

TUSSENPOZEN VOOR HET DRENKEN EN HET VOEDEREN, ALSMEDE TRANSPORT- EN RUSTTIJDEN

1. Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens

1.1.

De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op het vervoer van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens, met uitzondering van het luchtvervoer.

1.2.

De transporttijd van dieren die behoren tot de in punt 1.1 bedoelde soorten, mag niet langer zijn dan 8 uur.

1.3.

De in punt 1.2 genoemde maximale transporttijd kan worden verlengd indien aan de aanvullende voorschriften van hoofdstuk VI is voldaan.

(…)

1.8.

In het belang van de dieren kunnen de transporttijden bedoeld in de punten 1.3, 1.4 en 1.7, onder b), met twee uur worden verlengd, met name gelet op de nabijheid van de plaats van bestemming.

(…)”

De Wet Dieren luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

(…)

Artikel 8.6. Definities

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:

(…)

2°. een van de bepalingen, bedoeld in onderdeel a, in samenhang met de artikelen 6.2, eerste lid, (…);

(…)

Artikel 8.7. Bevoegdheid

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Artikel 8.8. Hoogte bestuurlijke boete

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

2. De op grond van het eerste lid te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht per overtreding, begaan door een rechtspersoon of een vennootschap, of, indien dat meer is, 10 procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan het boekjaar waarin de boete wordt opgelegd.

(…)”

Het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 2.2. Boetecategorieën

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:

(…)

b. categorie 2: € 1500;

(…)

Artikel 2.3. Gevolgen volksgezondheid, diergezondheid en dierenwelzijn

Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:

a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;

b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.”

De Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren en de daarbij behorende bijlage luidden – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 1.1. Definitiebepaling

In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.

Artikel 1.2. Indeling categorieën bestuurlijke boete

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.

Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

“(…) Categorie

Regeling houders van dieren

(…)

Artikel 4.8, voor zover dat artikel betrekking heeft op de 2

artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 12 alsmede Bijlagen I, II en IV,

voor zover genoemd in de genoemde artikelen, van

verordening (EG) nr. 1/2005

(…)”

De Regeling houders van dieren luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 4.8. Verbodsbepalingen

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:

– 3 tot en met 9 (…), van verordening (EG) nr. 1/2005;

(…)”