Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1271

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
83/003451-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitkeringsfraude ten bedrage van ruim 100.000 euro door niet melden van werkzaamheden. Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/003451-17

Datum uitspraak: 1 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] ,

wonende op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (België),

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. V. Broeders heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte slechts invalwerkzaamheden heeft verricht. De verdachte dacht dat hij deze werkzaamheden niet hoefde te melden.

Voor een uitkering op basis van de Toeslagenwet zijn inkomensgegevens van de vrouw van de verdachte nodig. Zij heeft deze niet willen verschaffen. Het kan de verdachte daarom niet worden tegengeworpen dat hij deze gegevens niet aan de desbetreffende instantie heeft verschaft. De verdachte heeft dan ook geen opzet gehad op het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken. De verdachte dient van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

4.1.2.

Beoordeling

De verdachte ontvangt vanaf 28 april 2004 een WAO-uitkering en vanaf 29 maart 2006 een uitkering op basis van de Toeslagenwet.

De echtgenote van de verdachte heeft vanaf 1 januari 2010 de onderneming genaamd [naam bedrijf] op haar naam, waaruit zij blijkens gegevens van de belastingdienst inkomen ontvangt. Vaststaat dat de verdachte dit niet heeft gemeld.

Verder staat vast dat de verdachte namens het bedrijf [naam bedrijf] is opgetreden door het voeren van sollicitatiegesprekken, het ondertekenen van overeenkomsten als directeur en het zetten van een handtekening op beveiligingspassen voor de werknemers van het bedrijf. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2] vast dat de verdachte zelf ook beveiligingswerkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf.

De verdachte heeft verklaard dat hij slechts af en toe heeft waargenomen voor zijn echtgenote op momenten dat zij te ziek was om zelf te werken. Deze verklaring vindt de rechtbank gelet op de verschillende stukken in het dossier waarop de verdachte zich profileert als ‘directeur’ van [naam bedrijf] en de verklaringen van de getuigen niet geloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier kan worden bewezen dat de verdachte arbeid heeft verricht die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar is.

Deze werkzaamheden had de verdachte door moeten geven aan het UWV, omdat deze van invloed zouden kunnen zijn op de mate van arbeidsongeschiktheid en op de hoogte of duur van zijn uitkeringen. Ditzelfde geldt voor de informatie over het inkomen van zijn echtgenote. Deze verplichtingen volgen uit artikel 80 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 12 van de Toeslagenwet en gelden voor de verdachte als begunstigde van de uitkeringen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte deze informatie opzettelijk heeft nagelaten te verstrekken. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij alle voor zijn uitkeringen relevante informatie door moest geven aan het UWV. De verdachte heeft ook meerdere formulieren ingevuld en ingediend, zoals de aanvraagformulieren van de uitkeringen en diverse wijzigingsformulieren. Op elk van deze formulieren wordt de vraag gesteld of er sprake is van eigen inkomsten of inkomsten van de partner dan wel of er een wijziging heeft plaatsgevonden in het verrichten van werkzaamheden, zodat de verdachte wist dat deze gegevens relevant waren. Deze vragen werden door de verdachte steevast met ‘nee’ beantwoord dan wel niet ingevuld. De verdachte heeft daarmee laten zien de uitkeringsinstantie te kunnen vinden voor het (kunnen blijven) ontvangen van een uitkering, maar heeft informatie die kan leiden tot mogelijke mindering van de uitkering bewust achterwege gelaten. Dit opzettelijk nalaten tijdig de genoemde gegevens door te geven leidt tot een financieel voordeel voor de verdachte.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2015 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 80 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en artikel 12 Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Toeslagenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft hij, verdachte, telkens niet tijdig aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) doorgegeven of kenbaar gemaakt dat hij, verdachte, werkzaamheden verrichtte en had verricht en zijn echtgenote inkomsten genoot en had genoten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode voor de uitkeringsinstantie verzwegen dat hij werkzaamheden verrichtte en dat zijn vrouw inkomsten had. Als gevolg hiervan heeft de uitkeringsinstantie het recht op en de hoogte van de uitkeringen niet op een juiste wijze kunnen beoordelen. De verdachte heeft hierdoor het stelsel van sociale zekerheid ondermijnd en de samenleving schade toegebracht. Dit is een ernstig feit omdat dit gedrag ervoor zorgt dat de solidariteit in de samenleving afneemt en het draagvlak voor premieafdracht afneemt.

De verdachte heeft enkel gehandeld uit persoonlijk winstbejag. Daarbij heeft hij meerdere keren opnieuw de afweging gemaakt om zijn werkzaamheden en het inkomen van zijn echtgenote te verzwijgen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is van oordeel dat van een overschrijding geen sprake is. Pas op 4 juli 2017 is een brief aan de verdachte gestuurd dat er een strafrechtelijk traject zou worden gestart. Op deze datum is de redelijke termijn aangevangen. De uitspraak in de onderhavige zaak vindt plaats op 1 februari 2019, minder dan twee jaar na het aanvangen van de redelijke termijn waarmee dus geen sprake is van een overschrijding. Desondanks zal de rechtbank bij bepaling van de straf wel rekening houden met het gegeven dat de strafbare feiten zijn gepleegd in de jaren 2010 tot en met 2015 en de sindsdien gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de uitkeringen met ingang van

1 januari 2010 zijn ingetrokken en het als gevolg daarvan teveel betaalde bedrag van € 106.554,36 is teruggevorderd.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt de maximale taakstraf van 240 uren opgelegd in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

voornoemde straf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. A. Verweij en F.A. Hut, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de 1 februari 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2015 te Vlaardingen en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 80 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en/of artikel 12 Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en/of de Toeslagenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) niet (tijdig) aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) doorgegeven of kenbaar gemaakt dat hij, verdachte, werkzaamheden verrichtte en/of had verricht en/of hij, verdachte, en/of zijn echtgenote inkomsten geno(o)t(en) en/of had(den) genoten.