Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1448

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
C/10/549321 / HA ZA 18-433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inschrijving voorrecht art. 8:211 BW door bemanningsleden. Handhaven zekerheid in escrow. Uitleg vaststellingsovereenkomst. Geen risico-aansprakelijkheid. Niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/549321 / HA ZA 18-433

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] ,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2] ,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 3] ,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 4] ,

gevestigd te Amsterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 5] ,

gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LWI HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. R.P. van Campen te Amsterdam

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Westkapelle,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te Steenwijkerwold,

4. [gedaagde 4] ,

wonende te Rotterdam,

5. [gedaagde 5],

wonende te Rotterdam,

6. [gedaagde 6],

wonende te Berkel en Rodenrijs,

7. [gedaagde 7],

wonende te Sneek,

8. [gedaagde 8],

wonende te Hoek van Holland,

9. [gedaagde 9],

wonende te Utrecht,

10. [gedaagde 10],

wonende te Ouderkerk aan den IJssel,

11. [gedaagde 11],

wonende te Anjum,

12. [gedaagde 12],

wonende te Blije,

13. [gedaagde 13],

wonende te Sassenheim,

14. [gedaagde 14],

wonende te Den Haag,

15. [gedaagde 15],

wonende te Mugardos-La Coruna, Spanje

16. [gedaagde 16],

wonende te Eupen, België

17. [gedaagde 17],

wonende te Antwerpen, België

18. [gedaagde 18],

wonende te Vlissingen,

19. [gedaagde 19],

wonende te Doetinchem,

gedaagden,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam.

Eiseressen zullen worden aangeduid als zodanig, eiseressen 1 tot en met 5 ook als “de rederijen”, eiseres 6 als LWI Holding, en gedaagden zullen “de bemanningsleden” worden genoemd. Sommige gedaagden zullen ook met hun enkele achternaam worden aangeduid.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 10 september 2018 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Van Campen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rederijen waren one ship companies en elk van hen was reder/eigenares van een gelijknamig zeeschip, aldus respectievelijk [eiseres 1] , [eiseres 5] , [eiseres 4] , [eiseres 3] en [eiseres 2] (hierna: de Greenschepen).

De Greenschepen voerden de Nederlandse vlag.

LWI Holding is/was enig aandeelhoudster en bestuurder van de rederijen.

2.2

De Greenschepen werden beheerd door CEC Shipmanagement

(hierna: CEC), op basis van een tussen de rederijen en CEC op1 januari 2006 gesloten Ship Invest Management Agreement.

CEC was tot 31 oktober 2012 enig aandeelhoudster van Greenfleet Crew BV (hierna: GC).

CEC en GC handelden samen onder de naam Holland Ship Invest Services (hierna: HSS).

De heer Peter Meijer (hierna: Meijer) is enig directeur en aandeelhouder van CEC en Fleet Manager van HSS.

CEC behandelde alle bemanningsaangelegenheden op de schepen. Zij heeft de uitvoering daarvan uitbesteed aan GC. GC is met de bemanningsleden schriftelijke arbeidsovereenkomsten aangegaan.

2.3

In verband met de economische crisis hebben de rederijen begin 2012 besloten de Greenschepen te verkopen.

2.4

Een brief van LWI Holding BV aan CEC van 26 maart 2012 luidt, voor zover hier van belang:

“(…)Please be informed, that the above vessels (de Greenschepen, opm. rb) are in the process of being sold and on behalf of the owners, we herewith tender notice of termination in accordance with Clause 18.3 of the Technical Management Agreement dated 1 January 2006. The sale is not yet fully completed, but we expect the delivery of the vessels will happen sometime in April/May 2012.

The new owners have appointed Clipper Fleet Management A/S, Copenhagen as their Technical Managers. We have been advised that the new owners have agreed with Clipper Fleet Management A/S (…) that they will communicate directly with you with regards to all the practical issues and you are kindly requested to render your assistance and cooperation in order secure a seamless and most economical delivery to the new Owners. Clipper Fleet management A/S will revert as soon as they have information on the transfer date for each vessel, and we would appreciate your endeavors to keep the vessels running smoothly until such time.

(…)”

2.5

Bij brief van 17 april 2012 heeft Meijer aan het bestuur van de vakbond voor zeevarenden Nautilus International (hierna: Nautilus) bericht dat hij heeft vernomen dat de Greenschepen verkocht gaan worden, dat de toekomstige eigenaars te kennen hebben gegeven geen gebruik te zullen maken van de bemanning van GC en ook niet van de diensten van HSS en dat hem niets anders resteert dan ontslag aan te vragen voor alle werknemers. In die brief deelt hij ook mede dat hij de bemanningsleden schriftelijk of telefonisch heeft geïnformeerd over de verkoop van de schepen.

2.6

Op 15 mei 2012 heeft GC het UWV toestemming gevraagd de arbeidsverhouding met de bemanningsleden op te zeggen.

2.7

Op 13 september 2012 hebben de bemanningsleden met uitzondering van [gedaagde 7] , [gedaagde 13] en [gedaagde 16] op grond van artikel 8:211 aanhef en onder b BW en artikel 85 Kadasterwet de bewaarder een verzoek gedaan tot inschrijving in het scheepsregister van bevoorrechte vorderingen met betrekking tot de Greenschepen.

Het totale beloop van die ingeschreven voorrechten was € 1.500.000,00. Diezelfde dag zijn de betreffende inschrijvingen geschied.

2.8

Op 18 september 2012 hebben eiseressen en de bemanningsleden een vaststellingsovereenkomst gesloten, die als appendix is toegevoegd aan een

“Agreement between creditors and debtors, including an escrow agreement between creditors, debtors and escrow agent” (hierna: escrow agreement) van 26 sept 2012.

In de escrow agreement zijn de rederijen en LWI Holding gezamenlijk aangeduid als “Debtors”, de rederijen als “Owners” en de bemanningsleden als “Creditors”.

Ingevolge de escrow agreement hebben de rederijen een bedrag van € 950.000,-- in escrow gestort. GC heeft aanvullend een bedrag van € 150.000,-- gestort.

2.9

Deze escrow agreement van 26 september 2012 luidt, voor zover hier van belang:

PURPOSE OF THE ESCROW ACCOUNT

12 The purpose of the Escrow Account is to secure the obligations of the Debtors under any relationship they might have with the Creditors.

PAYMENTS OUT OF THE ESCROW ACCOUNT

13 Any request for payment out of the Escrow Account must be made in writing to the Escrow Agent and shall state the amount to be paid out of the Escrow Account and the name, address and account number of the recipient.

14 The Escrow Agent shall only make payments out of the Escrow Account if the request for payment is signed by both Representatives.

15 If the Creditors have, or any Creditor has obtained an enforceable judgment of a competent court or a final and binding arbitral award (as the case may be) against any of the Debtors, which judgement and/or award are irrevocable and not subject to appeal against one or more of the Debtors, the Debtors shall be obliged to instruct their Representative to co-sign any payment instruction to the Escrow Agent for a sum equal to the amount that shall have been finally adjudged to be payable within 5 Business Days after such judgment or award. Furthermore, if the Escrow Agent is obliged to follow instructions resulting from an irrevocable judgment and/or award referred to above, the Escrow Agent shall be authorized to do so,

16 Upon receipt of a request for payment in accordance with this Section, the Escrow Agent shall promptly make the relevant payment.

(…)

TERM AND TERMINATION

21 This Agreement shall remain in force as from 25 September 2012 until 25 September 2013, and shall remain in force afterwards if one or more of the Creditors have filed proceedings against either Owners and/or LWI.

2.10

De bemanningsleden, behalve [gedaagde 18] en [gedaagde 19] , hebben op 9 oktober 2012 bij de kantonrechter te Rotterdam een verzoek gedaan tot ontbinding van de volgens hen tussen hen en de rederijen bestaande zee-arbeidsovereenkomsten.

2.11

In oktober/november 2012 zijn de Greenschepen overgedragen aan Greenfleet Shipping Co Ltd., gevestigd op de Bahama’s.

2.12

Bij beslissing van 16 oktober 2012 heeft het UWV de verzochte toestemming de arbeidsovereenkomsten met de bemanningsleden op te zeggen geweigerd.

2.13

Op 17 oktober 2012 zijn de inschrijvingen in het scheepsregister doorgehaald.

2.14

Op 31 oktober 2012 heeft Canada Feeder Lines (hierna: CFL) de aandelen in GC overgenomen.

2.15

Bij beschikking van 11 december 2012 heeft de kantonrechter te Rotterdam het onder 2.10 bedoelde ontbindingsverzoek van de bemanningsleden afgewezen.

2.16

De bemanningsleden, behoudens [gedaagde 18] en [gedaagde 19] , hebben de rederijen, LWI Holding, CEC en GC in rechte betrokken. Zij hebben in die procedure (met zaaknummer 2140547), kort gezegd, gevorderd een verklaring voor recht dat er sprake was van zee-arbeidsovereenkomsten tussen de bemanningsleden en de rederijen, dat de rederijen en CEC in strijd met het beginsel van goed zeewerkgeverschap hebben gehandeld en dat LWI Holding en CEC jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld.

Bij vonnis van 12 december 2014 in deze zaak heeft de kantonrechter te Rotterdam de vorderingen afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van

31 mei 2016 dit vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Er is geen cassatieberoep ingesteld.

3 De vordering

3.1

Eiseressen vorderen dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren dat de bemanningsleden onrechtmatig hebben gehandeld jegens hen door voorrechten te registreren ten aanzien van vorderingen die zij nooit hebben gehad en dat de bemanningsleden hiervoor aansprakelijk zijn;

2 de bemanningsleden ieder hoofdelijk zal veroordelen aan hen te vergoeden de door hen daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van inschrijving van de voorrechten, althans vanaf de datum van storting van de gelden in escrow, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

3 de bemanningsleden ieder hoofdelijk te veroordelen om aan hen te betalen een voorschot op de schade van € 50.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

4 de bemanningsleden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten van € 131,-- zonder betekening en verhoogd met € 68,-- in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2

Zij baseren hun vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Om de registratie van de bevoorrechte vorderingen op de schepen door te halen en de schade zoveel mogelijk te beperken hebben zij op 26 september 2012 noodgedwongen

een bedrag van € 950.000,-- in escrow gestort. Met de bemanningsleden zijn zij overeengekomen dat dat bedrag diende tot zekerheid van de verplichtingen die zij jegens laatstgenoemden zouden hebben wanneer in rechte zou komen vast te staan dat er tussen hen en de bemanningsleden een zee-arbeidsovereenkomst bestond. Ook nadat zeker was dat de bemanningsleden met volledige instandhouding van hun arbeidsverleden bij CFL zouden worden tewerkgesteld en dus geen schade zouden (kunnen) lijden, volhardden zij in hun vorderingen.

De registratie van de bevoorrechte vorderingen is in alle opzichten gelijk te stellen aan een conservatoir beslag op schepen. De inschrijving is slechts geschied met het doel de voorgenomen verkoop van de schepen te blokkeren. Ook zonder inschrijving konden de bemanningsleden zich verhalen op de schepen. Een beslag is onrechtmatig wanneer de eis in de hoofdzaak geheel wordt afgewezen. Er is immers sprake van een risicoaansprakelijkheid. Het risico heeft zich in dit geval verwezenlijkt. Het inschrijven van bevoorrechte vorderingen en het jarenlang zonder rechtsgrond blokkeren van de gelden in escrow heeft tot aanzienlijke schade geleid. De schade bestaat in: vertraging van de verkoop en de levering van de schepen, doorlopende kosten, zoals bemanningskosten en liggelden, financieringskosten en kosten van juridische bijstand ter doorhaling van de registraties en kosten van leningen om de gelden in escrow te kunnen storten.

Ten tijde van de registratie bestonden er geen vorderingen van de bemanningsleden en die zijn daarna ook niet ontstaan. Daarom is het voeren van de verschillende procedures tegen de rederijen ook onrechtmatig geweest en zijn de daarmee samenhangende (advocaat)kosten als schade aan te merken. Dat geldt temeer voor de procedures die zijn gevoerd na de onherroepelijke beschikking van de kantonrechter van 11 december 2012.

Aan advocaatkosten hebben zij al € 200.000,-- besteed, de rentekosten (10%) over een bedrag van € 950.000,-- kunnen voorshands geschat worden op € 380.000,--.

Voor [gedaagde 7] en [gedaagde 13] geldt dat namens hen geen voorrechten werden ingeschreven, maar wel ten onrechte zekerheid werd geëist. Ook ten aanzien van hen moet daarom veroordeling volgen. Voor [gedaagde 18] en [gedaagde 19] geldt dat zij geen partij waren bij de juridische procedures maar wel voorrechten hebben laten inschrijven en zekerheid hebben afgedwongen, zodat ook ten aanzien van hen een verklaring voor recht kan worden gegeven.

4 Het verweer

De bemanningsleden hebben de vordering gemotiveerd weersproken en geconcludeerd tot afwijzing met kostenveroordeling. Op dat verweer gaat de rechtbank hierna, waar nodig, in.

5 De beoordeling

5.1

Het meest verstrekkende verweer is dat eiseressen geen rechtens relevant belang hebben bij hun vorderingen. Dat verweer faalt. Als de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat (sommige van de) bemanningsleden onrechtmatig hebben gehandeld, dan is, gelet op de toelichting van eiseressen de mogelijkheid van schade aannemelijk en hebben zij voldoende belang bij hun vordering.

5.2

inschrijving onrechtmatig?

5.2.1

Eiseressen stellen dat de registratie van de bevoorrechte vorderingen in alle opzichten gelijk is te stellen aan een conservatoir beslag. Zij voeren aan dat het een bewarende maatregel betreft die voor zover van belang dezelfde gevolgen heeft als conservatoir beslag, met name omdat verkoop en levering van de Greenschepen daardoor werden gefrustreerd. De schepen zouden dan immers in Nederland geregistreerd blijven. Net als bij conservatoir beslag is, nu achteraf blijkt dat de bemanningsleden geen vorderingen hadden, de inschrijving onrechtmatig en doet niet ter zake of zij destijds in redelijkheid konden menen wel een vordering te hebben.

Volgens de bemanningsleden is inschrijving niet gelijk te stellen aan conservatoir beslag; het is geen “bewarende” maatregel, aangezien bevoorrechte vorderingen ingevolge artikel 8:215, lid 1 BW zaaksgevolg hebben.

5.2.2

Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is in het algemeen verwijtbaarheid een vereiste; risico-aansprakelijkheid is uitzonderlijk. Dat betekent dat niet te snel moet worden aangenomen dat sprake is van risico-aansprakelijkheid.

De achtergrond van de risicoaansprakelijkheid die volgens vaste rechtspraak bestaat bij een achteraf bezien ten onrechte gelegd, onrechtmatig beslag is dat degene die een beslag legt op eigen risico handelt en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden, indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld.

5.2.3

De ratio van de voorrechten van artikel 8:211 onder b BW is het zoveel mogelijk veilig stellen van de verhaalsmogelijkheden van de bemanning met zee-arbeidsovereenkomsten. De achtergrond van het voorrecht is internationaalrechtelijk, de ratio is het beschermen van de positie van de bemanning en de juridische uitwerking heeft de vorm gekregen van een zeer hoog gerangschikt voorrecht met zaaksgevolg. Dat wil zeggen dat het schip in beginsel wel kan worden verkocht, maar dat de bevoorrechte vordering het schip volgt, ook als dit is verkocht. Met de stelling dat verkoop en levering door de inschrijving werden gefrustreerd hebben eiseressen kennelijk het oog op de toezegging “zonder belemmeringen te leveren”. Daargelaten dat deze toezegging voor hun eigen risico kwam, is deze zonder belang. De voorrechten zouden, als in rechte zou zijn vastgesteld dat de vorderingen inderdaad bestonden, in beginsel immers ongeacht de inschrijving op de schepen hebben gerust, ook na verkoop en levering. Voor zover zij het oog hebben op de (onverplichte) inschrijving als Nederlands schip in de registers en de voor levering en inschrijving in een buitenlands register noodzakelijke doorhaling daarvan (artt. 8:194 /195 BW) miskennen zij, dat van een absoluut beletsel geen sprake was, nu instemming van de bemanningsleden zou hebben kunnen worden verkregen. Kennelijk is in plaats daarvan zekerheid door storting van een bedrag in escrow gesteld.

Het conservatoir beslag heeft ook ten doel verhaal veilig te stellen zonder dat de eigenaar/reder beschikkingsonbevoegd wordt. Toch zijn er verschillen. Er worden geen bijzondere eisen gesteld aan de vordering waarvoor beslag wordt gelegd en er is geen sprake van een voorrecht op het schip. Naast de mogelijkheid tot het leggen van beslag bestaat de wettelijke mogelijkheid van inschrijving van de voorrechten. De gevolgen daarvan zijn anders. De mogelijkheid van opheffing van het beslag door de rechter en, in voorkomend geval, herleving van het beslag na vernietiging van die opheffing in appel, waarbij de inmiddels tot stand gekomen vervreemding wordt gerespecteerd, (vgl ECLI:NL:HR:2008:BC9351) laat zien dat de positie van de beslaglegger niet gelijk is aan die van de bemanningsleden met een voorrecht ex art. 8:211 BW. Van belang is voorts, dat een beslaglegger, anders dan een bemanningslid met een vordering uit een zeearbeidsovereenkomst, niet in een bijzonder beschermingswaardige positie verkeert.

5.2.3

De overeenkomsten met conservatoir beslag zijn, gegeven voormeld uitgangspunt, onvoldoende voor het oordeel dat bij een achteraf onterechte inschrijving sprake zou zijn van een risico-aansprakelijkheid. Daarbij is meegewogen dat de mogelijkheid dat de bemanningsleden, ook zonder dat hen een verwijt te maken valt, gehouden zouden zijn tot vergoeding van schade een ongewenst chilling effect zou kunnen hebben; dat zou ertoe kunnen leiden dat zij feitelijk geen toegang zouden hebben tot de noodzakelijk geachte bescherming van hun rechten.

5.2.4

De aansprakelijkheid moet daarom worden beoordeeld naar de criteria voor misbruik van recht. Aan die criteria is hier niet voldaan. De bemanningsleden konden in redelijkheid menen dat zij een vordering als bedoeld in artikel 8:211 BW hadden en dat het laten inschrijven van hun voorrechten geen onevenredig belastende effecten zou hebben. De schepen konden immers verkocht worden. Dat de hoogte van de vorderingen excessief was is niet onderbouwd. Voorts hebben zij die inschrijving niet nodeloos lang gehandhaafd want zij hebben, toen dat gevraagd werd, ingestemd met de hierna te bespreken vervangende zekerheid voor een beperkter bedrag. Zij hebben aldus geen misbruik van recht of bevoegdheid gemaakt.

Gelet op het voorgaande behoeft de positie van degenen onder de bemanningsleden die hun voorrechten niet hebben laten inschrijven geen aparte bespreking.

5.3

afdwingen van zekerheid onrechtmatig?

De rederijen hebben voorts gesteld dat de bemanningsleden onrechtmatig hebben gehandeld door ter vervanging van de inschrijving zekerheid te verlangen in de vorm van de storting van gelden in escrow en die vervolgens af te dwingen. Zij achten dat in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, kennelijk omdat zij dit misbruik van bevoegdheid dan wel van omstandigheden achten.

Die stelling faalt. In het algemeen gesproken kan het verlangen van zekerheid ter vervanging van de door de wederpartij als hinderlijk ervaren (rechtmatige) maatregel van inschrijving van voorrechten niet als onrechtmatig worden beschouwd, op de enkele grond dat die hinder aanzienlijk is. Concrete argumenten waarom dat in dit geval anders zou zijn zijn niet genoemd.

De vaststellingsovereenkomst van 18 september 2012 en de escrowovereenkomst van

26 september 2012 zijn voorts tot stand gekomen terwijl eiseressen, zakelijke partijen, werden bijgestaan door een advocaat. Dat desniettemin sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het sluiten van die overeenkomsten onrechtmatig was hebben eiseressen onvoldoende toegelicht en onderbouwd.

5.4

niet-vrijgeven gelden in escrow onrechtmatig?

De rederijen stellen dat de bemanningsleden, nadat op 31 oktober 2012 bekend werd dat zij bij CFL te werk zouden worden gesteld en vast stond dat zij dus geen schade konden lijden, en vervolgens na de beschikking van 11 december 2012, waarin de kantonrechter oordeelde dat er geen zee-arbeidsovereenkomsten tot stand waren gekomen, zonder rechtsgrond de vrijgave van de gelden in escrow hebben geblokkeerd. Daarmee hebben zij inbreuk gemaakt op het recht van de rederijen vrijelijk over die gelden te kunnen beschikken en dat is onrechtmatig, aldus de rederijen.

De bemanningsleden bestrijden dat. Het bleef voor hen, na de overdracht op 31 oktober 2012 van de aandelen CG aan CFL, onduidelijk of er sprake zou zijn van een stabiele en solide situatie. De marktomstandigheden waren voor CFL ongunstig. Als de rederijen werkelijk meenden dat er op dat moment reden was de gelden in escrow vrij te geven, dan hadden zij daar toen wel om gevraagd. Dat hebben zij echter niet gedaan.

De bemanningsleden achten het standpunt van eiseressen dat met de beschikking van

11 december 2012 vast stond dat er geen zee-arbeidsovereenkomsten bestonden tussen hen en de rederijen onjuist. De escrow agreement voorzag er immers in dat zij nog een vordering tegen de rederijen/LWI Holding indienden. De kern van de escrow-overeenkomst was volgens hen dat zij de vrijheid hadden om in rechte te doen vaststellen of zij uit hoofde van de door hen gestelde zee-arbeidsovereenkomsten, althans uit daaraan materieel gelijk te stellen rechtsverhoudingen, aanspraken hadden tegen de rederijen/LWI Holding. Zij hebben daarvan een niet uitputtende opsomming gegeven. Zij wijzen op tekst, doel en strekking van de escrow agreement, onder meer op artikel 21:

“This Agreement shall remain in force as from 25 September 2012 until 25 September 2013, and shall remain in force afterwards if one or more of the Creditors have filed proceedings against either Owners and/or LWI.”

5.5

De overeenkomst van 18 september 2012 is door partijen zelf aangeduid als vaststellingsovereenkomst. De escrow agreement bouwt daarop voort en is een nadere aanvulling en uitwerking daarvan; ook deze moet worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7:900 BW, waarbij meer bemanningsleden waren betrokken dan enerzijds degenen die voorrechten hadden ingeschreven en anderzijds degenen die de overeenkomst van 18 september 2012 hadden gesloten. Alle partijen zijn daaraan gebonden, tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, ook als de voorstelling van zaken die partijen hadden bij het sluiten daarvan afwijkt van de werkelijke situatie en/of van hetgeen uit de wet zou voortvloeien (niet ter zake doende uitzonderingen daargelaten).

5.6

Voor de beantwoording van de vraag of de bemanningsleden onrechtmatig hebben gehandeld door na 31 oktober 2012 en in elk geval na 11 december 2012 niet mee te werken aan vrijgave van de gelden in escrow is van belang wat het doel van de escrow agreement was en wat hun rechten en verplichtingen op basis van die overeenkomst waren.

Daarbij moet de rechtbank niet alleen de tekst van de overeenkomst zuiver taalkundig bezien, maar ook oog hebben voor de betekenis die eiseressen en de bemanningsleden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de tekst van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Beslissend zijn daarbij alle omstandigheden van het concrete geval, eveneens gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, terwijl ook de wijze van totstandkoming van de overeenkomst van groot belang is (NJ 1981, 635, NJ 2005, 493, NJ 2007, 576 en 575).

Aldus bezien kwam het doel van de escrow agreement, zoals geformuleerd in artikel 12, neer op het zeker stellen van de nakoming van eventuele verplichtingen van eiseressen jegens de bemanningsleden. Het ging dus om het veilig stellen van hún belangen. Voor eiseressen was in de escrow agreement een verplichting geformuleerd te betalen nadat er een onherroepelijke rechterlijke uitspraak die daartoe noopte zou zijn gedaan (artikel 15). Artikel 21 gaf de bemanningsleden de mogelijkheid om gedurende een jaar, en mogelijk langer, afhankelijk van de duur van door hen in te stellen procedures, hun vorderingen aan de rechter of een arbiter voor te leggen. Daar tegenover stond voor eiseressen dat de inschrijvingen zouden worden doorgehaald.

5.7

Dat (onmiddellijk) na 31 oktober 2012 vast stond dat de bemanningsleden geen schade meer konden lijden, zoals de rederijen stellen, kan de rechtbank niet aannemen. Onweersproken is dat de situatie voor de bemanningsleden na de overname van de aandelen GC door CFL op 31 oktober 2012 nog zeer onduidelijk was. Gelet op tekst, geest en strekking van de escrow agreement bestond er daarom toen voor hen geen verplichting om aan vrijgave van de gelden mee te werken, iets wat de rederijen toen, naar als onweersproken vast staat, ook niet van hen vroegen.

5.8

Met de beschikking van de kantonrechter van 11 december 2012 stond, anders dan de rederijen menen, niet in rechte vast dat er geen sprake was van

zee-arbeidsovereenkomsten. De kantonrechter heeft de vordering tot ontbinding van de gestelde zee-arbeidsovereenkomsten afgewezen omdat “onvoldoende gebleken is dat tussen partijen een zee-arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen” (r.o. 5.4). Dat onvoldoende is gebleken dat de zee-arbeidsovereenkomsten bestonden is rechtens niet gelijk te stellen aan het oordeel dat deze niet bestonden. De kantonrechter kon op de hem voorgelegde verzoeken beslissen zonder te hoeven vaststellen of/dat de gestelde zee-arbeidsovereenkomsten niet bestonden. Dat de bemanningsleden vervolgens een tweede procedure bij de kantonrechter zijn gestart waarin zij, onder meer, een verklaring voor recht hebben gevorderd dat er sprake was van zee-arbeidsovereenkomsten, was dus tegen die achtergrond in redelijkheid noodzakelijk en te voorzien. De escrow-agreement bood hen daarvoor in artikel 21 de ruimte. Toen de bemanningsleden bij vonnis van de kantonrechter in laatstgenoemde procedure in het ongelijk werden gesteld hebben zij hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 31 mei 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de kantonrechter van 12 december 2014 bekrachtigd. Nu geen beroep in cassatie is ingesteld stond (pas) daarmee in rechte vast dat de bemanningsleden geen aanspraken hadden jegens de rederijen.

5.9

Van onrechtmatig handelen door na het vonnis van de kantonrechter van

12 december 2014 door te procederen en de gelden in escrow niet volledig vrij te geven is geen sprake. Het uitvoering geven aan gemaakte afspraken kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn, maar in dit geval is dat niet zo.

Weliswaar voorzag de escrowovereenkomst niet met zoveel woorden in een recht voor de bemanningsleden om hoger beroep in te stellen, maar uitleg van die overeenkomst volgens de Haviltexnorm (zie hiervoor onder 5.6) leidt tot de conclusie dat zij de ruimte hadden dat te doen. Artikel 15 van die overeenkomst spreekt immers van een onherroepelijke beslissing als vereiste voor een betalingsverplichting. Daarmee is duidelijk dat zowel de rederijen als de bemanningsleden onder ogen hebben gezien dat een van hen een rechtsmiddel zou (kunnen) instellen.

De bemanningsleden konden in de gegeven omstandigheden dan ook redelijkerwijs gebruik maken van de ruimte die de escrowovereenkomst bood. Hun standpunt dat hun tewerkstelling op de Greenships strijdig was met artikel 406 Wetboek van Koophandel (oud) was op zichzelf juist bevonden door de kantonrechter en de vordering in kort geding van de rederijen tot vrijgave van het bedrag in escrow was afgewezen, waardoor de bemanningsleden redelijkerwijs konden menen dat hun standpunt in elk geval niet evident onjuist was. Daarbij weegt mee dat zij hebben meegewerkt aan verlaging van het bedrag in escrow tot € 250.000,-- ; in zoverre hebben zij zich de belangen van eiseressen aangetrokken en zich redelijk opgesteld. Van een nijpende toestand is niet gebleken.

Pas met het arrest van het Hof van 31 mei 2016 kwam vast te staan dat zelfs wanneer er sprake zou zijn van zee-arbeidsovereenkomsten de bemanningsleden geen vorderingen op de rederijen zouden hebben. Toen is het nog in escrow staande bedrag ook vrijgegeven.

De rederijen hebben in deze procedure wel het standpunt ingenomen dat de bemanningsleden hebben ”gegokt en verloren” en dat het onredelijk is om 4 jaar te procederen terwijl evident is dat er geen schade is, maar zij hebben dat standpunt in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden onvoldoende onderbouwd.

5.10

De slotsom is dat de bemanningsleden niet onrechtmatig hebben gehandeld en dat de vorderingen van eiseressen ten aanzien van de bemanningsleden moeten worden afgewezen.

Dat de positie van de bemanningsleden onder 7, 13, 18 en 19 niet volledig gelijk is aan die van de anderen doet gelet op het vorenstaande niet ter zake.

5.11

Eiseressen worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De bemanningsleden hebben geconcludeerd tot hoofdelijke veroordeling in de proceskosten, doch niet onderbouwd of toegelicht is waaruit deze zou voortvloeien. Dit zal dus worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank,

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiseressen in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de bemanningsleden begroot op € 1.922,-- aan salaris voor de advocaat en op € 1.950,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen voor zover deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en met het nasalaris advocaat, begroot op € 131,--, te verhogen met € 68,-- wanneer betekening moet volgen.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019

26232/106