Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1404

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
18/2621
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3842, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een sporthal op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Bor. Beroep is gegrond. Bouwplan is buiten de bebouwde kom gelegen en het betreft een bijbehorend bouwwerk met een hoogte van meer dan 5 meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 18/2621

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westvoorne, verweerder,

gemachtigde: mr. N.J.H.M. Slaats.

Derde-belanghebbende: de gemeente Westvoorne , vergunninghouder,

gemachtigde: S. Dekker.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sportzaal aan de [adres] te [woonplaats] .

Bij besluit van 19 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder en vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Ter plaatse van het bouwplan geldt de beheersverordening “Landelijk Gebied Westvoorne ”, vastgesteld op 21 maart 2017. In het verordeningsgebied gelden de regels van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Westvoorne ”, vastgesteld op 29 mei 2007. Het bouwplan is gesitueerd binnen de bestemmingen “maatschappelijke doeleinden” en “agrarisch”.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan de maximaal toegestane goot- en nokhoogte van de bestemming “maatschappelijke doeleinden” overschrijdt en dat het gedeelte van het bouwplan dat is gelegen binnen de bestemming “agrarisch” in strijd is met de bestemming.

4. Verweerder heeft in verband met de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), de zogenaamde kruimelgevallenregeling. Verweerder stelt dat sprake is van een bijbehorend bouwwerk en dat het bouwplan binnen de bebouwde kom is gelegen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit, met overneming van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, de verleende vergunning gehandhaafd en aangevuld in die zin dat de voorwaarde van de welstandscommissie met betrekking tot kleur- en materiaalgebruik en detaillering en de aanleg van 13 extra parkeerplaatsen onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning.

5. Eiseres stelt dat haar woon- en leefklimaat zal worden aangetast door de sportzaal. Zij voert aan dat geen sprake is van een kruimelgeval als bedoeld in artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor, omdat de voorschriften van het bestemmingsplan en de beheersverordening aanzienlijk worden overschreden. Zo is volgens het bestemmingsplan een goothoogte van 4 meter toegestaan terwijl het in het bouwplan gaat het om een goothoogte van 6,2 meter. Eiseres betwist dat de sportzaal is gelegen binnen de bebouwde kom en stelt dat het bouwplan in de algehele herziening van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Westvoorne ” onder het regime van het buitengebied valt. Zij verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU1777). De zogenaamde bebouwde kom is volgens eiseres hier niet meer dan een dun bebouwd lint zonder enige stedelijke uitstraling dat door honderden meters agrarisch gebied wordt gescheiden van de feitelijke bebouwde kom. Ook de provincie Zuid-Holland beschouwt volgens eiseres alleen de dorpskern [woonplaats] als bebouwde kom. Voorts stelt eiseres dat in de structuuvisie [woonplaats] 2015 de gronden met een agrarische bestemming waarop de sportzaal gebouwd moet worden, de mogelijke bestemming “kleinschalige woningbouw” heeft, zodat de sportzaal in strijd is met de eigen regelgeving van verweerder. Eiseres stelt verder dat een ruimtelijke onderbouwing is vereist vanwege de toename van het aantal personen dat gebruik zal maken van de sportzaal en de aldaar plaatsvindende evenementen en festiviteiten. Eiseres verwacht dat er grote verkeersoverlast zal ontstaan. Ook wordt volgens eiseres niet voldaan aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit, onder 3.2 Welstandsgebied “dorpsgebied bijzonder” omdat de sportzaal in het licht staat en niet ondergeschikt is aan het hoofdvolume en er sprake is van een zinken dak in plaats van de voorgeschreven keramische dakpannen. Voorts detoneert de flauwe dakhelling van 27,50 meter met die van de omliggende bebouwing en is sprake van een fabrieksmatige uitstraling naar de landelijke omgeving. Door de sportzaal gaat volgens eiseres het aanzicht van de achterzijde van het voormalige schoolgebouw vanaf de kade compleet verloren. Het volume en de grijzigheid van het beoogde bouwwerk zullen het bescheiden kerkje in het niet doen verdwijnen. De bouw van de sporthal is verder volgens eiseres een verspilling van gemeenschapsgeld gelet op het geringe inwoneraantal van [woonplaats] . Tenslotte betwijfelt eiseres dat er daadwerkelijk handhavend zal worden opgetreden in geval van geluidsoverlast en toenemende sociale onveiligheid.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor. Zij overweegt daartoe het volgende.

6.1.

Volgens vaste rechtspraak is de vraag of een perceel al dan niet buiten de bebouwde kom ligt, een vraag van feitelijke aard die niet afhankelijk is van de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft, maar van de aard van de omgeving. Daarbij gaat het om de feitelijke situatie en niet om een mogelijk toekomstige situatie.

6.2.

Ter zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat de omgeving van het plangebied, het oostelijk deel van de Strypsedijk en het deel van de Kade ten zuiden van de Strypse wetering, bestaat uit minimaal tien en maximaal veertien woningen, een voormalig schoolgebouw en een klein kerkgebouw met een oorspronkelijk daarbij behorend klein verenigingsgebouw.

6.3.

De gemeente Westvoorne heeft in de door haar op 26 maart 2013 vastgestelde Structuurvisie [woonplaats] 2025 (verder: de structuurvisie) in paragraaf 2.2. overwogen dat [woonplaats] onderdeel is van het landelijk gebied binnen het stedelijk netwerk en dat het zuidelijk deel van de kern, met de kerk en de (toenmalige) school in de Provinciale structuurvisie “Visie op Zuid-Holland” van 2 juli 2010 niet wordt gezien als onderdeel van de dorpskern, maar als dijkbebouwing. In deze paragraaf van de structuurvisie wordt verder overwogen: “Dit verschil in aanduiding is het gevolg van de huidige ligging van de bebouwde kom. Dit onderscheid bevat een deel van de problematiek zoals naar voren is gekomen in de ontwikkeling van deze structuurvisie voor [woonplaats] op het gebied van verkeersveiligheid en de ligging van de voorzieningen in de kern”. Verderop in paragraaf 2.2. wordt overwogen: “Voor [woonplaats] ligt de bebouwingscontour om de bebouwde kom, dus het noordelijk deel van de kern.” Dit is ook verbeeld in figuur 2.3, waarin de bebouwingscontour op een kaart is weergegeven. In paragraaf 2.3. van de structuurvisie is opgenomen: “de lintbebouwing aan de Kade en de Strypsedijk vallen binnen het welstandsgebied ‘buitengebied’”. In paragraaf 3.4 van de structuurvisie is opgenomen: “De beleving van de kern [woonplaats] is tweeledig. Is er sprake van twee delen (noord en zuid) of liggen de kerk en de school buiten het centrum?”

6.4.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde beschrijvingen in de structuurvisie af dat de gemeente Westvoorne slechts de bebouwing rond het oostelijk deel van de Lodderlandsedijk, de Colinslandsedijk, de Weidehof en het deel van de Kade ten noorden van de Strypse wetering tot de bebouwde kom rekent. Dit komt overigens overeen met de plaats van de verkeersborden die de bebouwde kom aangeven. De grens van de bebouwde kom eindigt daarmee aan de zijde van de Kade, zowel volgens de structuurvisie als volgens de verkeersborden, bij de Strypse wetering. Uit de structuurvisie blijkt verder – en dit is ter zitting door verweerder bevestigd – dat deze Strypse wetering als een ecologische zone wordt beschouwd, die onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur die de provincie waar mogelijk wil versterken. Volgens pagina 26 van de structuurvisie is uitgangspunt dat er, in het bijzonder rond de Strypse wetering, geen aaneengesloten lintbebouwing mag ontstaan en doorzichten naar het achterliggende landschap moeten blijven bestaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat in de visie van de gemeente Westvoorne geen sprake is van één aaneengesloten bebouwde kom, die zich uitstrekt tot en met de omgeving van het plangebied. De rechtbank kan zich met deze visie verenigen en overweegt daartoe nog dat tussen de laatste woning van de bebouwde kom ten noorden van de Strypse wetering en de eerste woning ten zuiden van de Strypse wetering zich over een lengte van ruim 250 meter een open landschap bevindt. Voor zover verweerder ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat de directe omgeving van het plangebied zelfstandig als bebouwde kom moet worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het aantal woningen rond het plangebied, minimaal tien en maximaal veertien in lintbebouwing, zodanig gering in omvang is en er niet een zodanige samenhangende structuur tussen deze bebouwing is dat deze woningen zelfstandig als bebouwde kom kunnen worden beschouwd, ook niet als wordt meegewogen dat tussen die woningen een kerkgebouw met oorspronkelijk bijbehorend verenigingsgebouw en een voormalig schoolgebouw staan.

6.5.

Gelet op hetgeen onder 6.3. en 6.4. is overwogen heeft verweerder ten onrechte als uitgangspunt genomen dat het bouwplan is gelegen binnen de bebouwde kom. Er is dus sprake van een bouwplan buiten de bebouwde kom. Verder is sprake van een bijbehorend bouwwerk met een hoogte van meer dan 5 meter (te weten een goothoogte van 6,220 meter en een nokhoogte van 9,205 meter) en een oppervlakte van meer dan 150 m² (te weten 388,8 m²). Nu het bouwplan ook niet anderszins valt onder een van de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II bij het Bor, kon verweerder op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo de omgevingsvergunning slechts verlenen – met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure – indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Omdat verweerder gehouden is de vergunningaanvraag opnieuw in behandeling te nemen en daarbij de uitgebreide voorbereidingsprocedure te volgen, ziet de rechtbank aanleiding, zelf voorziend, het primaire besluit te herroepen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 februari 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE: WETTELIJK KADER

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, voor zover van belang, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens het Bouwbesluit;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, voor zover van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Besluit omgevingsrecht (Bor):

Op grond van artikel 2.27 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m².