Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1398

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
C/10/549130 / HA ZA 18-423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van schietincident. Zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Vermindering schadevergoedingsplicht tot 60% vanwege eigen schuld aan de zijde van benadeelde (art. 6:101 BW). Beroep op matiging op grond van artikel 6:109 BW afgewezen. Gevorderd voorschot op schadevergoeding niet te duiden als provisionele voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv maar als vordering tot gedeeltelijke vaststelling van de schade. Toewijzing van een deel van de gevorderde schadevergoeding en voor verdere vaststelling van schadevergoeding volgt verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0275
NJF 2019/218
JA 2019/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/549130 / HA ZA 18-423

Vonnis van 30 januari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Barendrecht,

eiser, procederend met toevoeging onder nummer [nummer] ,

advocaat mr. P. Barendregt te Capelle aan den IJssel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.F. Desloover te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 16 april 2018 met producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 december 2018.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser] is op 14 juni 2013 door [gedaagde] in zijn rug geschoten. [eiser] zat ten tijde van het incident in een auto op de bijrijdersstoel. [gedaagde] zat op de achterbank van dezelfde auto, achter [eiser] .

2.2

Als gevolg van het schietincident heeft [eiser] lichamelijk letsel opgelopen. Bij [eiser] is een incomplete dwarslaesie Th12 vastgesteld.

2.3

Bij vonnis van 1 oktober 2013 heeft de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht geoordeeld dat het bewezen verklaarde feit medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie (‘WWM’) oplevert en dat aan de schuld van [gedaagde] is te wijten dat een ander, [eiser] , zwaar lichamelijk letsel bekomt. [gedaagde] is op grond hiervan door de Rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. In het verkort vonnis van 1 oktober 2013 heeft de Rechtbank – onder meer – het volgende overwogen:

“De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 14 juni 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II of III, en voor dat wapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad;

2. op 14 juni 2013 te Rotterdam zeer onvoorzichtig en onachtzaam – terwijl hij (op de achterbank gezeten) was van een personenauto (Opel Corsa) en terwijl zich in die personenauto drie andere personen bevonden – een hem onbekend vuurwapen heeft aangepakt, waarvan het merk en/of type en/of werking en/of mankementen en/of overige bijzonderheden hem niet bekend was/waren en/of waarvan hij niet wist of dat vuurwapen al dan niet geladen was, en

hij bovenbedoeld vuurwapen (met (grote) kracht) doende is geweest een pennetje/palletje te verzetten en/of een of meer (andere) handelingen heeft verricht waardoor door dat vuurwapen ongecontroleerd een kogel is afgevuurd, welke kogel de stoel waarop [eiser] gezeten was heeft doorboord en (vervolgens) het lichaam van die [eiser] heeft doorboord,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [eiser] zwaar lichamelijk letsel, te weten (…) heeft bekomen.

(..)

4.3

Nadere bewijsoverweging

(…) Een vriend van verdachte, [naam] , voelde zich bedreigd en wilde ter bescherming van zichzelf een vuurwapen aanschaffen. [naam] had daartoe een afspraak met [eiser] gemaakt. [naam] had geen verstand van wapens en vroeg verdachte met hem mee te gaan naar de afspraak. Volgens verdachte en [naam] had verdachte verstand van vuurwapens. Verdachte heeft samen met [naam] , [eiser] en een vierde man op een bepaald tijdstip en een bepaalde locatie in een auto plaatsgenomen. Vervolgens is een pistool aan verdachte gegeven. Verdachte heeft het vuurwapen vervolgens onderzocht. Zo heeft hij de slede van het wapen naar achteren gedaan en heeft hij gekeken of de loop van het vuurwapen was doorboord, en heeft hij het vuurwapen op ‘safety’ getracht te zetten. Om dat te doen wilde hij een pennetje omlaag duwen, hetgeen erg zwaar ging en waarvoor hij al zijn kracht nodig had.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het voorhanden hebben van een vuurwapen bewezen kan worden verklaard. (…)

Met betrekking tot het medeplegen is de rechtbank van oordeel dat ook de overige inzittenden van de auto, waaronder de leverancier van het wapen, [eiser] , zich in de directe nabijheid van het wapen bevonden en men zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen in de auto. Bij de aanwezigen in de auto was sprake van een intensieve samenwerking. Zo was er voorafgaand en tijdens het plegen van het delict sprake van een rolverdeling. Verdachte en de overige inzittenden van de auto hadden van tevoren duidelijke afspraken gemaakt, nu men op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip in een geparkeerde auto een vuurwapen bij zich had, dan wel naar een vuurwapen kwam kijken. Bovendien heeft geen van de overige inzittenden zich gedistantieerd door uit de auto te gaan op het moment dat het vuurwapen tevoorschijn werd gehaald. De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen. (…)

2.4

[gedaagde] is niet als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.

3 De vordering

3.1

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden door de jegens hem op 14 juni 2013 gepleegde onrechtmatige daad,

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 74.478,73, althans van een in goede justitie door de Rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van dagvaarding, bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan [eiser] , en voorts tot het betalen van verdere schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn tot aan de voldoening.

3.2

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] door het laten afgaan van het wapen jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat [gedaagde] verplicht is de schade die hij daardoor lijdt, te vergoeden. [eiser] heeft door het schietincident zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij is vanaf zijn buik gewond en zal nooit meer kunnen lopen. Daarnaast heeft [eiser] psychisch letsel opgelopen.

4 Het verweer

4.1

[gedaagde] voert als verweer dat zijn schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 lid 1 BW dient te worden verminderd tot 25% omdat de schade mede is toe te rekenen aan gedragingen van [eiser] . Voorts dient de schade op grond van artikel 6:109 BW te worden gematigd omdat de gedragingen van [gedaagde] mede zijn beïnvloed door psychische beperkingen en vanwege zijn beperkte draagkracht.

5 De beoordeling

5.1

[gedaagde] betwist niet dat hij jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, welke aan hem kan worden toegerekend. Evenmin betwist [gedaagde] dat [eiser] door zijn handelen ernstig letsel heeft opgelopen, waardoor schade is ontstaan voor [eiser] . [gedaagde] betwist ook niet dat op hem een schadevergoedingsplicht rust. Dit staat dus als zodanig tussen partijen vast. Partijen zijn het niet eens over de omvang van de schadevergoedingsplicht van [gedaagde] .

Eigen schuld (artikel 6:101 BW)

5.2

Beoordeeld dient te worden of de schadevergoedingsplicht van [gedaagde] moet worden verminderd vanwege “eigen schuld” aan de zijde [eiser] . Dat moet worden beoordeeld aan de hand van art. 6:101 BW, dat luidt als volgt:

Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

5.3

Dit wetsartikel vindt alleen toepassing wanneer sprake is van aan de benadeelde toe te rekenen “omstandigheden”. Dit omvat situaties waarin de benadeelde onvoorzichtig, onzorgvuldig, foutief of verkeerd heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van [eiser] in de gegeven omstandigheden verkeerd en zeer onzorgvuldig is. In de strafzaak tegen [gedaagde] is bewezen verklaard dat [eiser] is te beschouwen als leverancier van het vuurwapen. Op basis hiervan en op basis van de in het strafdossier opgenomen getuigenverklaringen kan als voldoende vaststaand worden aangenomen dat [eiser] is aan te merken als de leverancier van het vuurwapen, althans in ieder geval als tussenpersoon die heeft geregeld dat een derde persoon het vuurwapen heeft geleverd op het tijdstip dat hij tezamen met [gedaagde] en twee anderen in de auto hadden plaatsgenomen. Uit de bewezenverklaring van de rechtbank volgt ook dat er duidelijke afspraken waren gemaakt over de rolverdeling, nu men op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip in een geparkeerde auto een vuurwapen bij zich had, dan wel naar een vuurwapen kwam kijken. [eiser] was zich als geen ander bewust van de aanwezigheid van het wapen in de auto en heeft er welbewust voor gekozen om zich in de directe nabijheid van het vuurwapen en daarmee in een gevaarlijke situatie te bevinden. Of hij het vuurwapen al dan niet zelf aan [gedaagde] heeft gegeven kan in het midden blijven. Ook indien dat niet het geval zou zijn, is niet gesteld of gebleken dat [eiser] heeft verhinderd dat [gedaagde] het vuurwapen heeft gepakt en dat hij dat in de auto in aanwezigheid van de aanwezige personen heeft onderzocht. Hij heeft zich ook niet gedistantieerd door uit de auto te gaan op het moment dat het vuurwapen tevoorschijn werd gehaald dan wel op het moment dat [gedaagde] het ging onderzoeken. Hij is welbewust in de auto blijven zitten en heeft zich daardoor aan het risico op een ongeluk blootgesteld. [eiser] ontkent dat hij wist dat het vuurwapen geladen was, maar stelt ook niet dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het vuurwapen ongeladen was. Hij had er dus op zijn minst rekening mee moeten houden dat het vuurwapen geladen zou kunnen zijn. De rechtbank beoordeelt het hiervoor omgeschreven gedrag van [eiser] als verkeerd en zeer onvoorzichtig.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank hebben deze aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden bijgedragen aan het ontstaan van zijn schade. De schade zou immers niet zijn ontstaan als [eiser] niet had geregeld dat het wapen zou worden geleverd terwijl hij zich tezamen met anderen in de auto bevond, of als hij had verhinderd dat [gedaagde] het wapen zou pakken en onderzoeken of wanneer hij op dat moment de auto had verlaten.

5.5

Uitgangspunt van artikel 6:101 BW is dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Alleen de zogenoemde ‘billijkheidscorrectie’ kan daarin verandering brengen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de mate waarin [gedaagde] enerzijds en [eiser] anderzijds hebben bijgedragen aan de schade in beginsel worden vastgesteld op 50% aan de kant van [gedaagde] en 50% aan de kant van [eiser] .

5.6

In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank op grond van de billijkheidscorrectie evenwel een andere verdeling gerechtvaardigd. [gedaagde] is degene die het wapen heeft laten afgaan. [gedaagde] heeft verstand van wapens, was uitsluitend om die reden gevraagd het wapen te bekijken. [eiser] was hiermee ook bekend. [gedaagde] behoort te weten hoe gevaarlijk vuurwapens zijn. Het had daarom op zijn weg gelegen om de grootst mogelijke voorzichtigheid te betrachten bij het onderzoeken van het, aan hem onbekende, wapen, zeker gelet op het feit dat hij zich bevond in een auto in de aanwezigheid van anderen.

De rechtbank stelt daarom de volgende verdeling van de schade vast, te weten 60% voor [gedaagde] en 40% voor [eiser] .

Matiging op grond van 6:109 BW

5.7

[gedaagde] heeft voorts een beroep op matiging van de schadevergoeding gedaan op grond van artikel 6:109 BW. Dit artikel bepaalt dat indien toekenning van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter de wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen.

5.8

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de toe te kennen schadevergoeding dient te worden beperkt omdat hij kampt met verstandelijke/cognitieve beperkingen die een rol zouden hebben gespeeld bij het voorval. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een beslissing van het UWV overgelegd, waarin aan hem een Wajong-uitkering is toegekend. De rechtbank is van oordeel dat uit deze beslissing niets blijkt over de aard en de mate van beperkingen van [gedaagde] dan wel de vraag of en in hoeverre deze een rol hebben gespeeld bij het voorval. [gedaagde] heeft verder geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de door hem gestelde beperkingen van invloed zijn geweest op zijn gedragingen op 14 juni 2013. Aangezien [gedaagde] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

5.9

Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat [gedaagde] een beperkte draagkracht heeft, maar [gedaagde] heeft geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld die, indien juist, meebrengen dat toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen voor [gedaagde] zullen leiden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht op de voet van artikel 6:109 BW te matigen.

5.10

De slotsom van het voorgaande is dat [gedaagde] verplicht is tot vergoeding van 60% van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ls gevolg van het schietincident op 14 juni 2013.

Schade

5.11

In de dagvaarding heeft [eiser] zijn schade voorlopig geraamd op

€ 74.478,83 (inclusief € 68.000,- aan smartengeld) onder verwijzing naar de door hem opgestelde voorlopige schadestaat waarin verschillende posten staan aangegeven. [eiser] vordert betaling van een voorschot van € 74.478,83 vermeerderd met rente vanaf de datum van verzuim tot aan de datum van dagvaarding, en verzoekt om verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het opmaken van de verdere schade.

5.12

Gelet op de wijze waarop de vordering is geformuleerd duidt de rechtbank deze vordering niet als een provisionele vordering tot toekenning van een voorschot als bedoeld in artikel 223 Rv, maar als een vordering tot gedeeltelijke vaststelling van de schade, en dus als onderdeel van de hoofdvordering. Voor de vaststelling van verdere schade vordert [eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure.

5.13

Vooropgesteld wordt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, voor zover mogelijk, de schade in het vonnis dient te begroten. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, kan een veroordeling volgen tot schadevergoeding op te maken bij staat. Naar het oordeel van de rechtbank kan een deel van de schade in de onderhavige procedure worden begroot en zal voor het overige verwijzing volgen naar de schadestaatprocedure.

5.14

Met betrekking tot de gevorderde materiele schadevergoeding van € 6.478,73 wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende gesteld, en aan de hand van de door hem opgestelde voorlopige schadestaat, onderbouwd dat hij schade heeft geleden bestaande uit kosten voor medische zorg (waaronder onder meer kosten ambulancevervoer en daggelden voor ziekenhuis en revalidatiecentrum) en kleding – en telefoonkosten en dat deze schade het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde] berust. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de geraamde schade, noch tegen het gevorderde voorschot of de verzochte verwijzing naar de schadestaat. Gelet hierop zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 3.887,24 (zijnde 60% van € 6.478,83), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2013 tot aan 16 april 2018.

5.15

Gelet op de gevolgen die het ongeval voor [eiser] heeft gehad, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [eiser] naast de hiervoor genoemde posten nog andere schade heeft. Voor het vaststellen van de verdere schade van [eiser] verwijst de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure.

5.16

Met betrekking tot het gevorderde (voorschot op) de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] recht heeft op immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin [eiser] is getroffen, de aard en de ernst van het lichamelijk letsel, de aard van de aan [gedaagde] verweten gedraging, de aard van de aansprakelijkheid van [gedaagde] en de economische omstandigheden. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser] (40%).

5.17

De door [eiser] overgelegde medische verklaringen en rapportages dateren van kort na het incident. De rechtbank beschikt niet over gegevens van [eiser] over zijn huidige medische toestand. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of en in welke mate de beperkingen van blijvende aard zijn, of er nog herstel te verwachten valt en wat de uiteindelijk te verwachten gevolgen zijn voor [eiser] . Het is voor de rechtbank derhalve niet mogelijk om in de onderhavige procedure een vergoeding naar billijkheid vast te stellen. Hiervoor volgt verwijzing naar de schadestaatprocedure.

5.18

Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de vordering tot toekenning van een voorschot op de schadevergoeding niet is te duiden als een verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv bestaat voor toekenning van het gevorderde voorschot geen grond.

Wettelijke rente

5.19

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De vordering is op de wet gegrond en zal worden toegewezen zoals hierna bepaald.

Proceskosten

5.20

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,90 inclusief btw

- griffierecht € 79,00

- salaris advocaat € 922,00 (2 punten x € 461,00)

Totaal € 1.100,90

5.21

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en eventueel te lijden schade als gevolg van de door [gedaagde] jegens [eiser] op 14 juni 2013 gepleegde onrechtmatige daad;

6.2

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan [eiser] van 60% van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het schietincident op 14 juni 2013, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

6.3

veroordeelt [gedaagde] om bij wijze van voorschot een deel van de onder 6.2 bedoelde schadevergoeding aan [eiser] te betalen, zijnde een bedrag van € 3.887,24, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 juni 2013 tot 16 april 2018;

6.4

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.100,90, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.5

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.7

wijst het meer of anders gevorderde af;

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.