Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1218

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
C/10/565944 / JE RK 19-154 en C/10/566374 / JE RK 19-222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Nog geen statusvoorlichting, onbekende biologische vader, geen ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/565944 / JE RK 19-154 en C/10/566374 / JE RK 19-222

datum uitspraak: 25 januari 2019

beschikking

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2017 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 11 januari 2019, ingekomen bij de griffie op 14 januari 2019.

- het gerectificeerde verzoek met bijlagen van de Raad van 18 januari 2019, ingekomen bij de griffie op 21 januari 2019.

- de pleitaantekeningen van de moeder, ter zitting overgelegd.

Op 25 januari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mr. [naam vertrouwenspersoon] , vertrouwenspersoon van de moeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

De moeder woont in Rotterdam. De moeder verblijft feitelijk met haar kinderen bij de grootouders moederszijde te Dordrecht.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, gevestigd de Dordrecht, voor de duur van twaalf maanden. Dit verzoek staat geregistreerd onder het zaaknummer C/10/565944 / JE RK 19-154.

De Raad heeft een gerectificeerd verzoekschrift ingediend waarin de Raad heeft verzocht om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI, gevestigd te Rotterdam, voor de duur van twaalf maanden. Dit verzoek staat geregistreerd onder het zaaknummer C/10/566374 / JE RK 19-222.

De Raad heeft het gerectificeerde verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is niet bekend wie de vader van [voornaam minderjarige] is. Zij groeit op zonder dat zij haar vader kent. Dat is een bedreiging voor haar ontwikkeling. De moeder geeft aan dat zij niet weet wie de vader is, maar onderneemt geen actie om daar wel duidelijkheid over te scheppen. De Raad heeft het vermoeden dat de vader van het oudere broertje van [voornaam minderjarige] ( [naam] ), tevens de vader van [voornaam minderjarige] is. Dit is echter niet zeker. Er zou een DNA test moeten komen om dat vast te stellen. De relatie tussen de vader van [naam] en de moeder is zorgwekkend. [naam] laat zorgelijk gedrag zien na contact met zijn vader. [voornaam minderjarige] is in beeld van de Raad gekomen door het onderzoek naar [naam] . De Raad vindt het zorgelijk dat de vader van [voornaam minderjarige] wordt doodgezwegen door de moeder en lijkt te worden vervangen door de grootouders. De vader van [naam] heeft om de week contact met [naam] . Wanneer hij ook de vader van [voornaam minderjarige] is, zal [voornaam minderjarige] het er uiteindelijk wellicht moeilijk mee krijgen dat [naam] wel omgang heeft met zijn vader en zij niet. De ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] is noodzakelijk om de jeugdbeschermer met de moeder, en het liefst met de beide ouders, in het gedwongen kader in gesprek te laten gaan over de gevolgen die het voor [voornaam minderjarige] kan hebben wanneer zij opgroeit zonder bekende vader en zonder dat zij haar vader heeft kunnen leren kennen.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting geen standpunt ingenomen over het verzoek van de Raad.

De GI heeft desgevraagd geantwoord er van uit te gaan dat binnen het kader van een ondertoezichtstelling de moeder verplicht kan worden mee te werken aan een DNA test om uitsluitsel te verkrijgen over het vaderschap van de daarvoor in aanmerking komende persoon, te weten de vader van [naam] .

Het standpunt van de moeder

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen het standpunt van de GI.

[voornaam minderjarige] is een meisje van twee dat opgroeit in een veilige en harmonieuze gezinssituatie bij de moeder, haar broertje en haar grootouders, voor welke constructie de moeder gedurende de jonge jaren van haar kinderen kiest gelet op haar alleenstaand ouderschap en haar veeleisende werk. Op termijn stelt de moeder zich voor weer in haar eigen huis in Rotterdam, dat zij niet heeft verkocht, te gaan wonen. De relatie tussen de vader van [naam] en de moeder heeft een heftig einde gekend. De moeder heeft de vader na een geweldsincident uit het huis gezet. Zij was toen nog niet zwanger van [voornaam minderjarige] . De vader van [naam] is tijdens de zwangerschap van de moeder van [voornaam minderjarige] , noch nadien, betrokken geweest bij die zwangerschap of bij [voornaam minderjarige] . De identiteit van de vader van [voornaam minderjarige] is de moeder niet bekend.

Het is, aldus de moeder, aan haar om het moment te bepalen waarop [voornaam minderjarige] er aan toe is haar statusvoorlichting – voor zover mogelijk - te geven (ECLI:NL:HR:2016:452). Wanneer [voornaam minderjarige] daaraan toe is zal de moeder dat ook doen. De Raad heeft geen reden er aan te twijfelen dat de moeder bij het bepalen van dat moment het belang van [voornaam minderjarige] voorop zal stellen. Er is geen concrete ernstige ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] . De enkele mogelijkheid van een toekomstige bedreiging voor de ontwikkeling van het kind biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling (ECLI:NL:GHAMS:2018:2223).

De beoordeling

De Raad voert aan dat meer gewicht dient te worden toegekend aan het belang van de minderjarige bij het kennen van haar afstamming, dan aan het recht van de moeder om te bepalen of de minderjarige deze informatie zal krijgen (ECLI:NL:HR:2016:452). Doordat de statusvoorlichting en het contact met de – vermoedelijke - vader [voornaam minderjarige] worden onthouden, maken de omgevingsfactoren dat [voornaam minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De Raad acht het van belang voor de identiteitsvorming van [voornaam minderjarige] dat zij weet wie haar vader is en hem uiteindelijk ook leert kennen.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Voorop staat dat uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, voortvloeit dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02, EHRC 2008/34). Dat recht is tevens gewaarborgd in de artikelen 7 en 8 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Het is echter in casu van belang dat het in beginsel aan de moeder is om het geschikte moment te bepalen om [voornaam minderjarige] van informatie te voorzien - voor zover bekend of te achterhalen - over haar afstamming. De moeder heeft toegezegd dat zij dit, wanneer [voornaam minderjarige] ouder is en zij in staat is die informatie te begrijpen, ook zal doen. Dat er redenen zouden zijn te twijfelen aan het inzicht bij de moeder, haar opvoedingscapaciteiten en haar zorgzaamheid dienaangaande, heeft de Raad niet aangegeven of onderbouwd. De Raad heeft - voor zover relevant - enkel gesteld dat [voornaam minderjarige] als tweejarige peuter niet weet wie haar vader is, en geeft aan dat dat mogelijk negatieve gevolgen voor [voornaam minderjarige] ’s ontwikkeling op de langere termijn zal hebben. Aldus zijn er geen aanwijzingen dat [voornaam minderjarige] thans op enige wijze ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

Daarbij komt dat het een zeer forse inbreuk zou zijn op het recht van de moeder op een ongestoord en rustig family life met haar kind, en op haar privacy, als er binnen het kader van een ondertoezichtstelling druk op de moeder zou worden uitgeoefend reeds nu mee te werken aan het achterhalen en bekendmaken voor de buitenwereld, van de identiteit van de vader, en daar dan ook nog in de relatie met haar dochter vorm aan te geven. Een dergelijke inbreuk valt niet te rechtvaardigen nu het bij [voornaam minderjarige] , anders dan in de situatie van de door de Raad aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, onduidelijk is óf haar biologische vader achterhaald kan worden én of die vader enig belang stelt in het vormgeven aan zijn vaderschap.

Uit voorgaande volgt dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek tot de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2019 door mr. M. de Geus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Apeldoorn als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 februari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.