Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1339

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
7477028 \ VV EXPL 19-32
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontruiming in kort geding afgewezen, gezien het onomkeerbare effect van de voorlopige voorziening en gezien het feit dat de bodemprocedure in een eindfase verkeert. Wel toewijzing van de subsidiaire vordering tot verwijdering van de honden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7477028 \ VV EXPL 19-32

uitspraak: 18 februari 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

[eiseres] ,

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 30 januari 2019,

gemachtigde: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Spijkenisse en

2. [gedaagde 2],

wonende te Spijkenisse,

gedaagden,

gemachtigde: mr. G.T Poot, advocaat te Rotterdam, die zich echter bij brief van 6 februari 2019 als gemachtigde aan de zaak heeft onttrokken, waarna gedaagden zonder bijstand van een gemachtigde hebben doorgeprocedeerd.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de dagvaarding in kort geding van
30 januari 2019 met een groot aantal producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Namens [eiseres] is verschenen de heer [naam] , senior woonconsulent, bijgestaan door de gemachtigde
mr. R.W.F. Heijmeriks. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in persoon verschenen. Ter zitting hebben partijen het eigen standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [eiseres] heeft bij akte haar eis vermeerderd, in die zin dat aan de subsidiaire vordering een dwangsom gekoppeld wordt. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden, die aan het procesdossier werden toegevoegd.

1.3.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

2.1.

Sedert 28 december 2015 huurt [gedaagde 1] de woning gelegen aan het adres [adres] te Spijkenisse (hierna: het gehuurde). Op 15 februari 2016 heeft [gedaagde 2] zich op het adres van het gehuurde ingeschreven. [eiseres] heeft akkoord gegeven voor die inwoning.

2.2.

Vanaf november 2016 ontvangt [eiseres] frequent geluidsoverlastmeldingen van meerdere direct omwonenden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over het geblaf van hun honden in het gehuurde. In dit verband heeft [eiseres] [gedaagde 1] diverse malen aangeschreven en verzocht maatregelen te nemen om de overlast te stoppen. Ook heeft een mediationgesprek plaatsgevonden.

2.3.

Per 1 augustus 2017 huurt [gedaagde 1] het gehuurde van [eiseres] krachtens een huurovereenkomst Lokaal Maatwerk. In deze overeenkomst is de volgende zinsnede opgenomen:

(..) Huurder verklaart zich voorts te zullen onthouden van alle gedragingen die op enigerlei wijze overlast of hinder aan omwonenden (kan) veroorzaken en erkent ook haar verantwoordelijkheid in deze ten aanzien van haar partner/medebewoners en bezoekers. Huurder neemt maatregelen ten aanzien van de overlast die wordt veroorzaakt door de honden. (..)

2.4.

Op 24 mei 2018 heeft [eiseres] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter, waarbij een verbod gevorderd is tot het houden van honden in het gehuurde. Die procedure is in eerste instantie aangehouden tot 28 september 2018, omdat [gedaagde 1] toegezegd had dat zij vanaf juli 2018 zelf thuis zou zijn, zodat het geblaf van de honden tot het verleden zou behoren. [eiseres] heeft de kantonrechter eind september 2018 verzocht de procedure nogmaals voor een periode van zes maanden aan te houden. [gedaagde 1] heeft tegen die aanhouding bezwaar gemaakt en uiteindelijk heeft de kantonrechter de gevraagde voorziening afgewezen in verband met het ontbreken van een spoedeisend belang.

2.5.

Op 17 augustus 2018 heeft [eiseres] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedagvaard voor de kantonrechter te Rotterdam, waarin zij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde heeft gevorderd in verband met de veroorzaakte overlast door het hondengeblaf. Nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van antwoord hadden geconcludeerd, heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie van partijen is aangehouden tot 5 maart 2019.

2.6.

[eiseres] heeft vervolgens bij de kantonrechter te Rotterdam een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dat verzoek is gehonoreerd bij beschikking van 7 september 2018 en op 20 november 2018 heeft de kantonrechter vijf getuigen aan de zijde van [eiseres] gehoord, waaronder [gedaagde 1] . De kantonrechter heeft vervolgens de contra-enquête aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bepaald op 12 februari 2019, doch op die zitting zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet verschenen.

3 Het geschil

3.1.

Na eiswijziging heeft [eiseres] gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om het gehuurde binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hunne en de hunnen en subsidiair [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden om, na drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, in het gehuurde honden te houden, althans [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om de drie in het gehuurde aanwezige honden uit het gehuurde te verwijderen en verwijderd te houden, met de machtiging om die verwijdering zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie en onder verbeurte van een dwangsom van € 150,- voor iedere dag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nalatig blijven om aan de inhoud van het vonnis te voldoen, althans een zodanige voorlopige voorziening als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag.

Reeds gedurende lange tijd veroorzaken de honden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ernstige overlast voor de direct omwonenden. Hoewel er reeds een bodemprocedure aanhangig is, blijft de overlast door het geblaf stelselmatig voortduren en houden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nu zelfs niet alleen twee Rottweilers in het gehuurde, maar ook nog een puppy van hetzelfde ras. [eiseres] wordt geconfronteerd met een constante stroom van overlastmeldingen en de direct omwonenden hebben aan [eiseres] te kennen gegeven dat de overlast alleen maar ernstiger wordt en aan intensiteit toeneemt. Nu niet de verwachting is dat in de bodemprocedure binnen voor de direct omwonenden acceptabele tijd een eindvonnis zal worden gewezen, heeft [eiseres] recht en belang opnieuw een voorlopige voorziening te vorderen teneinde te voldoen aan haar verplichting tot het verschaffen van het rustig huurgenot aan de medebewoners van de flat, welk genot door hen willens en wetens wordt belemmerd door het aanhoudend geblaf van de drie honden. De situatie is inmiddels onhoudbaar geworden.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Zij worden niet op de hoogte gesteld van de klachten die [eiseres] steeds ontvangt en zij hebben van alles gedaan om de problemen op te lossen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben al ruim een jaar geleden antiblafbanden en camera’s aangeschaft. Ook hebben zij de honden van elkaar gescheiden en met de buurvrouw afgesproken dat zij naar de honden gaat kijken als het blaffen van de honden blijft aanhouden. In de flat waarvan het gehuurde deel uitmaakt wonen meer mensen met honden die ook blaffen, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden ook verantwoordelijk gehouden voor die geluiden. [gedaagde 2] staat al vier lang onder bewind en OBIN is de bewindvoerder. Voor het geval geoordeeld zou worden dat [eiseres] [gedaagde 2] ten onrechte in rechte betrokken heeft, heeft [gedaagde 2] gesteld dat hij de nodige kosten heeft moeten maken om bij de mondelinge behandeling aanwezig te kunnen zijn.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Uit de stelling van [eiseres] dat het woongenot van omwonenden dusdanig ernstig wordt aangetast dat er sprake is van een onhoudbare situatie, vloeit voort dat zij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening. In zoverre is [eiseres] ontvankelijk in haar vordering.

4.2.

Allereerst overweegt de kantonrechter dat [gedaagde 2] in de relatie tot [eiseres] enkel de positie heeft van bewoner van het gehuurde. Hij is geen partij bij de huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [eiseres] en [eiseres] heeft hem ook nooit als medehuurder erkend. Voor zowel de vordering tot ontruiming van het gehuurde als de vordering tot het verwijderen van de honden uit het gehuurde bestaat voor wat betreft [gedaagde 2] daarom geen wettelijke grondslag. Zo al gezegd zou kunnen worden dat [gedaagde 2] wel partij is in het onderhavige geding, had [eiseres] niet hem, maar de bewindvoerder moeten dagvaarden. Op grond van die overwegingen dienen de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 2] afgewezen te worden.

4.3.

[gedaagde 2] heeft aanspraak gemaakt op een proceskostenveroordeling. Nu hij de procesvoering uiteindelijk in eigen hand heeft gehouden en bovendien aannemelijk is dat hij [gedaagde 1] naar de zitting vergezeld zou hebben, ook in het geval hij niet door [eiseres] gedagvaard zou zijn, bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat [eiseres] en [gedaagde 2] ieder de eigen kosten dragen.

4.4.

De kantonrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de vordering tot ontruiming van het gehuurde door [gedaagde 1] . Vooropgesteld wordt dat een dergelijke vordering, waarbij de voorzieningenrechter wordt gevraagd vooruit te lopen op een mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst, slechts kan worden toegewezen indien boven redelijke twijfel verheven is dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden in een bodemprocedure. Bij het toewijzen van een zeer ingrijpende maatregel als ontruiming bij wege van voorlopige voorziening dient dus de nodige terughoudendheid betracht te worden. Toewijzing levert in veel gevallen een onomkeerbare situatie op en heeft daarom mede tot gevolg dat een bodemprocedure in feite nodeloos wordt.

4.5.

Overwogen wordt dat tussen partijen reeds een bodemprocedure aanhangig is. Deze procedure bevindt zich inmiddels in een zodanig vergevorderd stadium dat daarin binnen afzienbare tijd een eindbeslissing te verwachten valt. Weliswaar wordt de door [eiseres] gestelde geluidsoverlast veroorzaakt door de honden door [gedaagde 1] gemotiveerd betwist, doch niet te verwachten valt dat in de bodemprocedure nog nadere bewijslevering nodig is, gezien het aanhangige voorlopig getuigenverhoor, dat ook in een afrondende fase is, mede gezien het feit dat [gedaagde 1] tijdens de contra-enquête op 12 februari 2019 niet is verschenen en zij toen ook geen getuigen heeft voorgebracht. Juist gezien de onomkeerbaarheid van een eventuele toewijzing van de gevorderde ontruiming, bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval onvoldoende aanleiding om ten aanzien van die vordering vooruit te lopen op de beslissing in de bodemprocedure, zodat de primaire vordering wordt afgewezen.

4.6.

De kantonrechter is evenwel van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat om een ordemaatregel te treffen. Ondanks het feit dat [gedaagde 1] stelt dat zij verschillende maatregelen heeft getroffen om het geblaf van de honden zoveel als mogelijk te beperken is op basis van het grote aantal verklaringen van direct omwonenden, waarvan een deel ten overstaan van de kantonrechter onder ede is afgelegd in het kader van het voorlopig getuigenverhoor, voorshands voldoende komen vast te staan dat de honden met hun geblaf in het gehuurde ernstige overlast veroorzaken voor de direct omwonenden. Daarbij is ook van belang dat [gedaagde 1] het aantal honden in het gehuurde nog heeft uitgebreid, hoewel zij wist dat de buren al ernstige overlast ondervonden van de twee Rottweilers en zij bovendien al door [eiseres] gedagvaard was in de bodemprocedure. Desondanks heeft [gedaagde 1] een puppy van hetzelfde ras erbij genomen c.q. gehouden. Onder die omstandigheden acht de kantonrechter het noodzakelijk dat [gedaagde 1] de honden uit het gehuurde verwijdert en verwijderd houdt totdat in de bodemprocedure is beslist. De subsidiaire vordering wordt in de hierna te noemen vorm toegewezen. De in verband daarmee gevorderde dwangsom zal ook worden toegewezen en wordt gemaximeerd tot een bedrag van € 1.500,00. Voor het geval het maximum bedrag aan dwangsommen verbeurd is en [gedaagde 1] desondanks in gebreke blijft met voldoening aan de onderhavige vordering, zal de kantonrechter [eiseres] machtigen de verwijdering van de honden uit het gehuurde te realiseren met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

4.7.

[gedaagde 1] zal, als de in het ongelijk gestelde partij jegens [eiseres] , worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 2] af;

compenseert de kosten van het geding, in die zin dat [gedaagde 2] en [eiseres] ieder de eigen kosten dragen

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de drie in het gehuurde aanwezige honden uit het gehuurde te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.500,00;

voor het geval [gedaagde 1] het maximum bedrag aan dwangsommen verbeurd heeft en desondanks in gebreke blijft aan de hiervoor bedoelde veroordeling te voldoen:

machtigt [eiseres] met hulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde 1] de verwijdering van de honden uit het gehuurde te realiseren;

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 223,39 aan verschotten (waarvan € 102,39 aan dagvaardingskosten en

€ 121,00 aan griffierecht) en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

32109/710