Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1476

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8202
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOZ. Het woon/zorgcomplex is niet aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet. Daarnaast overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet vanwege de complexiteit van de zaak aanleiding de redelijke termijn met een half jaar te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-03-2019
V-N Vandaag 2019/660
FutD 2019-0861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/8202

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres]

gemachtigde: G. Gieben,

en

de directeur van de Gemeentebelastingen Drechtsteden, verweerder,

gemachtigde: mr. L.E. Souljé.

en

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat).

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 31 januari 2016, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak

[adres 1] te Sliedrecht (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2016 vastgesteld op € 52.600.000,-. Tegelijk met deze beschikking heeft verweerder eiseres voor het belastingjaar 2016 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaar en een aanslag OZB gebruiker opgelegd. De grondslag van de aanslag OZB gebruiker is vastgesteld op € 9.468.000,-.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 10 november 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Op 23 mei 2017 is de zaak ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is verschenen bij mr. L.H.G.M. Driessen, vergezeld door haar taxateur E.M.J. Brandsen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door zijn taxateur P. Baas.

De zaak is ter zitting geschorst om partijen met elkaar in overleg te laten treden. Hierna zijn over en weer stukken uitgewisseld.

Op 31 januari 2019 is de zaak ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiseres is verschenen bij A. Noij. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door zijn taxateur P. Baas.

Overwegingen

Woning in de zin van artikel 220a Gemeentewet

1. Eiseres is eigenaar en gebruiker van het woon-/zorgcomplex [naam], gelegen aan de [adres 1] te Sliedrecht. Het zorgcomplex, dat door verweerder terecht is aangemerkt als één object in de zin van de Wet WOZ, heeft een totaal perceelsoppervlakte van 213.079 m², waarop onder andere dagbestedingsruimten en woonpaviljoens zijn gelegen.

2. Nadat deze zaak ter zitting van 23 mei 2017 is geschorst, zijn partijen met elkaar in overleg getreden en hebben zij onderling informatie uitgewisseld. Dit heeft ertoe geleid dat partijen zijn overeengekomen dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Evenmin is de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet en daarmee de grondslag voor de aanslag OZB gebruiker in geschil, zoals ook ter zitting door partijen is bevestigd.

In geschil is nog of de aanslag OZB eigenaar naar het juiste tarief (niet-woning) is opgelegd en of de aanslag gebruiker OZB terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of de onroerende zaak moet worden aangemerkt als een woning (standpunt eiseres) of een niet-woning (standpunt verweerder) zoals bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet. Doorslaggevend is in dit verband het antwoord op de vraag of 70 % of meer van het oppervlakte van de onroerende zaak dient tot woning dan wel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden.

3. Partijen hebben het resterende geschilpunt, zoals hiervoor omschreven, nog verder ingeperkt. Tussen hen is enkel nog in geschil of de zogenaamde woonpaviljoens van de onroerende zaak zijn aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet of niet. Hierbij zijn partijen het erover eens dat de woonpaviljoens [adres 2] en [adres 3] maatgevend zijn voor alle woonpaviljoens op het complex. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat [adres 2] en [adres 3] zijn aan te merken als woning, dan zal dit gelden voor alle woonpaviljoens van de onroerende zaak. Verder geldt dat, indien de woonpaviljoens zouden zijn aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet, de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Partijen hebben beide dezelfde plattegronden overgelegd van [adres 2] en [adres 3] waarop zij ieder voor zich hebben aangegeven welke gedeelten van deze woonpaviljoens volgens hen als woning zijn aan te merken. De oppervlakten en indeling van [adres 2] en [adres 3] zijn daarbij niet in geschil.

4. Omdat het gaat om de vaststelling van een belastingaanslag rust op verweerder de bewijslast dat de grondslag waarnaar de belasting is geheven en het tarief van de belasting juist zijn. Dit betekent voor deze zaak dat verweerder aannemelijk moet maken dat de woonpaviljoens [adres 2] en [adres 3] niet zijn aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet.

5. Voor de beantwoording van de vraag of [adres 2] en [adres 3] in hoofdzaak dienen tot woning als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, komt het erop aan of de onderdelen daarvan die in ogenschouw worden genomen tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Uit de rechtspraak volgt dat die term niet voor tweeërlei uitleg vatbaar; volledig wil zeggen: voor 100 procent (vergelijk uitspraak hof Arnhem-Leeuwarden 6 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9738).

6. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden die uit het dossier of ter zitting zijn gebleken.

6.1

Het woonpaviljoen [adres 2] bestaat uit één verdieping (de begane grond) waar zich de zit-/slaapkamers van de bewoners bevinden en verder twee gezamenlijke woon-kamers en twee gezamenlijke badkamers, twee gangen, een berging en een logeerkamer.

Het woonpaviljoen [adres 3] heeft drie verdiepingen. Op de begane grond bevinden zich twee slaapkamers, een gezamenlijke keuken, woonkamer en badkamer. Verder is er een gang, een trap en een kantoor. Op de eerste verdieping bevinden zich vijf slaapkamers, een gezamenlijke woonkamer, badkamer, toilet en een berging. Op de tweede verdieping bevinden zich nog twee bergingen.

De zit-/slaapkamers respectievelijk de slaapkamers zijn afsluitbaar en de bewoners hebben een sleutel. Het personeel kan in geval van nood ook met een sleutel de kamers binnenkomen.

6.2

In het woon-/zorgcomplex – en dus ook in de deelobjecten [adres 2] en [adres 3] – wonen mensen met een ernstige (veelal verstandelijke) beperking.

De bewoners van het zorgcomplex verblijven daar duurzaam en zijn in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van het woon-/zorgcomplex.

De bewoners hebben een zorgzwaartepakket tot en met de zwaarste categorie 8. Tevens zijn er bewoners met het syndroom van Down en bewoners die zich in het laatste stadium van dementie bevinden. De bewoners zijn gedeeltelijk of volledig zorgafhankelijk en kunnen niet zonder permanente zorg in hun omgeving wonen. Zij hebben dagelijks hulp, verpleging en verzorging nodig. Die verzorging en verpleging vindt buiten de zit-/slaapkamers respectievelijk slaapkamers van de bewoners plaats, in de overige ruimten, tenzij een bewoner ziek is en daarom niet uit bed kan. De bewoners kunnen niet zonder toezicht van het verzorgend/verplegend personeel buiten hun eigen kamers verblijven. In de overige ruimten wordt therapie of behandeling gegeven in de vorm van een volledig dagprogramma. Zo wordt er in de gemeenschappelijke keukens (onder toezicht) gekookt. Ook in de gezamenlijke badkamers en toiletten worden de bewoners begeleid.

7. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat buiten de eigen slaapkamers van de bewoners sprake is van ‘mix-ruimten’, in die zin dat de bewoners daar overdag verblijven en dat daar zorg en verpleging wordt verleend. Deze ruimten zijn daarom niet 100 % dienstbaar aan woondoeleinden en dus niet als woning aan te merken.

Dat de zit-/slaapkamers respectievelijk slaapkamers geen eigen keuken, badkamer en toilet hebben, waar eiseres op wijst, betekent niet dat de gezamenlijke keukens, badkamers en toiletten daarom als woning moeten worden aangemerkt. Ook in deze gezamenlijke ruimten vindt namelijk verzorging, verpleging en begeleiding plaats. Omdat de gangen meer dan incidenteel door het verzorgend personeel worden gebruikt, zijn die ook niet als woning aan te merken. In welke mate in een bepaalde ruimte zorg plaatsvindt is, anders dan eiseres betoogt, van belang bij de vaststelling of sprake is van een woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet. In het arrest van 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3270, sluit de Hoge Raad aan bij het gebruik van gezamenlijke ruimten (rechtsoverweging 3.5.2), wat hij ook doet in het arrest van 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326 (rechtsoverweging 3.2.1).

De vergelijking van eiseres met een situatie waarin thuis thuiszorg wordt verleend gaat mank, omdat in die situatie de regie bij de bewoner ligt. Degene aan wie thuiszorg wordt verleend, bepaalt (wanneer en) wat er in zijn woning gebeurd. Dit is anders bij de gemeenschappelijke ruimten in de woonpaviljoens. De bewoners kunnen daar niet vrijelijk, zonder toezicht van het personeel, naar toegaan en verblijven.

8. Gelet op het voorgaande zijn enkel de eigen zit-/slaapkamers respectievelijk slaapkamers van de bewoners aan te merken als woning. Voor het geval de rechtbank dat zou oordelen, waren partijen het er op voorhand over eens dat de woonpaviljoens niet als woning zijn aan te merken in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet. Dit leidt tot de conclusie dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet.

9. De slotsom is dan ook dat verweerder slaagt in zijn bewijslast. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Overschrijding redelijke termijn

10. Eiser verzoekt voorts tot een schadevergoeding omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.

10.1

Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, oordeelt de rechtbank als volgt.

10.2

Geschillen behoren binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Hierbij geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding de redelijke termijn met een half jaar te verlengen vanwege de complexiteit van de zaak (vergelijk rechtsoverweging 3.5.1 en 3.5.2 uit het voormelde arrest van 19 februari 2016). Dit betekent dat de redelijke termijn in dit geval tweeëneenhalf jaar bedraagt. De rechtbank acht het redelijk om deze verlenging van de redelijke termijn met een half jaar gelijk te verdelen over de periode van behandeling van het bezwaar en de periode van behandeling van het beroep. Dit betekent dat de behandeling van het bezwaar (zes plus drie is) negen maanden mocht duren en de behandeling van het beroep (achttien plus drie is) eenentwintig maanden.

10.3

In deze zaak is het bezwaarschrift op 26 februari 2016 door verweerder ontvangen, terwijl deze uitspraak wordt gedaan op 26 februari 2019. Daarom is de redelijke termijn van, in dit geval, tweeëneenhalf jaar met zes maanden overschreden. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 500,-. Van deze overschrijding van de redelijke termijn is een periode van vijftien dagen, naar boven afgerond één maand, toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase (vergelijk Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292). Verweerder dient daarom 1/6 van € 500,- te betalen (= € 83,33) en de Staat 5/6 deel (= € 416,67).

Proceskostenveroordeling

11. Nu eiseres recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding om het griffierecht te vergoeden op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft recht op een vergoeding van haar proceskosten. Aangezien het bestreden besluit volledig in stand blijft, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase, waaronder het in die fase voor eiseres opgestelde taxatierapport (vergelijk arrest Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Gelet op rechtsoverweging 2.3.2 van dat zelfde arrest is er aanleiding een wegingsfactor van 0,5 toe te passen als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat de proceskostenvergoeding enkel wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, bestaat geen aanleiding de zaak als “zwaar” aan te merken waarvoor wegingsfactor 1,5 geldt.

12. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 640,- bedraagt (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 23 mei 2017 en 0,5 voor het verschijnen ter zitting van 31 januari 2019, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 0,5).

Omdat de termijnoverschrijding zowel aan verweerder als aan de rechtbank is toe te rekenen, dienen verweerder en de Staat allebei de helft van het griffierecht en de helft van de proceskostenvergoeding te betalen (zie rechtsoverweging 3.14.2 uit het arrest van 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

Dit alles leidt ertoe dat verweerder in totaal € 570,33 aan eiseres dient te betalen en de Staat € 903,67.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 83,33;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 416,67;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres de helft van het door haar betaalde griffierecht van € 334, dus € 167,- vergoedt;

  • -

    bepaalt dat de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) aan eiseres de helft van het door haar betaalde griffierecht van € 334, dus € 167,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 320,-;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 320,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I Bouter, voorzitter, en mrs. M.I. Blagrove en

M. de Rooij, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 februari 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).