Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1257

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
ROT 18/2374
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens illegale radio-uitzending in de FM-omroepband. Overtreder. Functioneel dader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/2374

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , eiser,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigden: mr. F. de Jong en R.H. Wierenga.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Telecommunicatiewet (Tw) een bestuurlijke boete van € 2.500,- en een last onder dwangsom opgelegd wegens een illegale radio-uitzending in de FM-omroepband.

Bij besluit van 23 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens was aanwezig [naam] , inspecteur.

Overwegingen

1. In een door toezichthouders van verweerder opgemaakt rapport van bevindingen van 11 september 2017 (het rapport) staat vermeld dat zij op 3 september 2017 hebben geconstateerd dat er vanaf een perceel waarvan eiser (mede)eigenaar is, met het [adres] te [plaats] (het perceel), een illegale uitzending in de FM-omroepband is verzorgd op de frequentie 94,5 MHz. Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder bij brief van 9 oktober 2017 zijn voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om hem een bestuurlijke boete van € 2.500,- en een last onder dwangsom op te leggen. Eiser heeft geweigerd om deze brief in ontvangst te nemen en heeft geen zienswijze ingediend tegen het voornemen van verweerder. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen,

op de grond dat eiser artikel 3.13, eerste lid, en artikel 10.15, eerste lid, van de Tw heeft overtreden. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser als functioneel dader moet worden aangemerkt en dat hem de overtreding valt te verwijten, zodat hem een basisboete van € 2.500,- wordt opgelegd. Omdat verweerder een herhaling van de overtreding wenst te voorkomen, heeft verweerder eiser daarnaast voor een periode van vijf jaar gelast om geen radioapparaten te (laten) gebruiken, aan te (laten) leggen, dan wel geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig te hebben voor het gebruik in de FM-omroepband zonder de hiervoor vereiste vergunning, onder oplegging van een dwangsom van € 2.250,- per overtreding met een maximum van € 33.750,-.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de toezichthouders door middel van visuele en technische waarnemingen hebben geconstateerd dat vanaf een antenne-installatie op eisers perceel een illegale uitzending heeft plaatsgevonden. De toezichthouders hebben weliswaar in de directe omgeving van eisers perceel nog een andere antenne-installatie waargenomen die radiocommunicatiesignalen kon uitzenden, maar volgens verweerder is door de toezichthouders vastgesteld dat deze installatie op het moment van de uitzending geen radiogolven uitstraalde. Wat eiser heeft aangevoerd geeft verweerder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het rapport. Dat de toezichthouders geen persoonlijk contact hebben gezocht met eiser, doet volgens verweerder niet af aan het feit dat er een illegale uitzending is geconstateerd vanaf eisers perceel. Verweerder stelt dat hij dan ook terecht is overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom.

3. Eiser stelt dat er vanaf zijn perceel absoluut niet werd uitgezonden en dat de toezichthouders dit hadden kunnen zien als zij aan zijn deur waren gekomen. Eiser stelt dat hij, sinds hij in 2012 een voorlichtingsbrief heeft ontvangen van verweerder, niet meer heeft gezonden. Vanaf juni 2017 is hij bovendien dag in dag uit aan het verbouwen in zijn huis. Dit was volgens eiser ook het geval op 3 september 2017. Eiser stelt dat hij met zijn gezin in de schuur woonde en dat de dagen korter en kouder werden, waardoor hij haast had om de woning klaar te krijgen en hij geen tijd had om zich bezig te houden met zenden. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser diverse foto’s overgelegd.

4.1.

Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van de Tw is voor het gebruik van andere frequentieruimte dan die welke in het frequentieplan is aangewezen als frequentieruimte waarvan het gebruik zonder vergunning is toegestaan, dan wel die op grond van de artikelen 3.5 tot en met 3.5b is toegewezen, een vergunning vereist van Onze Minister.

Op grond van artikel 10.15, eerste lid, van de Tw is het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radioapparaten slechts toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radioapparaten op grond van hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.

Op grond van artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tw zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en de eidas-verordening belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op het gebruik van frequentieruimte.

Op grond van artikel 15.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tw is Onze Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.

Op grond van artikel 15.4, eerste lid, van de Tw kan Onze Minister ingeval van overtreding van een wettelijk voorschrift met het toezicht op de naleving waarvan hij ingevolge artikel 15.1 eerste lid, is belast of ingeval van overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 900.000.

4.2.

Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

5. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouders zich op zondag 3 september 2017 omstreeks 16.00 uur in een dienstauto bevonden op de kruising van de […] bij [plaats] . Middels een in de dienstauto aanwezige radio-ontvanger beluisterden zij op een frequentie van 94,5 MHz in de FM-omroepband een kennelijk illegale radiozender. De toezichthouders hoorden dat via deze zender muziek en soms spraak werd uitgezonden en dat de zender werd aangekondigd met de naam […] . Blijkens het rapport wezen radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en een ter plaatse ingesteld onderzoek omstreeks 16.25 uur van die dag uit dat de door de zender uitgezonden radiogolven werden uitgestraald vanaf een antenne-installatie die stond opgesteld op het perceel van eiser. Op het display van de peilapparatuur, behorende bij de voornoemde radio-ontvanger, zagen de toezichthouders dat de peilapparatuur steeds in de richting van de antenne-installatie op het perceel wees, ongeacht de richting waarin zij reden. Tevens zagen de toezichthouders op het display dat het relatieve veldsterkteniveau van het ontvangen radiosignaal ter hoogte van de antenne-installatie op het perceel het hoogst was. De toezichthouders schatten de hoogte van de antenne-installatie op dertig meter en zagen dat daarin acht verticaal gepolariseerde antennes waren gemonteerd, waarvan hun ambtshalve bekend is dat deze geschikt zijn voor het uitstralen van radiogolven in de FM-omroepband. Voorts zagen zij dat in de directe omgeving van het perceel nog een andere antenne-installatie, geschikt voor gebruik in de FM-omroepband, stond opgesteld. De toezichthouders stelden echter vast dat er middels die antenne-installatie geen radiogolven werden uitgestraald. Door de combinatie van de hiervoor beschreven visuele en technische waarnemingen stelden de toezichthouders vast dat het radiosignaal met behulp van de antenne-installatie op het perceel van eiser werd uitgezonden.

6. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het rapport en de conclusie die daaruit is getrokken, namelijk dat op 3 september 2017 een uitzending in de FM-omroepband is verzorgd via de antenne-installatie op het perceel van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het rapport, dat is gebaseerd op radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en visuele waarnemingen, toereikend is om met voldoende zekerheid vast te stellen dat het gepeilde radiosignaal afkomstig is van de antenne-installatie op het perceel van eiser. Wat eiser heeft aangevoerd over de andere antenne-installaties in de directe omgeving van zijn perceel, maakt dit niet anders. Dat de toezichthouders niet bij eiser aan de deur zijn gekomen doet, gelet op de beschreven visuele en technische waarnemingen, bovendien niet af aan de betrouwbaarheid van het door hen verrichte onderzoek.

7. Niet in geschil is dat eiser niet over de voor het gebruik van frequentieruimte benodigde vergunning beschikte, zodat verweerder eiser terecht heeft aangemerkt als overtreder van artikel 3.13, eerste lid, van de Tw en artikel 10.15, eerste lid, van de Tw. Voor zover eiser betoogt dat hij niet zelf met een uitzending bezig is geweest, overweegt de rechtbank dat eiser door verweerder als functioneel dader is aangemerkt. Niet van belang is in dat geval wie feitelijk de radio-uitzending heeft verzorgd, maar wel dat de overtreding heeft plaatsgevonden vanaf eisers perceel. Eiser had het als (mede) eigenaar en gebruiker van het perceel in zijn macht om het begaan van de overtreding te voorkomen. De rechtbank is niet gebleken van een situatie dat eiser in het geheel geen verwijt voor de overtreding treft, in welk geval op grond van artikel 5:41 van de Awb geen bestuurlijke boete opgelegd zou mogen worden. Gelet hierop kon verweerder eiser een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom opleggen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan eiser kan worden verweten, rekening houdend met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De opgelegde boete acht de rechtbank passend en geboden. Verweerder heeft voorts in redelijkheid kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom.

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat zowel de opgelegde boete als de last onder dwangsom in stand blijven.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 februari 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.