Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1207

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
10/211040-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eigen waarneming rechtbank door middel van camerabeelden. Openlijke geweldpleging in vereniging. Significante en wezenlijke bijdrage door verdachte. Herkenning verdachte door verbalisanten betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/211040-18

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet, te Rotterdam,

raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

De volgende feiten en omstandigheden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen naar voren gekomen.

De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting camerabeelden bekeken. Deze beelden zijn op 3 september 2018 tussen 20.25 uur en 20.55 uur gemaakt op de openbare weg, de Slinge te Rotterdam. De rechtbank heeft waargenomen dat drie personen in beeld komen die op het trottoir lopen. Het latere slachtoffer en twee manspersonen, die hierna zullen worden aangeduid als verdachte 1 en verdachte 2. Te zien is dat er een woordenwisseling of discussie gaande is tussen het slachtoffer en die beide verdachten. De verdachten bewegen voortdurend om het slachtoffer heen.

Verdachte 1 maakt een slaande beweging in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Verdachte 2 neemt een gevechtshouding aan en schopt of trapt meerdere malen in de richting van het lichaam van het slachtoffer.

Vervolgens stapt een man uit een verderop geparkeerde auto (hierna: verdachte 3) en voegt zich bij het groepje van het slachtoffer en de verdachten 1 en 2. Verdachte 3 pakt de arm van het slachtoffer vast en trekt het slachtoffer naar zich toe. Alle verdachten blijven om het slachtoffer heen bewegen. Verdachte 2 blijft schoppen of trappen in de richting van het slachtoffer. Verdachte 2 schopt op enig moment dusdanig hard dat het slachtoffer als gevolg hiervan naar achteren valt en tegen de winkelruit aan komt. Hierna is te zien dat er nog twee personen uit de geparkeerde auto stappen (hierna: verdachten 4 en 5) en in de richting van het slachtoffer en de andere verdachten lopen. Alle verdachten dringen zich op aan het slachtoffer en sluiten hem in.

Op enig moment rent het slachtoffer van het trottoir de rijbaan op, waarbij hij wordt achtervolgd door alle verdachten. Vervolgens is op de beelden te zien dat het slachtoffer wordt ingehaald door de verdachten en dat er vanuit de groep van de verdachten wordt geschopt of getrapt in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer komt ten val op de rijbaan. Terwijl het slachtoffer op de grond ligt, wordt hij meerdere keren geschopt of getrapt.

Openlijke geweldpleging in vereniging

De rechtbank stelt voorop dat iemand die deel uitmaakt van een groep van waaruit geweld wordt gepleegd, strafrechtelijk (ook) aansprakelijk kan worden gehouden voor het geweld dat door andere leden van die groep wordt gepleegd. Het gaat dan om het ‘in vereniging’ plegen van geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is echter niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Voor een bewezenverklaring daarvan is immers vereist dat de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het groepsgeweld en of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het groepsgeweld van voldoende gewicht is. Daarbij behoeft deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard te zijn. Evenmin is vereist dat wordt vastgesteld welke persoon uit de groep welke geweldshandelingen heeft gepleegd.

Gelet op de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de handelingen die jegens het slachtoffer zijn verricht kunnen worden gezien als een aaneengesloten samenstel van handelingen die in één en dezelfde vechtpartij zijn verricht. Hieraan heeft iedere hierboven genoemde verdachte een significante en wezenlijke bijdrage geleverd door zich te mengen in het geweld dat tegen het slachtoffer plaatsvond. Geen van de verdachten heeft de-escalerend opgetreden of zich van het geweld gedistantieerd. In tegendeel: Ieder van hen heeft zich in ieder geval opgedrongen aan het slachtoffer en hem achtervolgd toen hij de rijbaan op vluchtte.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Alle hierboven genoemde verdachten hebben zich daarmee schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte deel uitmaakte van de groep verdachten die zich schuldig heeft gemaakt aan de hiervoor omschreven openlijke geweldpleging in vereniging.

Standpunt verdachte en verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij niet aanwezig is geweest bij de openlijke geweldpleging en dat hij dus niet te zien is op de beelden. Volgens de verdediging zijn de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] niet betrouwbaar. Daartoe is aangevoerd dat de beelden ook door andere verbalisanten zijn bekeken, maar dat die de verdachte niet hebben herkend, terwijl zij de verdachte wel kennen. Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft bovendien niet gerelateerd dat hij de verdachte voor 100% heeft herkend, in tegenstelling tot zijn herkenning van andere verdachten. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat verbalisant [naam verbalisant 2] niet heeft gerelateerd waar hij de verdachte van zou kennen en waarop zijn herkenning gebaseerd zou zijn.

Beoordeling

De verdenking dat de verdachte één van de daders van de openlijke geweldpleging is geweest, is gebaseerd op de processen-verbaal van herkenning van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , die de verdachte op de camerabeelden hebben herkend als de verdachte die hiervoor als verdachte 4 is aangeduid.

Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt temeer indien de herkenning het voornaamste bewijsmiddel vormt, zoals in casu het geval is. De herkenning van een persoon op beeld kan, in het algemeen gesproken, plaatsvinden op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen. Wetenschappers hebben aangetoond dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch, in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces (vgl. Hof Amsterdam, 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1632).

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor omschreven camerabeelden van goede kwaliteit zijn. Op enig moment is het gehele gezicht van verdachte 4 goed zichtbaar. De rechtbank acht de beelden van voldoende kwaliteit om daar een herkenning op te kunnen baseren, zeker als de herkenner de betreffende persoon op de beelden kent. In dat verband merkt de rechtbank ten overvloede op dat ook medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij de personen op de beelden allemaal herkent.

Zoals gezegd is van belang hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter iemand een verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang.

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij als wijkagent van [naam wijk] en in het verleden als High Impact coördinator de verdachte al een aantal jaren kent. Hij heeft de verdachte regelmatig in de wijk [naam wijk] zien lopen.

De verdachte maakt deel uit van de ‘Metropleingroep’ die hij vanaf 2014 monitort. Verbalisant kent de verdachte goed vanuit zijn dagelijkse werkzaamheden.

Verbalisant [naam verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij al jaren met de verdachte te maken heeft. Hij ziet hem in de wijk [naam wijk] waar hij als wijkagent werkzaam is. Verder is hij bij diverse strafrechtelijke zaken en reclasseringstoezichten met de verdachte in aanraking geweest. De verdachte is woonachtig in de wijk [naam wijk] .

Van feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden maken, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht de herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] betrouwbaar, gezien de kwaliteit van de camerabeelden en gezien de voornoemde ontmoetingen die hij met de verdachte in zijn dagelijkse werkzaamheden heeft gehad. Dat de verbalisant niet heeft vermeld dat hij de verdachte voor 100% heeft herkend doet hier niets aan af. Bovendien wordt deze herkenning ondersteund door de herkenning door de verbalisant [naam verbalisant 2] , die eveneens betrouwbaar wordt geacht door de rechtbank. Ook ten aanzien van deze herkenning geldt de kwaliteit van de beelden en de gestelde ontmoetingen van de verbalisant met de verdachte.

Aan deze herkenningen komt dan ook voldoende bewijskracht toe om vast te kunnen stellen dat de verdachte degene is die als verdachte 4 is aangeduid. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de (kant van de) verdachte om een herkenningsdeskundige te benoemen niet volgen.

Conclusie

Het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank de conclusie op dat het aan de verdachte ten laste gelegde feit bewezen is.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 3 september 2018 te Rotterdam

openlijk, te weten, op of aan de openbare weg de Slinge,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het

- zich opdringen aan en/of insluiten/achtervolgen van die [naam slachtoffer]

en

- ( met kracht) slaan/stompen naar/in de richting van het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] en

- ( met kracht) schoppen/trappen naar/in de richting van en op/tegen

het lichaam en hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] (als gevolg waarvan die

[naam slachtoffer] ten val is gekomen en/of terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag/zat).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De groep waartoe de verdachte behoorde heeft het slachtoffer ingesloten en vervolgens geschopt of getrapt, zelfs toen het slachtoffer door het geweld ten val was gekomen op de rijbaan. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid zowel bij het directe slachtoffer als bij omstanders die van het geweld ongewild getuige hebben moeten zijn. Dergelijk handelen leidt bovendien tot verontwaardiging in de samenleving.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

9 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten waarbij geweld een rol speelde.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 december 2018. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Geadviseerd wordt aan de verdachte verplicht reclasseringscontact op te leggen, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden.

De verdachte heeft zich op de terechtzitting niet uitgelaten over een eventuele bereidheid om mee te werken aan reclasseringsbegeleiding.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Hoewel de reclassering verplicht reclasseringscontact en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank dit niet opleggen, nu de rechtbank geen aanleiding ziet voor een voorwaardelijk strafdeel, temeer nu niet is gebleken dat de verdachte gemotiveerd is om met de reclassering aan de slag te gaan.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van hierna te noemen duur passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. R. Brand en T. van den Akker, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 3 september 2018 te Rotterdam

openlijk, te weten, op of aan de openbare weg de Slinge,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het

- zich opdringen aan en/of insluiten/achtervolgen van die

[naam slachtoffer]

en/of

- ( met kracht) slaan/stompen naar/in de richting van en/of op/tegen het

lichaam en/of het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] en/of

- ( met kracht) schoppen/trappen naar/in de richting van en/of op/tegen

het lichaam en/of hoofd/gezicht van die (als gevolg waarvan die

[naam slachtoffer]

ten val is gekomen en/of terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag/zat).