Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1212

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
C/10/541582 / FA RK 17-10605 (voorlopige voorzieningen) C/10/517871 / FA RK 16-11015 (echtscheiding) C/10/523407 / FA RK 17-2454 (verdeling)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling. Waarde aandelen. Op verzoek van partijen is waarde bepaald op basis van de in het geding gebrachte financiële stukken.

Partneralimentatie. Behoefteverweer in strijd met beginselen goede procesorde. Netto bedrag vastgesteld, omdat alimentatiegerechtigde in Israël woont en te ontvangen partneralimentatie voor haar onbelast is. Verzoek tot limitering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaak- en rekestnummers: C/10/517871 / FA RK 16-11015 (echtscheiding) C/10/523407 / FA RK 17-2454 (verdeling)

C/10/541582 / FA RK 17-10605 (voorlopige voorzieningen)

Beschikking van 8 februari 2019

in de zaak met rekestnummers 16-11015 en 17-2454 van:

[naam man] , de man,

wonende te Rotterdam,

advocaat mr. S.M. van Luijk te Utrecht (voorheen: mr. Ch.L. van den Puttelaar),

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te Israël (voorheen: Rotterdam),

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam.

alsmede in de zaak met rekestnummer 17-10605 van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te Israël (voorheen: Rotterdam),

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te Rotterdam,

advocaat mr. S.M. van Luijk te Utrecht (voorheen: mr. Ch.L. van den Puttelaar)

1 De procedure

1.1.

Het (verdere) verloop van de procedure met rekestnummers 16-11015 en 17-2454 blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 28 juli 2017 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het F-formulier met bijlagen gedateerd 25 januari 2018 van de zijde van de man;

  • -

    het F-formulier met bijlage gedateerd 1 februari 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 februari 2018 gehouden mondelinge behandeling;

  • -

    het F-formulier met bijlagen gedateerd 12 november 2018 van de zijde van de man;

  • -

    het F-formulier met bijlage gedateerd 15 november 2018 van de zijde van de vrouw.

1.2.

Het verloop van de procedure met rekestnummer 17-10605 blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 december 2017.

1.3.

Bij voornoemde beschikking van 28 juli 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is de overeenstemming tussen partijen over de wijze van verdeling van een aantal vermogensbestanddelen weergegeven en is de behandeling van de zaak ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en de verdeling van de huwelijks-gemeenschap aangehouden in afwachting van het door partijen ter zake te starten mediationtraject.

1.4.

Partijen zijn niet gestart met de mediation. Op verzoek van partijen is vervolgens in de zaak met rekestnummers 16-11015 en 17-2454 een nadere mondelinge behandeling bepaald. Deze behandeling vond plaats ter zitting van 5 februari 2018, gelijktijdig met de behandeling van de zaak met rekestnummer 17-10605. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man met destijds zijn advocaat mr. Van den Puttelaar, die pleitnotities in het geding heeft gebracht;

  • -

    de vrouw met haar advocaat mr. Verhoeven, die pleitnotities in het geding heeft gebracht.

1.5.

Bij brief van deze rechtbank van 26 april 2018 is aan partijen bericht dat de zaak verwezen is naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De behandeling door de meervoudige kamer is nader bepaald op 23 november 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man met zijn advocaat mr. Van Luijk, die pleitnotities in het geding heeft gebracht;

  • -

    de vrouw met haar advocaat mr. Verhoeven, die pleitnotities in het geding heeft gebracht.

2 De zaak met rekestnummer 17-10605

2.1.

Ter zitting van 5 februari 2018 heeft de vrouw het verzoek betreffende voorlopige voorzieningen ingetrokken. Omdat de gronden van dat verzoek niet meer kunnen worden onderzocht, zal het verzoek worden afgewezen.

2.2.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De zaak met rekestnummers 16-11015 en 17-2454

Verdeling

Vermogensbestanddelen waarover overeenstemming bestaat

3.1.

Ten aanzien van de vermogensbestanddelen waarover tussen partijen overeenstemming bestaat, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten overeenkomstig de hierna weergegeven overeenstemming van partijen, die is afgeleid uit voornoemde beschikking van 28 juli 2017 (r.o. 2.4.7 t/m 2.4.13.) en de nadere verklaringen van partijen daarover ter zitting van 5 februari 2018 (die volgen uit het proces-verbaal van die zitting en de daaraan gehechte pleitaantekeningen) en uit hetgeen ter zitting van 23 november 2018 nader door partijen is verklaard.

3.2.

Partijen hebben ter zitting van 23 november 2018 verklaard dat de voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] in Rotterdam inmiddels aan derden is verkocht en geleverd en dat de verdeling van de verkoopopbrengst van die woning (na aflossing van de hypothecaire geldleningen en na aftrek van kosten) heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank ten aanzien van die woning en de daaraan verbonden schulden geen beslissing meer hoeft te nemen. Partijen hebben ter zitting van 23 november 2018 verder verklaard dat zij overeenstemming hebben over de wijze van verdeling van de pensioenpolis bij Centraal Beheer, in die zin dat de waarde van deze polis aan ieder van partijen bij helfte dient te toe te komen. Partijen hebben verklaard dat zij nader onderzoek zullen doen naar de wijze waarop dit dient te gebeuren: door verdeling of door verevening.

3.3.

Uit de beschikking van 28 juli 2017 in combinatie met de ter zitting van 5 februari 2018 niet-weersproken stellingen van de man, weergegeven in de punten 6-8 van zijn pleitnotities, maakt de rechtbank op dat partijen het met elkaar eens zijn dat:

3.3.1.

de woning aan de [adres 2] te Rotterdam aan de man zal worden toegedeeld voor het bedrag van € 195.000,- en dat de man de aan deze woning gekoppelde lening bij [naam bedrijf 1] van € 195.000,- voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen, zodat een en ander met gesloten beurzen zal plaatsvinden.

3.3.2.

de auto met het merk BMW aan de man zal worden toegedeeld voor het bedrag van € 19.000,-, onder de verplichting de helft van dat bedrag aan de vrouw te voldoen en dat de auto met het merk Mercedes aan de vrouw zal worden toegedeeld voor het bedrag van

€ 5.000,-, onder de verplichting de helft van dat bedrag aan de man te voldoen.

3.3.3.

de man de bankrekening(en) van partijen in Nederland zal voortzetten of opheffen, onder de verplichting de helft van het per 31 december 2016 aanwezige saldo op die bank-rekening(en) aan de vrouw te voldoen en dat de vrouw de bankrekening(en) van partijen in Franrijk zal voortzetten of opheffen, onder de verplichting verrekening van de helft van het per 31 december 2016 aanwezige saldo op die bankrekening(en) aan de man te voldoen.

3.3.4.

de polis bij Nationale Nederlanden zal worden toegedeeld aan de man voor het bedrag van € 217.070,-, onder de verplichting de helft van dat bedrag aan de vrouw te voldoen.

Vermogensbestanddelen waarover geen overeenstemming bestaat

3.4.

Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoren tevens de aandelen in het kapitaal van [naam bedrijf 1] De man is directeur enig aandeelhouder ( DGA ) van deze vennootschap die op haar beurt alle aandelen houdt in [naam bedrijf 2] . De man is met [naam bedrijf 2] . per 1 januari 2015 toegetreden tot de maatschap [naam maatschap] .

3.5.

Partijen zijn het erover eens dat de aandelen in [naam bedrijf 1] aan de man moeten worden toegedeeld. Partijen zijn het niet eens over de daarbij in aanmerking te nemen en met de vrouw te verrekenen waarde. De man brengt als producties XV en XVIII een door zijn financieel adviseur [naam 1] (hierna: [naam 1] ) opgestelde waardeberekening per 31 december 2016 en een aanvullende toelichting in het geding.

De vrouw brengt als productie B een door haar financieel adviseur [naam 2] (hierna: [naam 2] ) opgestelde reactie op de door de man in het geding gebrachte berekening in het geding en stelt zich op het standpunt dat de waarde van de aandelen per datum feitelijke verdeling in aanmerking genomen moet worden.

3.6.

Ter zitting van 23 november 2018 hebben partijen de rechtbank verzocht om op basis van de in het geding gebrachte stukken een beslissing te nemen over de waarde van de aandelen in [naam bedrijf 1] en hebben partijen dus expliciet afgezien van nadere bewijslevering op dat punt. Gelet hierop zal de rechtbank de waarde van de aandelen in [naam bedrijf 1] bepalen op basis van de door de man in het geding gebrachte financiële stukken en de door [naam 1] en [naam 2] op basis daarvan opgestelde berekeningen.

3.7.

Wat betreft de in aanmerking te nemen peildatum geldt volgens vaste jurisprudentie dat de waardering dient te geschieden naar de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of uit de redelijkheid en billijkheid iets anders voortvloeit. Niet gebleken is dat partijen een peildatum zijn overeengekomen of dat de man een beroep doet op de redelijkheid en billijkheid. Uit productie XV (pagina 3) volgt juist dat [naam 1] het hiervoor weergegeven uitgangspunt heeft erkend en gehanteerd, waarbij hem als meest recente financiële informatie de jaarstukken over 2016 ter beschikking stonden. Ter zitting van 23 november 2018 heeft de rechtbank met partijen geconstateerd dat de meeste recente financiële stukken die in het geding zijn gebracht, betrekking hebben op het boekjaar 2017. Omdat partijen de rechtbank expliciet hebben verzocht om te beslissen op basis van de in het geding gebrachte stukken, wordt aanleiding gezien om aan te sluiten bij de meest recente informatie die voorhanden is en wordt de peildatum voor het waarderen van de aandelen in [naam bedrijf 1] bepaald op 31 december 2017.

3.8.

In navolging van partijen zal de systematiek van het door [naam 1] opgestelde vermogensoverzicht (productie XVIII, pagina 3) als vertrekpunt worden genomen. In dat overzicht wordt het netto-vermogen van [naam bedrijf 1] berekend door op het eigen vermogen volgens de geconsolideerde balans enkele correcties aan te brengen. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen over de te hanteren peildatum en hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt dienaangaande als volgt geoordeeld.

3.8.1.

De vrouw betwist het in de berekening vermelde eigen vermogen op zichzelf niet. Omdat de rechtbank als peildatum 31 december 2017 hanteert, wordt uitgegaan van het bedrag aan eigen vermogen van € 2.005.958,- dat volgt uit de aangifte vennootschaps-belasting [naam bedrijf 1] 2017 (productie XVI van de man).

3.8.2.

Op het eigen vermogen moet een correctie plaatsvinden voor het verschil in beurs- en boekwaarde van de tot het vermogen van [naam bedrijf 1] behorende effecten. De rechtbank sluit aan bij de in de berekening van [naam 1] opgenomen en door de vrouw niet weersproken correctie van € 39.089,-. De rechtbank realiseert zich dat deze correctie betrekking heeft op de situatie per 31 december 2016, maar constateert dat de in het geding gebrachte stukken geen informatie bevatten over de beurswaarde van de effecten per 31 december 2017 en het dus niet mogelijk is om een correctie per peildatum te bepalen. Nu verder niet gesteld of gebleken is dat de beurswaarde van de effecten in 2017 aanzienlijk is gedaald of gestegen, zal het gaan om een relatief geringe aanpassing van het in aanmerking genomen bedrag aan correctie. Daarom kan hier genoegen mee worden genomen.

3.8.3.

De vrouw verzet zich tegen de door [naam 1] gemaakte correctie met betrekking tot de goodwill die ziet op de participatie in [naam maatschap] .

De man stelt dat per 31 december 2016 de boekwaarde van de goodwill € 600.000,- bedraagt en de werkelijke waarde € 449.750,-, zodat een correctie op het eigen vermogen moet plaatsvinden van -/- € 150.250,-. Onder verwijzing naar de maatschapsovereenkomst berekent de man de werkelijke waarde van de goodwill op 3,5 keer de overwinst, die hij stelt op € 128.500,- (gemiddeld winstaandeel over de jaren 2015 en 2016 van € 238.500,- verminderd met een arbeidsbeloning van € 110.000,-). Als wordt uitgegaan van een arbeidsbeloning van € 200.000,- bedraagt volgens de man de werkelijke waarde van de goodwill € 134.750,- en bedraagt de correctie -/- € 465.250,-.

De vrouw verzet zich tegen deze berekeningswijze van de waarde van de goodwill en past een correctie toe van € 150.000,- positief vanwege de jaarlijkse afschrijving op de goodwill. De vrouw stelt dat niet gebleken is dat de waarde van de goodwill is gedaald, maar dat de waarde van de goodwill inmiddels juist substantieel hoger zou kunnen zijn dan bij toetreding vanwege de stijging van het jaarlijks aandeel van de man in de maatschapswinst waaraan de goodwill is gerelateerd. Verder betwist [naam 2] in zijn reactie dat toepassing van het maatschapscontract en de voorovereenkomst leidt tot de door [naam 1] gestelde uitkomst.

3.8.4.

De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat het in 2015 bij toetreding betaalde bedrag aan goodwill van € 750.000,- geen reële prijs was om tot de maatschap [naam maatschap] toe te treden. Omdat het aan goodwill betaalde bedrag ten laste gekomen is van de huwelijksgemeenschap van partijen, acht de rechtbank het redelijk dat deze - niet lang voor het uiteengaan van partijen - gedane investering in beginsel aan beide partijen ten goede komt. Van een structurele waardevermindering van de goodwill als gevolg van lagere resultaten van de maatschap is niet gebleken, terwijl het winstaandeel van de man in de maatschap sinds zijn aantreden alleen maar is gestegen. Ter zitting van 23 november 2018 heeft de man verklaard dat zijn winstaandeel in de maatschap in 2015: € 211.094,-, in 2016: € 284.495,- en in 2017: € 283.440 bedroeg. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om nader te onderbouwen dat toepassing van de maatschapsovereenkomst en voorovereenkomst leiden tot de gestelde lagere waarde van de goodwill. De man heeft om hem moverende redenen geen nadere financiële stukken, toelichting of informatie over zijn participatie in de maatschap [naam maatschap] in het geding gebracht en heeft ter zitting verklaard hiertoe ook niet te zullen overgaan. Partijen hebben, zoals hiervoor is overwogen, de rechtbank ter zitting expliciet te kennen gegeven dat zij op dit punt geen deskundigenbericht wensen en hebben verzocht de zaak op de stukken af te doen. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om de vrouw te volgen in haar standpunt en de boekwaarde van de goodwill te corrigeren met de afschrijvingen die hebben plaatsgevonden. Vast staat dat de goodwill op de balans is geactiveerd en dat daarop jaarlijks het bedrag van € 75.000,- wordt afgeschreven. Per 31 december 2017 bedraagt de boekwaarde van de goodwill derhalve € 525.000 (€ 750.000,- minus 3x € 75.000,-). Het totaalbedrag van de afschrijvingen van € 225.000,- zal bij het eigen vermogen worden opgeteld. Door deze jaarlijkse afschrijving wordt de goodwill immers niet minder waard.

3.8.5.

In navolging van partijen neemt de rechtbank een belastinglatentie van 20% over de herwaarderingen in aanmerking. Uitgaande van het bedrag aan herwaarderingen van

€ 264.098,- (€ 39.089,- + € 225.000,-) wordt een bedrag van € 52.818,- aan belastinglatentie over de herwaarderingen in aanmerking genomen.

3.8.6.

Het vorenstaande leidt tot een bruto aandelenwaarde van € 2.217.229,-, gelet op:

  • -

    eigen vermogen 2.005.958

  • -

    herwaardering effecten 39.089

  • -

    herwaardering goodwill 225.000

  • -

    belastinglatentie herwaarderingen - 52.818
    2.217.229

3.8.7.

Op de bruto aandelenwaarde dient de latente belastingclaim ter zake aanmerkelijk belang (hierna: latente AB-claim) in aftrek te worden gebracht. Deze latente AB-claim wordt berekend op € 549.595,- (25% over [€ 2.217.229,- minus € 18.850,- zijnde het geplaatste aandelenkapitaal]).

3.8.8.

Uit het vorenstaande volgt een netto aandelenwaarde van € 1.667.634,- (de bruto aandelenwaarde van € 2.217.229,- minus de latente AB-claim van € 549.595,-).

De rechtbank zal als wijze van verdeling gelasten dat de aandelen in [naam bedrijf 1] aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting het bedrag van € 833.817,- (zijnde de helft van de nettowaarde van € 1.667.634,-) aan de vrouw te voldoen.

De rekening-courantschuld aan [naam bedrijf 1]

3.9.

Tussen partijen staat vast dat de rekening-courantschuld van de man aan [naam bedrijf 1] tot de inmiddels ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoort. Partijen zijn het er over eens dat de man deze schuld voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van de schuld aan de man te voldoen. Tussen partijen is in geschil van welke peildatum voor het bepalen van de omvang van de schuld moet worden uitgegaan. De man sluit aan bij de peildatum voor het waarderen van de aandelen in [naam bedrijf 1] , terwijl de vrouw stelt dat in redelijkheid uitgegaan moet worden van 31 december 2015, de datum van feitelijk uiteengaan van partijen.

3.10.

De rechtbank overweegt dat het stelsel van gemeenschap van goederen met zich brengt dat schulden die op de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap aanwezig zijn in de gemeenschap vallen tot het bedrag van die schuld op de datum van de ontbinding. Het standpunt van de vrouw dat uitgegaan moet worden van een eerdere datum vindt derhalve geen steun in het recht. Uit het door de man gestelde volgt niet dat de rekening-courantschuld ná datum ontbinding van de gemeenschap is opgelopen door kosten die ook de vrouw in redelijkheid dient te dragen. In hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank dan ook geen aanknoping om aan te sluiten bij een andere peildatum. Omdat het inleidende verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingekomen op 30 december 2016, is de gemeenschap per die datum ontbonden. Uit praktisch oogpunt ziet de rechtbank aanleiding om de rekening-courantschuld per

31 december 2016 (1 dag later) in aanmerking te nemen. Uit de berekening van [naam 1] die de vrouw op dit punt niet betwist, volgt dat per 31 december 2016 de hoogte van de rekening-courantschuld € 243.887,- bedroeg. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank bepalen dat de man jegens de vrouw verplicht is de rekening-courantschuld voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen, onder de verplichting voor de vrouw om het bedrag van € 121.944,- (de helft van € 243.887,-) aan de man te voldoen.

Conclusie

3.11.

Concluderend zal de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgemeenschap gelasten, zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.2. tot en met 3.10. is weergegeven. Hierbij moet in aanmerking genomen worden dat onweersproken vast staat dat de vrouw in het kader van de boedelscheiding al een bedrag van € 50.000,- van de man heeft ontvangen.

Onderhoudsbijdrage

3.12.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 6.496,80 per maand vast te stellen.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.13.

De rechtbank constateert dat uit het proces-verbaal van zitting van 5 februari 2018 volgt dat partijen 1 februari 2018 als ingangsdatum voor een eventueel op te leggen onderhoudsbijdrage zijn overeengekomen. Gelet hierop zal de partnerbijdrage, indien aan de orde, met ingang van die datum worden vastgesteld.

Behoefte

3.14.

De vrouw stelt haar huwelijksgerelateerde behoefte op tenminste € 6.496,80 bruto per maand, zijnde de door haar berekende draagkracht van de man.

3.15.

Ter zitting van 23 november 2018 voert de man aan dat het verzoek van de vrouw afgewezen dient te worden, omdat zij haar behoefte niet heeft aangetoond. De vrouw betwist dit en stelt dat de man niet eerder haar behoefte heeft betwist en in ieder geval tot het bedrag van € 2.933,- heeft erkend.

3.16.

De rechtbank stelt vast dat uit de procestukken niet valt op te maken dat de toenmalige advocaat van de man de door de vrouw gestelde behoefte aan een partner-bijdrage heeft betwist. In het verweer op zelfstandig verzoek (april 2017) is namens de man een draagkrachtverweer gevoerd en is limitering van de alimentatieduur verzocht, terwijl ook in latere processtukken geen behoefteverweer is gevoerd. De man verwijst naar hetgeen verklaard is op de zittingen van 7 juli 2017 en 5 februari 2018, maar ook uit de daarop betrekking hebbende aantekeningen/pleitnotities volgt geen gemotiveerde betwisting van de behoefte. De rechtbank acht het in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat er pas ruim anderhalf jaar nadat de vrouw het verzoek om een partnerbijdrage heeft ingediend en nadat er meerdere processtukken namens de man zijn ingediend en er twee zittingen zijn geweest, een behoefteverweer wordt gevoerd. Aan dit verweer wordt dan ook voorbij gegaan.

3.17.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw geen inkomsten heeft. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw vast op het bedrag van

€ 6.496,80 bruto per maand. Ter zitting van 23 november 2018 heeft de vrouw verklaard dat zij sinds maart 2018 naar Israël is geëmigreerd. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, maakt de rechtbank op dat partijen er vooralsnog van uitgaan dat de te ontvangen partnerbijdrage voor de vrouw in Israël onbelast en de door de man te betalen partner-bijdrage in Nederland aftrekbaar zullen zijn. Omdat partijen hierover nog geen definitief uitsluitsel hebben, heeft de vrouw ter zitting toegezegd de man te informeren zodra zij meer duidelijkheid heeft over de vraag of en zo ja, voor welk bedrag de partnerbijdrage bij haar belast is en heeft de man toegezegd dat hij de eventueel door de vrouw over haar partnerbijdrage verschuldigde belasting voor zijn rekening zal nemen, voor zover zijn draagkracht dit toelaat. Met inachtneming van het vorenstaande heeft de rechtbank berekend over welk netto bedrag de vrouw zou beschikken indien zij als Nederlands belasting-plichtige het bedrag van € 6.496,80 bruto per maand als belastbare periodieke uitkering zou ontvangen. Gelet op de overeengekomen ingangsdatum is gerekend met de tarieven 2018-1. Onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening resteert met inachtneming van de verschuldigde inkomensheffing en inkomensafhankelijke bijdrage ZVW een bedrag van € 3.570,- als netto besteedbaar inkomen per maand. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw - zolang zij in Israël woont en aldaar geen belasting verschuldigd is over te ontvangen partnerbijdrage - een behoefte heeft van € 3.570,- (netto) per maand.

De vrouw heeft ter zitting nog gesteld dat de levensstandaard in Israël hoger is dan in Nederland. Zij heeft deze stelling echter niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

Draagkracht

3.18.

De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.

3.19.

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport). Er wordt gelet op de overeengekomen ingangsdatum gerekend met de tarieven 2018-1.

3.19.1.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man op € 9.323,- per maand.

3.19.2.

Tussen partijen zijn de bij de man in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid in geschil. De vrouw stelt dat de man een verdiencapaciteit heeft van € 200.000,- bruto per jaar. De man gaat in zijn berekeningen uit van een bruto jaarsalaris van € 110.000,- (productie XV, bijlage 4) of van € 200.000,- (productie XV, bijlage 5) afhankelijk van de omstandigheid of de goodwill bij de waardering van de aandelen in [naam bedrijf 1] is betrokken.

3.19.3.

De rechtbank stelt voorop dat bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen acht geslagen dient te worden op de inkomsten die de alimentatieplichtige zich feitelijk verwerft, maar ook op de inkomsten die hij zich in redelijkheid kan verwerven. Ingeval een directeur-grootaandeelhouder ( DGA ) alimentatieplichtig is, gaat het bij de in aanmerking te nemen inkomsten niet alleen om zijn uit de onderneming genoten salaris, maar kan ook de in de vennootschap behaalde winst een rol spelen bij de draagkrachtberekening. De man erkent dat het hem in 2015 en 2016 toegekende bedrag aan salaris van € 84.000,- bruto per jaar omhoog bijgesteld dient te worden en rekent zelf met een salaris € 110.000,- of € 200.000,- bruto per jaar.

De rechtbank is van oordeel dat van de man verwacht kan worden dat hij zichzelf als DGA het bedrag van € 200.000,- bruto per jaar aan salaris toekent. Hierbij is het winstaandeel in de maatschap [naam maatschap] in aanmerking genomen. Uit de verklaringen van de man ter zitting volgt dat zijn winstaandeel in [naam maatschap] elk jaar meer dan € 200.000,- en in 2017 € 283.440,- bedroeg. De man heeft weliswaar verklaard dat hij verwacht dat het winstaandeel in 2018 lager is, maar hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat geen rekening dient te worden gehouden met de door de man gestelde en op de winst in aftrek te brengen kosten “afschrijving goodwill” van € 75.000,- en “pensioen” van € 70.000,-. Dat de man tijdens het huwelijk ervoor gekozen heeft om een gering pensioen op te bouwen, komt voor zijn rekening en risico (en eveneens voor rekening en risico van de vrouw als gevolg van de huwelijksgemeenschap van partijen). De wens van de man om in de toekomst een goed pensioen te gaan opbouwen, dient niet voor te gaan op zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. De afschrijving op goodwill behelst geen kostenpost, maar een fiscale mogelijkheid. De rechtbank volgt op dit punt [naam 2] , die in zijn reactie stelt dat de betaalde goodwill een activum van de vennootschap is, dat de vennootschap weer kan verzilveren bij uittreden c.q. overdracht. Omdat in de waardeberekening van de aandelen in de vennootschap geen rekening is gehouden met de contante waarde van de toekomstige resultaten die de waarde heeft verhoogd, is geen sprake van een dubbeltelling, zoals de man stelt.

3.19.4.

Rekening is gehouden met de door de man opgevoerde premies ten behoeve van de voor zichzelf getroffen pensioenvoorziening van € 5.732,- per maand jaar en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.979,- per jaar, omdat deze redelijk en fiscaal aftrekbaar zijn.

3.19.5.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man ( [adres 2] te Rotterdam) bedraagt € 2.535,- per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 1.365,- per jaar (0,70% van de WOZ-waarde van € 195.000,-) verminderd met de jaarlijkse onweersproken hypothecaire rentelast van € 3.900,-.

3.19.6.

De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende, niet betwiste maandelijkse lasten in mindering op het hiervoor berekende netto besteedbaar inkomen:

  • -

    Het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 992,-

  • -

    De door de man gestelde (forfaitaire) woonlasten van € 2.474,-. Tussen partijen staat vast dat de man op dit moment met een rentelast van € 325,- per maand in verhouding tot zijn inkomen een zeer lage woonlast heeft. Ter zitting heeft man gesteld dat hij wacht met het zoeken naar andere woonruimte totdat de echtscheiding is afgewikkeld en heeft de vrouw verklaard dat zij het redelijk acht dat een hogere woonlast bij de man in aanmerking wordt genomen. De rechtbank ziet aanleiding aan te sluiten bij de door de man in zijn berekening vermelde forfaitaire woonlast van € 2.474,- (inclusief de huidige woonlast, het forfait eigenaarslasten en verminderd met de gemiddeld basishuur van € 222,-), omdat deze neerkomt op ongeveer 30% van zijn netto besteedbaar inkomen.

  • -

    De ziektekosten van € 147,- per maand, bestaande uit de premie voor een zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, van € 150,-, verminderd met het reeds in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 35,- en vermeerderd met het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden van € 32,- per maand.

  • -

    De premies voor inkomensvoorzieningen van € 975,-.

Conclusie

3.20.

Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal

€ 4.588,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 4.735,- per maand resteert. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 2.841,- per maand. Hierop wordt in mindering gebracht de niet weersproken bijdrage ten behoeve van de jongmeerderjarige dochter van partijen van € 600,- per maand.

Dit betekent dat een draagkracht resteert van € 2.241,- netto per maand, hetgeen neerkomt op € 4.663,- bruto per maand. De draagkracht van de man overstijgt de hiervoor in 3.17. bepaalde netto behoefte van de vrouw.

3.21.

Het verzoek van de vrouw wordt toegewezen tot het bedrag van € 3.570,- netto per maand, welke uitkering tot levensonderhoud in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.17 is overwogen volgt dat als mocht blijken dat de vrouw in Israël belastingen verschuldigd is over dit bedrag, de man deze belastingen tot een bedrag van € 1.093,- (zijn draagkracht van € 4.663,- minus de netto alimentatie van € 3.570,-) voor zijn rekening dient te nemen.

Limitering

3.22.

De man verzoekt de partnerbijdrage te limiteren tot 1 januari 2023.

3.23.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.24.

De rechtbank wijst het verzoek tot limitering af. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden, in verband met het ingrijpende karakter van een limitering van de partnerbijdrage voor de onderhoudsgerechtigde, hoge eisen gesteld aan de stelplicht van degene die om limitering verzoekt alsmede aan de motivering van de rechter (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695). Een limitering houdt namelijk in dat de alimentatie-verplichting definitief eindigt. Hoewel van de vrouw gevergd kan worden dat zij zich inspant om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien, acht de rechtbank het te vroeg om daar op dit moment al een concrete termijn aan te verbinden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het, gezien de leeftijd van de vrouw (nu 56 jaar), het gebrek aan opleiding en de omstandigheid dat de vrouw vanwege de traditionele rolverdeling van partijen sinds aanvang van hun huwelijk al ruim 20 jaar niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, nu niet te verwachten is dat zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

Proceskosten

3.25.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met zaak- en rekestnummer C/10/541582 / FA RK 17-10605:

4.1.

wijst af het verzochte;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de zaak met zaak- en rekestnummers C/10/517871 / FA RK 16-11015 en C/10/523407 / FA RK 17-2454:

4.3.

bepaalt dat de man met ingang van 1 februari 2018 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 3.570,- netto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.4.

gelast de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen op de wijze als hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.2. tot en met 3.10 is weergegeven en met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.11. is weergegeven;

4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege, voorzitter, en mr. A. Lablans en mr. P.R. de Geus, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S. Jansen op 8 februari 2019.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.