Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1277

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
ROT 16/7570
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt de door haar benoemde deskundige slechts ten dele

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/7570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. M.H.J.M. Harbers,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M. Molenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 8 april 2016 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 26 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 8 juni 2017 de gronden van beroep aangevuld. Daarbij heeft eiser een psychiatrische expertise van I.S. Hernandez-Dwarkasing, psychiater, van 14 mei 2017, een rapportage van A.B. Gille, verzekeringsarts, van 9 mei 2017 en een rapportage van R.B. van Vliet, register arbeidsdeskundige, van 1 juni 2017 overgelegd.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 19 juni 2017 een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van dezelfde datum overgelegd.

Eiser heeft hierna bij brief van 27 juni 2017 nog een rapportage van A.B. Gille van 27 juni 2017 verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brieven van 22 september 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het onderzoek wordt heropend, omdat zij aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige. De opdracht aan de deskundige is aan partijen meegezonden.

Eiser heeft bij brief van 29 september 2017 op de deskundigenopdracht gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 12 oktober 2017 meegedeeld met de deskundigenopdracht in te stemmen.

Bij brief van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank mevr. dr. S.J. Roza, psychiater, als deskundige benoemd. Bij brief van 6 april 2018 heeft de rechtbank, in plaats van S.J. Roza, dhr. prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, als deskundige benoemd.

De rechtbank heeft op 6 september 2018 een rapportage van Van Marle van 4 september 2018 ontvangen.

Verweerder heeft bij brief van 16 oktober 2018 op de rapportage van Van Marle gereageerd en een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 oktober 2018 overgelegd. Bij brief van 23 oktober 2018 heeft verweerder voorts een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 oktober 2018 overgelegd.

Eiser heeft bij brief van 20 november 2018 op de rapportage van Van Marle en de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd. Eiser heeft daarbij een rapportage van dr. D. Erdogan, verzekeringsarts, van 15 november 2018, een rapportage van R.B. van Vliet van 11 november 2018 en een reactie van I.S. Hernandez-Dwarkasing van 13 november 2018 overgelegd.

Verweerder heeft bij brief van 11 december 2018 op eisers brief van 20 november 2018 en de daarbij overgelegde stukken gereageerd en een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 december 2018 overgelegd.

Eiser heeft bij brief van 7 januari 2019 op het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 november 2018 gereageerd en een reactie van dr. D. Erdogan overgelegd. Verweerder heeft hierop bij brief van 11 januari 2019 een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 januari 2019 overgelegd. Hierop heeft eiser wederom een reactie van dr. D. Erdogan van 23 januari 2019 overgelegd.

Op 29 januari 2019 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Geen van de partijen is op deze zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is tot 15 april 2014 werkzaam geweest als medewerker bij [bedrijf] Eiser is hierna in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiser heeft zich met ingang van 9 maart 2015 ziek gemeld voor de maatgevende arbeid. Eiser is hierna in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.

2.1.

Op 8 januari 2018 heeft een onderzoek in het kader van de Eerstejaars ZW-beoordeling plaatsgevonden. In de rapportage van 11 januari 2016 overweegt de arts dat eiser zich vanuit de WW heeft ziek gemeld wegens sociale problematiek en daarmee samenhangende alcoholproblematiek. Daarnaast was er sprake van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) wegens traumatische gebeurtenissen in het verleden, waarbij hij depressief was geworden en waarbij sprake was van een gegeneraliseerde stressstoornis. Eiser wordt hiervoor behandeld en inmiddels ervaart hij duidelijk vooruitgang, doordat hij inzicht in zijn functioneren ervaart. Wel is nog sprake van klachten, aldus de arts. Dat blijkt volgens de arts ook wel uit informatie van de behandelend sector. De arts overweegt dat eiser ondanks zijn psychische klachten echter wel in staat is om een redelijk gevuld dagverhaal te hebben. Eiser staat om 08:30 uur op, fietst elke dag 30 km. past soms op zijn neefjes, kookt elke dag en gaat op tijd naar bed. Verder is sprake van normale sociale contacten. Eiser heeft ook een eigen woning, waardoor het waarschijnlijk is dat hij minder spanningen zal ervaren. De arts typeert de beperkingen als gevolg van de klachten daarom niet als heel zwaar. De arts concludeert zodoende dat eiser niet geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid, maar wel dat sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en dat eiser is aangewezen op werkzaamheden die voldoen aan wat is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 januari 2016. Daarin zijn onder meer beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden.

2.2.

De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 2 maart 2016 met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen eveneens geconcludeerd dat eiser niet meer in staat is het eigen werk als medewerker sauna te verrichten. Wel heeft hij met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser een aantal gangbare functies geduid, te weten bode-bezorger (kantoor) (SBC-code 315140), inpakker (SBC-code 111190) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050). Daarnaast zijn de aanvullende functies administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) en machinaal metaalbewerker (excl. Bankwerk) (SBC-code 264122) geduid. Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is eiser, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 73,12%.

2.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met ingang van 8 april 2016 beëindigd, op de grond dat eiser met ingang van 7 maart 2016 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

3.1.

In het kader van de heroverweging stelt verzekeringsarts bezwaar en beroep Mathoera in zijn rapportage van 5 oktober 2016 dat het onderzoek van de primaire arts zorgvuldig is geweest en dat hem niet is gebleken dat de primaire arts een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de beoordeling van de primaire arts helder is, logisch voortvloeit uit de bevindingen van het onderzoek en op juiste wijze is vertaald naar de FML en dat er geen aanleiding is om aanvullende beperkingen te stellen. Het standpunt van eiser dat er verdergaande beperkingen aan de orde zijn in het vasthouden van de aandacht of in het reactievermogen wegens medicatie, volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op het dagverhaal en de overige bevindingen, niet. Evenmin bestaat er aanleiding om beperkingen voor de rug aan te nemen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor het aannemen van de beperking dat eiser niet is aangewezen op werk in een horecagelegenheid, ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen aanleiding, omdat eiser adequaat wordt behandeld en de alcoholafhankelijkheid gedeeltelijk in remissie is. Ook het standpunt dat er aanleiding bestaat voor een verdergaande urenbeperking wordt niet gevolgd. Hiervoor acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep van belang dat er geen sprake is van een stoornis die leidt tot een energetische beperkingen. Daarnaast valt uit de dagbesteding niet op te maken dat er gezondheidsschade te verwachten is als eiser acht uur zou functioneren in passende arbeid. Tot slot volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser niet in zijn standpunt dat er aanleiding bestaat voor een beperking van het gehoor. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er weliswaar sprake van gering gehoorverlies, maar hiermee wordt in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem rekening gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet zodoende geen aanleiding om van het medisch oordeel van de primaire arts af te wijken.

3.2.

Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Claessens heeft vervolgens in haar rapportage van 19 oktober 2016, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen aanleiding gezien de functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), functienummer 3698.9997.014, te laten vervallen. Omdat binnen dezelfde SBC-code een andere functie kon worden geduid, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de betreffende functie alsnog gehandhaafd. De functie administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wel definitief laten vervallen. De overige functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gehandhaafd. Op basis van de mediaanfunctie, die ongewijzigd is, is eiser volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 73,12%.

3.3.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

4.1.

Eiser voert in beroep aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte niet meer beperkingen heeft aangenomen. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een rapportage van I.S. Hernandez-Dwarkasing van 14 mei 2017 en een rapportage van A.B. Gille van 9 mei 2017 overgelegd. Eiser meent daarnaast dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een rapportage van R.B. van Vliet van 1 juni 2017 overgelegd.

4.2.

Hernandez-Dwarkasing concludeert in de genoemde rapportage van 14 mei 2017 – kort samengevat – dat eiser als kind affectief verwaarloosd is en seksueel is misbruikt en een zeer langdurige psychiatrische voorgeschiedenis kent, die bestaat uit verslavingsproblematiek, recidiverende stemmingsproblematiek, posttraumatische stressklachten en (borderline-) persoonlijkheidsproblematiek. Dit kan volgens de psychiater geclassificeerd worden als een depressieve stoornis recidiverend, gedeeltelijk in remissie, chronische PTSS, een stoornis in alcoholgebruik en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Hiervan was volgens de psychiater ook sprake ten tijde van de datum in geding. Er moet daarom worden aangenomen dat eiser rond de datum in geding sterk beperkt was in het sociaal en persoonlijk functioneren. Volgens de psychiater was eiser ten tijde in geding matig beperkt voor concentreren en matig tot ernstig beperkt voor doelmatig en zelfstandig handelen. Eiser was daarnaast ernstig beperkt voor het uiten van de eigen gevoelens en matig beperkt voor het hanteren van emotionele problemen van anderen en conflicten. Vanuit psychiatrisch perspectief acht de psychiater het verder niet aannemelijk dat eiser ten tijde in geding in staat was gemiddeld 30 uur per week te werken.

4.3.

A.B. Gille heeft in de betreffende rapportage van 9 mei 2017 de bevindingen en conclusie van Hernandez-Dwarkasing ten aanzien van de aanvullende beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren onderschreven. Ten aanzien van de urenbeperking overweegt de verzekeringsarts dat uit informatie van de behandelaar van 22 januari 2016 volgt dat de behandeling die eiser ondergaat een intensief karakter heeft. De verzekeringsarts acht het, gelet op de psychiatrische stoornissen van eiser, de intensiteit van de behandeling en de verminderde beschikbaarheid voor werk daardoor, aangewezen om een urenbeperking van 20 uur per week te stellen.

4.4.

R.B. van Vliet concludeert in de rapportage van 1 juni 2017, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser zoals vastgesteld door A.B. Gille, dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies niet langer passend zijn.

5. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 19 juni 2017 een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van dezelfde datum overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt in de rapportage van 19 juni 2017 dat een stoornis in de energiehuishouding wegens vier chronische stoornissen niet maakt dat een verdergaande urenbeperking is aangewezen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het dagverhaal het instrument om de duurbelastbaarheid te onderzoeken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het dagverhaal, zoals dat bij het onderzoek van de primaire arts is genoteerd, representatief en niet het dagverhaal dat Hernandez-Dwarkasing in maart 2017, een jaar na de datum in geding, heeft afgenomen. Eiser heeft dit standpunt middels een reactie van A.B. Gille van 27 juni 2017 betwist.

6. Bij de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

7. Niet in geschil is dat eiser niet meer in staat is het eigen werk als medewerker sauna te verrichten. De rechtbank moet beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is vanaf 7 maart 2016 met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Omdat twijfel bestond over de juistheid van de medische beoordeling, heeft de rechtbank dhr. prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, als deskundige ingeschakeld.

7.1.

De deskundige heeft op 4 september 2018 gerapporteerd dat bij eiser ten tijde in geding sprake was van alcoholverslavingsproblematiek, recidiverende depressies en een borderlinepersoonlijkheidsstoornis. Voor het stellen van een posttraumatische stressstoornis bestaat onvoldoende aanleiding, omdat eiser niet voldoet aan de criteria van de DSM-5. Wel is volgens de deskundige sprake van trauma gerelateerde klachten in de vorm van piekeren als onderdeel van de dysthyme, gerelateerd aan eerdere fysieke mishandelingen en het overlijden van ouders. De deskundige onderschrijft verder de door Hernandez-Dwarkasing gestelde aanvullende beperkingen. Volgens de deskundige was ten tijde in geding sprake van een matige beperking op het gebied van concentratie. Daarnaast acht hij eiser ten tijde in geding licht beperkt op het gebied van zelfzorg en algemene dagelijkse activiteiten. Ten tijde in geding was verder sprake van een matige beperking op het gebied van rolverplichting en sociale activiteiten. Dit komt volgens de deskundige overeen met de beperking op het gebied van zelfstandig handelen, zoals door Hernandez-Dwarkasing is genoemd. De deskundige onderschrijft verder het standpunt van Hernandez-Dwarkasing dat eiser ten tijde in geding matig tot ernstig beperkt is op het gebied van interpersoonlijke relaties. Voor wat betreft de urenbeperking stelt de deskundige dat eiser ten tijde in geding tweemaal per week individuele schematherapie onderging en dat mag worden aangenomen dat deze vorm van therapie een zeer intensief karakter heeft. Dat betekent dat eiser buiten de tijd van de therapie tijd nodig heeft om te herstellen. De deskundige vindt het zodoende aannemelijk dat eiser op de dagen van therapie niet in staat was arbeid te verrichten, wat betekent dat vanuit psychiatrisch perspectief een duurbeperking tot 24 uur per week gesteld dient te worden. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser ten tijde in geding beperkingen op energetische gronden ondervond, omdat er geen andere lichamelijke klachten waren, aldus de deskundige.

7.2.

In reactie op het deskundigenrapport heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Janssens op 8 oktober 2018 gerapporteerd dat de door de deskundige gestelde aanvullende beperkingen door haar slechts ten dele worden onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet, gelet op de geschiedenis van regelmatige terugval in het alcoholgebruik, aanleiding voor een beperking ten aanzien van werken in een omgeving, waarbij eiser makkelijk toegang heeft tot alcohol. Daarnaast acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser als gevolg van de borderlinepersoonlijkheidsstoornis beperkt voor het hanteren van emoties van derden, het uiten van eigen gevoelens en het omgaan met conflicten (interpersoonlijke relaties). Verder acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep een urenbeperking van 24 uur aangewezen, omdat het plausibel is dat eiser op de dagen van behandeling niet beschikbaar was voor arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de deskundige echter niet in zijn standpunt dat ten tijde in geding sprake was van een matige beperking op het gebied van concentratie als gevolg van een persisterende depressieve stoornis en alcoholverslavingsproblematiek. Een milde beperking op het gebied van concentratie wordt wel gevolgd vanwege de dysthyme stoornis. Dit wordt echter al ondervangen in de FML met beperkingen ten aanzien van voorspelbare werksituaties, werksituaties zonder veelvuldige afleidingen en afleiding door activiteiten van anderen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt verder op dat de deskundige zijn conclusie voor een verdergaande beperking onderbouwt door te stellen dat de klachten ten tijde in geding erger waren dan op de dag van diens onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er op dat uit het onderzoek van deskundige volgt dat het argument, dat de situatie ten tijde in geding erger was, slechts is gebaseerd op (hetero)anamnese ten tijde van de expertise, terwijl dat argument niet door de medische stukken in het dossier wordt onderbouwd en in tegenspraak is met hetgeen eiser bij de primaire arts over zijn persoonlijk en sociaal functioneren en zijn dagbesteding heeft verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt op dat de deskundige deze tegenstrijdigheid niet heeft onderkend en dat in zoverre sprake is van een omissie in de expertise. Om die reden volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep de deskundige ook niet in zijn standpunt dat ten tijde in geding sprake was van een lichte beperking op het gebied van zelfzorg en algemene dagelijkse activiteiten. Voor een matige beperking op het gebied van doelmatig en zelfstandig handelen bestaat evenmin aanleiding. Daarbij merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog op dat voor laatstgenoemde beperking volgens het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) slechts aanleiding bestaat wanneer sprake is van een ernstige stoornis, zoals een psychose of een ernstige vorm van een verstandelijke beperking, en dat daarvan ten tijde in geding geen sprake was. Het voorgaande heeft vervolgens geleid tot de FML van 12 oktober 2018, geldig per 8 april 2016.

7.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door de deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank ten dele voor.

7.4.

De rechtbank stelt allereerst voorop dat verzekeringsarts bezwaar en beroep Janssens de conclusie van de deskundige ten aanzien van de te hanteren urenbeperking heeft onderschreven. De rechtbank ziet in dit verband ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een urenbeperking van 24 uur geen recht doet aan de medische situatie van eiser ten tijde in geding. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede aan de hand van de standaard “Duurbelastbaarheid in arbeid”, op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom een verdergaande urenbeperking niet is aangewezen. Daarbij is door beiden nadrukkelijk aangegeven dat ten tijde in geding geen sprake was van een stoornis die leidt tot energetische beperkingen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in de aanvullende rapportage van 7 december 2018 nog op gewezen dat onder andere ook uit het dagverhaal ten tijde in geding volgt dat eiser op de dagen dat hij niet werd behandeld per dag 8 uur belastbaar was. De door eiser in dit verband overgelegde reacties van dr. D. Erdogan van 15 november 2018, 2 januari 2019 en 23 januari 2019 geven de rechtbank in zoverre geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij is de rechtbank, anders dan dr. D. Erdogan stelt, niet gebleken dat verzekeringsarts bezwaar en beroep Janssen bij het toepassen van de genoemde standaard alleen gewicht heeft toegekend aan het dagverhaal als onderzoeksinstrument. Evenmin is de rechtbank gebleken dat het dagverhaal door de primaire arts onjuist zou zijn afgenomen. Daarbij verwijst de rechtbank nog naar de gemotiveerde toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 januari 2019. De door eiser overgelegde reactie van I.S. Hernandez-Dwarkasing van 13 november 2018 geeft de rechtbank tot slot evenmin aanleiding voor een ander oordeel, nu de onderbouwing voor de door haar gestelde urenbeperking afwijkt van de bevindingen van de deskundige.

7.5.

De rechtbank heeft zich evenwel voor de vraag gesteld gezien of zij de deskundige dient te volgen, voor zover deze stelt dat bij eiser ten tijde in geding sprake was van een matige beperking op het gebied van concentratie en een lichte beperking op het gebied van zelfzorg en algemene dagelijkse activiteiten. Naar het oordeel van de rechtbank wijst verzekeringsarts bezwaar en beroep Janssens er terecht op dat die gestelde beperkingen in overwegende mate zijn gestoeld op de ten tijde van de expertise verkregen (hetero)anamnese en dat er geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met de verklaringen van eiser ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en zijn dagbesteding, zoals die door de primaire arts zijn vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verschil van inzicht in essentie terug te voeren op het feitelijke gegeven van het ‘dagverhaal’ als genoteerd door de primaire verzekeringsarts. Gezien de vaste rechtspraak volgens welke in beginsel het dagverhaal moet worden gevolgd en voorts gelet op het feit dat niet is gebleken dat de primaire verzekeringsarts dit onjuist heeft afgenomen en het feit dat de benoemde deskundige hieraan zonder meer voorbij is gegaan, ziet de rechtbank in zoverre aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep te volgen. Daarbij neemt de rechtbank verder in aanmerking dat deze in haar reactie van 8 oktober 2018 nog op inzichtelijke wijze toelicht dat een milde beperking op het gebied van concentratie wel is aangewezen, maar in de FML reeds op andere wijze is ondervangen, en dat een matige beperking op het gebied van doelmatig en zelfstandig handelen vanuit het CBBS niet is aangewezen. In zoverre geeft het standpunt van I.S. Hernandez-Dwarkasing van 14 mei 2017 evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft overigens ook geen gronden meer aangevoerd op dit punt.

7.6.

De rechtbank gaat daarom uit van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid van eiser, zoals is vastgesteld in de FML van 12 oktober 2018, die geldig is per 8 april 2016. Voor zover eiser de rechtbank nog heeft verzocht een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige te benoemen, gaat de rechtbank aan dat verzoek voorbij.

7.7.

Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Garnier heeft in de rapportage van 22 oktober 2018, op basis van de belastbaarheid in de FML van 12 oktober 2018, aanleiding gezien de functies binnen SBC-codes 315140, 111190 en 267050 te verwerpen. Omdat binnen dezelfde SBC-codes andere functies konden worden geduid, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de betreffende functies alsnog gehandhaafd. Op basis van de mediaanfunctie (thans de functie machinaal metaalbewerker (excl. Bankwerk) (SBC-code 264122) is eiser volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog steeds in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 68,92%.

7.8.

Eiser heeft als reactie op de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een rapportage van R.B. van Vliet, registerarbeidsdeskundige, van 11 november 2018 overgelegd. In de betreffende rapportage concludeert R.B. van Vliet dat de functie medewerker postbezorging (SBC-code 315140) niet geschikt is, omdat eiser werkzaam zal zijn in een kantoortuin en dat dat de belastbaarheid op item 1.9.4. van de FML (eiser mag niet worden afgeleid door anderen) overschrijdt. Datzelfde geldt voor de functie inpakker handmatig (SBC-code 111190) en de functie samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050). Bij die laatste functie merkt R.B. van Vliet verder nog op dat sprake is van overschrijding van item 6.4.1. (eiser mag niet op onregelmatige tijden werkzaam zijn).

7.9.

De rechtbank ziet in de rapportage van R.B. van Vliet echter geen aanleiding voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiser overschrijdt. De rechtbank leidt in dit verband uit het Resultaat functiebeoordeling van 22 oktober 2018 af dat de functie medewerker postbezorging (SBC-code 315140), ondanks een signalering op item 1.9.4., voor eiser geschikt is. Daarbij is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met verzekeringsarts bezwaar en beroep Janssens, op inzichtelijke wijze toegelicht dat de beperking voornamelijk geldt voor het langdurig werken in een zeer prikkelrijke omgeving, dat daarvan in de betreffende functie geen sprake is, dat er wordt gewerkt in een rustige kantoortuin en dat lawaaibelasting kan worden gereduceerd door middel van gehoorbescherming. In de enkele melding van R.B. van Vliet dat eiser werkzaam zal zijn in een kantoortuin, ziet de rechtbank zodoende geen aanleiding voor het oordeel dat die functie eiser ten onrechte wordt voorgehouden. Datzelfde geldt voor de functie inpakker handmatig (SBC-code 111190). Ten aanzien van de functie samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) wordt verder inzichtelijk toegelicht dat er in de betreffende functie geen sprake is van lawaaioverlast of auditieve en visuele prikkels. Verder is in de laatstgenoemde functie sprake van vaste werktijden.

7.10.

Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat eiser verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eiser met ingang van 8 april 2016 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

8. Omdat eerst in beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit, is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat aannemelijk is dat belanghebbende door de aanvulling van de motivering niet is benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

9. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Rijk, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 februari 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.