Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:126

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
6679088 CV EXPL 18-6706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening. (Afwijzing van) verrekeningsverklaring in de zin van art. 6:127 lid 1 BW. Verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6679088 CV EXPL 18-6706

datum: 25 januari 2019

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
J.A. DE KRUIJF HOLDING B.V., handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,

gevestigd te Houten,

gemachtigde mr. A.R.A. Bloem (ARAG)

tegen

[naam 1] , handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,

wonende te Utrecht,

gemachtigde mr. H.C. van den Akker te Gouda.

Partijen zullen hierna De Kruijf Holding en [naam 1] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 20 februari 2018, met producties 1-5;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1-16;

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 9 juli 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de zittingsagenda van 12 oktober 2018;

  • -

    de brief van mr. Van den Akker van 12 november 2018, met een samenvatting van de juridische standpunten van cliënt en producties 17-24 van De Kruijf Holding;

  • -

    het faxbericht van mr. Bloem van 13 november 2018, met productie 6 van [naam 1] ;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 27 november 2018;

  • -

    de brief van mr. Van den Akker van 10 december 2018 met opmerkingen over het proces-verbaal.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1. Na eisvermindering heeft De Kruijf Holding gevorderd [naam 1] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:

  1. betaling van de hoofdsom van € 15.823,78 (= € 16.210,98 minus € 387,20);

  2. betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 937,11;

  3. betaling van de wettelijke handelsrente over het onder a) gevorderde vanaf de datum waarop de vracht opeisbaar is geworden d.d. 21 januari 2016 tot de dag van de volledige betaling en over het onder b) vanaf de datum van het vonnis tot de dag van de volledige betaling;

  4. betaling van de proceskosten;

  5. betaling van de nakosten (krachtens artikel 237 lid 4 Rv), te begroten op een half salarispunt van het toegewezen salaris voor de gemachtigde met een maximum van
    € 100,00, met bepaling dat, indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn betaald, [naam 1] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot de dag van de volledige betaling.

2.2.

[naam 1] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van De Kruijf Holding, met veroordeling van De Kruijf Holding in de proceskosten.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling ingegaan, voor zover deze stellingen daarvoor van belang zijn.

Tekst

3 De beoordeling

de gevorderde hoofdsom

3.1.

Gebleken is dat van de thans door De Kruijf Holding gevorderde hoofdsom van
€ 15.823,78 door [naam 1] nog een bedrag is betaald van € 284,81. De Kruijf Holding heeft derhalve nog te vorderen een hoofdsom van € 15.538,97.

3.2.

De door De Kruijf Holding gevorderde hoofdsom betreft het totaalbedrag van (het door [naam 1] onbetaald gelaten gedeelte van) vier vrachtfacturen ter zake van binnenlands wegvervoer dat in de weken 1 tot en met 3 van 2016 voor [naam 1] is uitgevoerd. [naam 1] betwist niet dat hij (het door hem onbetaald gelaten gedeelte van) deze facturen verschuldigd is. Dat betekent dat de gevorderde hoofdsom kan worden toegewezen, tenzij het door [naam 1] gedane beroep op verrekening slaagt. In de stellingen van [naam 1] valt geen beroep door [naam 1] te lezen op verjaring van de vorderingen van De Kruijf Holding (vgl. randnr. 29 van de conclusie van antwoord).

3.3.

De Kruijf Holding heeft aangevoerd dat op haar contractuele rechtsverhouding met [naam 1] de Algemene Vervoerscondities 2002 (AVC 2002 ) van toepassing zijn en dat op grond van artikel 7 lid 5 AVC 2002 verrekening (met bepaalde soorten vorderingen) is verboden.

Ter zitting is gebleken dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden op hun contractuele rechtsverhouding. Het verrekeningsverbod in de AVC 2002 mist derhalve toepassing.

3.4.

Ter onderbouwing van zijn verrekeningsverweer beroept [naam 1] zich op een door hem verstuurde e-mail van 4 februari 2016 aan De Kruijf Holding, in de persoon van haar bestuurder [naam 2] , waarin [naam 1] een verrekeningsverklaring zou hebben afgelegd. Deze e-mail luidt als volgt:

“Datum: Utrecht, 4 februari 2016

Betreft: Vorderingen aan elkaar en de vereffening daarvan

Geachte heer [naam 2] ,

Uw vorderingen aan mij:

Factuur 201601, datum 06-01-2016 € 11945,73

Factuur 201605, datum 16-01-2016 € 2910,05

Factuur 201606, datum 27-01-2016 € 1355,20

Totale vordering € 16210,98

Mijn vordering aan U:

Factuur 20160005, datum 31-01-2016 € 10861,18

Investering in Loods, datum 04-02-2016 € 4042,53

Borgstelling Europallets KN € 444,67

Borgstelling Europallets [naam 1] Transport € 190,57

Borgstelling Schreurs Transport € 387,20

Totale vordering € 15926,15

Het verschil a € 284,81 zal ik vandaag nog op uw bankrekening overmaken. Let wel! Indien u europallets bij KN of bij mij aanlevert (conform e-mail), zullen deze bedragen alsnog naar u worden overgemaakt. Ontvang ik het factuurbedrag van Schreurs transport, zal deze borgstelling ook z.s.m. worden overgemaakt.

Hierbij is wat betreft de financiële kant van onze samenwerking alles afgewerkt. Ik hoef verder geen betalingsherinneringen van u te ontvangen. Ik ga verder ook niet in discussie over opleggerhuur, vrachtprijzen, 2e chauffeur die meeging e.d., aangezien er ook met mijn oplegger is gereden etc. De investering in uw loods aan de [adres] in Nieuwegein heeft naast de geldelijke investeringen ook veel arbeidsuren gekost. Zowel mijn vader als ik hebben een aantal dagen werkzaamheden verricht. Deze arbeidsuren en andere aanverwante kosten, zoals reis- en verblijfskosten, gereedschappen etc. zijn uitdrukkelijk niet in de berekening van € 4042,53 opgenomen. Ik verwacht dan ook enige coulance van uw zijde.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd,

[naam 1]

Eigenaar”.

3.5.

Gebleken is dat door De Kruijf Holding, in de persoon van [naam 2] voornoemd, in reactie op deze e-mail op een later tijdstip op 4 februari 2016 de volgende e-mail is gestuurd aan [naam 1] :

“Onderwerp: Verrekening van de vorderingen

[…]

Geachte [naam 1] ,

Bij deze wil ik u laten weten dat ik niet akkoord ga met uw berekening. We zijn de

Stichting samen begonnen en het huren van de loods zouden wij ook samen bekostigen.

Tot de maand Januari ben jij mede eigenaar geweest van het oprichten van de stichting

en de kosten voor de loods.

Daarom hierbij de kosten waarvan jij verwacht dat ik hiervoor opdraai. Terwijl jij uit

de stichting bent gestapt.

Ik heb ze op een rij gezet en gedeeld door 2.

Kamer van Koophandel: 50 euro

50:2 = 25 euro

Notaris kosten: 1075,17 euro

1075, 17:2 = 547,58 euro

factuur deur monteren: 1064,80 euro

1064,80:2 = 532,40 euro

aankoop deur: 800 euro

800:2 = 400 euro

Huur Januari: 1247,81 euro

l247,8l.2 = 623,90 euro

Oftewel

547,58 euro

532,40 euro

400,00 euro

623,90 euro

25,00 euro

totaal bedrag: 2128,88 euro

Jij verwacht dat ik jou 4042,53 betaal, maar met deze berekening kom ik op een bedrag

uit van:

4042,53 --- 2128,88 = 913,65 euro.

Factuur transport onderling.

Worden betaald met een bedrag van 580 euro per rit, zoals afgesproken.

Jij hebt 13 keer gereden dus dan kom ik met een berekening van:

580 x 13 = 7540 euro.

Dit factuur 20160005 word 1 maart betaald, zoals afgesproken.

indien ik op tijd een creditnota krijg van jou.

Factuur 201601, is gereden in December. In overleg met jou is dit factuur op 1 Januari

gezet.

Dit i.v.m. verblijfsvergunning voor jou vrouw. Dit factuur zou jij 2 of 3 Januari

Betalen. Ik heb dit tot op heden nog niet ontvangen.

Ik heb je op 4-2-2016 een herinnering gestuurd van dit factuur. Ik verwacht dat dit

factuur binnen een week betaald word, zo niet dan

ga ik het uit handen geven.

Met vriendelijke groet,

[naam 2] ”.

3.6.

Hier is sprake van een verrekeningsverklaring in de zin van artikel 6:127 lid 1 BW respectievelijk een rechtsgeldige afwijzing door De Kruijf Holding van het in deze verrekeningsverklaring besloten liggende verzoek van [naam 1] om te verrekenen.

3.7.

Ter betwisting van het verrekeningsverweer van [naam 1] beroept De Kruijf Holding zich voorts op verjaring van de vordering van [naam 1] ter zake van het factuurbedrag van
€ 10.861,18 dat wordt genoemd in de hiervoor in r.o. 3.4 weergegeven e-mail van [naam 1] aan De Kruijf Holding van 4 februari 2016.

3.8.

Aangezien de hierboven in r.o. 3.4 aangehaalde verrekeningsverklaring rechtsgeldig door De Kruijf Holding is verworpen, mist het bepaalde in artikel 6:131 lid 1 BW (dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering waarop het verrekeningsverweer is gebaseerd) toepassing.

Dit betekent dat het verrekeningsverweer van [naam 1] faalt, indien en voor zover dit verweer is gebaseerd op vorderingen van hem op De Kruijf Holding die ten tijde van dit voor het eerst in de onderhavige procedure bij conclusie van antwoord gevoerde verweer reeds waren verjaard. Dit verrekeningsverweer baseert [naam 1] op alle vorderingen van hem die ook al waren genoemd in de hierboven in r.o. 3.4 aangehaalde e-mail aan De Kruijf Holding van 4 februari 2016 met uitzondering van de vordering ten bedrage van € 387,20 ter zake van “borgstelling Schreurs Transport”. Zijn verrekeningsverweer baseert [naam 1] dus thans nog op vorderingen van hem van een totaalbedrag van € 15.538,95 (= € 15.926,15 – € 387,20).

3.9.

Gesteld noch gebleken is dat [naam 1] op een eerder tijdstip dan in zijn hiervoor in r.o. 3.4 aangehaalde e-mail aan De Kruijf Holding van 4 februari 2016 aanspraak heeft gemaakt op betaling van de in deze e-mail genoemde bedragen die De Kruijf (Holding) aan hem verschuldigd zou zijn. Evenmin is gesteld dan wel gebleken dat [naam 1] na deze e-mail de verjaring van zijn vorderingen ter zake van deze bedragen heeft gestuit.

3.10.

Het factuurbedrag van € 10.861,18 dat wordt genoemd in de in r.o. 3.4 aangehaalde e-mail van [naam 1] aan De Kruijf Holding van 4 februari 2016 betreft vrachtvorderingen ter zake van internationaal wegvervoer tussen Nederland en België. Op dit vervoer is het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg van 19 mei 1956 (hierna: CMR) van toepassing. Ingevolge artikel 32 CMR bedraagt de verjaringstermijn van vrachtvorderingen één jaar en start deze verjaringstermijn drie maanden na het sluiten van de vervoerovereenkomst. Deze vrachtvorderingen van [naam 1] hebben betrekking op wegvervoer dat is uitgevoerd in de periode van 3 december 2015 tot en met 21 januari 2016, zo is komen vast te staan, Deze vrachtvorderingen van [naam 1] zijn dan ook alle verjaard, zodat het verrekeningsverweer van [naam 1] dat op deze vrachtvorderingen is gebaseerd faalt.

3.11.

Het bedrag van € 4.042,53 dat wordt genoemd in de in r.o. 3.4 aangehaalde e-mail van [naam 1] aan De Kruijf Holding van 4 februari 2016 en aldaar voorzien is van het bijschrift “Investering in Loods, datum 04-02-2016” is opgebouwd uit twee deelbedragen, namelijk
€ 2.794,72 ter zake van kosten die [naam 1] heeft gemaakte voor de door hem en [naam 2] opgerichte stichting Stichting Logistiek en een deelbedrag van € 1.247,81 ter zake van de door [naam 1] vooruitbetaalde huur voor de maandfebruari 2016 voor de destijds door de Stichting Logistiek gehuurde loods.

3.12.

Niet in geschil is dat genoemd bedrag van € 2.794,72 geheel bestaat uit kosten voor het gezamenlijk oprichten en gezamenlijk beëindigen van de stichting. Vaststaat echter dat De Kruijf Holding geen oprichter (lid) was van de stichting, zodat zij niet draagplichtig is wat deze kosten betreft. Het op dit bedrag gebaseerde verrekeningsverweer van [naam 1] faalt derhalve.

3.13.

Niet in geschil is dat genoemde loods vanaf 1 januari 2016 is gehuurd door genoemde Stichting Logistiek en dat De Kruijf Holding deze huurovereenkomst op 1 maart 2016 heeft overgenomen van deze stichting. Aan genoemd bedrag van € 1.247,81 legt [naam 1] ten grondslag dat hij dit huurbedrag voor de maand februari 2016 vooruit heeft betaald en dat [naam 2] eind januari 2016 het slot van de loods heeft vervangen waardoor vanaf dat moment alleen De Kruijf Holding nog toegang had tot de loods en [naam 1] gedurende februari 2016 dus geen gebruik meer kon maken van de loods ondanks dat hij gedurende deze maand nog huurder daarvan was en zijn gedeelte van de huursom voor deze maand al had betaald. Deze stellingen van [naam 1] zijn door De Kruijf Holding niet betwist, zodat zij zijn komen vast te staan. Vaststaat echter dat De Kruijf Holding(, die immers geen oprichter (lid) was van de stichting,) (nog) geen huurder was van de loods in de maand februari 2016. Het op dit bedrag gebaseerde verrekeningsverweer van [naam 1] faalt derhalve.

3.14.

De bedragen van € 444,67 en € 190,57 – tezamen derhalve € 635,24 – die worden genoemd in de in r.o. 3.4 aangehaalde e-mail van [naam 1] aan De Kruijf Holding van 4 februari 2016 betreffen borgsommen die door [naam 1] zijn betaald voor pallets die door De Kruijf Holding – in de woorden van [naam 1] : De Kruijf Logistiek – niet zijn geretourneerd. Deze bedragen hebben betrekking op 21 respectievelijk 49 pallets die volgens [naam 1] zijn doorbelast aan De Kruijf Holding tegen een gereduceerd tarief van € 7,50 per pallet exclusief BTW, terwijl tarieven van € 12,50-€ 14,00 gangbaar zijn.

3.15.

Op de comparitiezitting is door De Kruijf Holding verklaard dat [naam 1] destijds al zijn pallets heeft meegenomen uit de door partijen destijds gehuurde loods en dat de resterende pallets van De Kruijf Holding althans [naam 2] zijn. Dit is vervolgens door [naam 1] niet weersproken, zodat het is vast komen te staan. [naam 1] is derhalve niet gerechtigd tot bovengenoemde twee borgsommen, zodat zijn op deze bedragen gebaseerde verrekeningsverweer faalt.

3.16.

Omdat het verrekeningsverweer van [naam 1] faalt en van andere verweren geen sprake is, zal de resterende hoofdsom van € 15.538,97 worden toegewezen. Anders dan [naam 1] van mening is, volgt uit de beëindiging van de samenwerking tussen partijen, de participatie van [naam 1] in de stichting en de sterke onderlinge verwevenheid tussen de stichting, De Kruijf Holding en haar enig aandeelhouder tevens bestuurder van de stichting niet dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gebieden dat een volledige verrekening van alle tussen partijen openstaande posten wordt toegestaan.

wettelijke handelsrente

3.17.

Hier is sprake van een handelstransactie in de zin van artikel 6:119a BW. Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze wordt toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

buitengerechtelijke kosten

3.18.

Nu het verzuim van [naam 1] is ingetreden na 1 juli 2012, is ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 937,11 het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: “het Besluit”) van toepassing.

De rechtbank stelt vast dat De Kruijf Holding voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijk tarief, zijnde € 880,38.

proceskosten en nakosten

3.19.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [naam 1] worden veroordeeld in de proceskosten. De aan de zijde van De Kruijf Holding tot aan deze uitspraak gevallen kosten zal de kantonrechter begroten op:

  • -

    dagvaardingskosten € 113,35

  • -

    griffierecht € 952,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten in tarief € 12.000-20.000)

totaal € 1.665,35.

De veroordeling in de proceskosten omvat een veroordeling in de nakosten.

De rechtbank zal, als gevorderd en niet zelfstandig bestreden, bepalen dat de proceskosten binnen veertien dagen na de uitspraak moeten zijn betaald en dat bij overschrijding van die termijn wettelijke rente zal zijn verschuldigd.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [naam 1] tot betaling aan De Kruijf Holding van de hoofdsom ten bedrage van
€ 15.538,97, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 21 januari 2016 tot de dag van de volledige betaling;

veroordeelt [naam 1] tot betaling aan [naam 2] van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van
€ 880,38;

veroordeelt [naam 1] in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Kruijf Holding zijn begroot op € 1.665,35 en die, indien [naam 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, verder begroot worden op € 131,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 januari 2019.

463/16744