Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1185

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
ROT 18/2118
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De in bezwaar gehandhaafde intrekking van de vergunning voor advisering en/of bemiddeling heeft AFM gebaseerd op artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder m, van de Wft. Op grond van die bepaling kan AFM de vergunning intrekken indien de vergunninghouder niet voldoet aan de verplichting tot betaling van een heffing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht.

De rechtbank is van oordeel dat AFM bij de herbeoordeling van het primaire besluit geen acht heeft hoeven slaan op de betalingen die eiser heeft gedaan nadat het primaire besluit was genomen. Het uitgangspunt van een volledige herbeoordeling strekt niet zover dat bij handhavingsbesluiten zoals hier aan de orde het opheffen van de tekortkoming hangende bezwaar afdoet aan de grondslag daarvan en moet leiden tot een herroeping daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/2118

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

gemachtigde: mr. A.H.H.M. Roelofs,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), verweerster,

gemachtigde: mr. G.A. Geleijnse.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft AFM het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 december 2017 (primaire besluit), dat strekt tot intrekking van de van de vergunning van eiser als bedoeld in artikel 2:75 en/of artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (Wft), ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 30 mei 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep wegens het niet tijdig indienen van gronden niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft op 14 november 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb (ECLI:NL:RBROT:2018:9272) het verzet gegrond verklaard, waarna het onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

AFM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J. Wassink. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De in bezwaar gehandhaafde intrekking van de vergunning voor advisering en/of bemiddeling heeft AFM gebaseerd op artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder m, van de Wft. Op grond van die bepaling kan AFM de vergunning intrekken indien de vergunninghouder niet voldoet aan de verplichting tot betaling van een heffing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht.

AFM heeft aan haar besluitvorming feitelijk ten grondslag gelegd dat eiser aan hem door AFM opgelegde heffingen over de periode 2008 tot en met 2016 voor een totaalbedrag van € 7.795,- niet had voldaan.

2. Eiser heeft niet betwist dat hij heffingen niet heeft voldaan, maar hij heeft aangevoerd dat hij hangende bezwaar in december 2017 een bedrag van € 3.000,- heeft voldaan en in januari 2018 het resterende deel van de vordering (voor zover die door hem niet is betwist) heeft voldaan. Volgens eiser zou daarmee in het kader van de heroverweging ex nunc acht op geslagen moeten worden. Verder meent eiser dat AFM onduidelijk is geweest in haar correspondentie, dat AFM een te hoog bedrag aan rente in rekening heeft gebracht en dat AFM bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat hij alle heffingen destijds al heeft voldaan in het kader van een betalingsregeling.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. Uit de stukken volgt dat eiser over de periode 2008 tot en met 2016 forse achterstanden heeft laten ontstaan op de door hem verschuldigde heffingen met het oog op het toezicht door AFM. Een groot deel van deze volgens AFM inmiddels onherroepelijke heffingen ziet op heffingen uit hoofde van de Wet bekostiging financieel toezicht, die in werking trad op 1 januari 2013. Gelet hierop kwam AFM de bevoegdheid toe om de vergunning van eiser in te trekken. Dat AFM bij het bestreden besluit heeft erkend dat

€ 325,06 teveel aan samengestelde wettelijke rente is berekend en zij daarmee de openstaande vordering heeft verminderd doet daar niet aan af.

5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat AFM bij de herbeoordeling van het primaire besluit geen acht heeft hoeven slaan op de betalingen die eiser heeft gedaan nadat het primaire besluit was genomen. Het uitgangspunt van een volledige herbeoordeling strekt niet zover dat bij handhavingsbesluiten zoals hier aan de orde het opheffen van de tekortkoming hangende bezwaar afdoet aan de grondslag daarvan en moet leiden tot een herroeping daarvan (vgl. ABRvS 3 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW7324 en CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI7113). Daar komt bij dat niet in geschil is dat door eiser tot op heden niet het gehele verschuldigde bedrag is voldaan. Dat partijen twisten over de precieze hoogte van het nog verschuldigde bedrag doet daar niet aan af.

6. Uit de stukken blijkt verder dat AFM bij de aanwending van die bevoegdheid niet over één nacht ijs is gegaan. Zo heeft AFM meermaals uitstel tot betaling verleend, heeft zij betalingsregelingen getroffen die eiser niet (volledig) is nagekomen en heeft zij ook diverse pogingen gedaan om tot invordering te komen, tot een succesvolle gang naar de burgerlijke rechter toe (Rb. ’s-Hertogenbosch 29 november 2012, zaaknummer 833740). Voorts is eiser meerdere keren – laatstelijk bij aangetekende brief van 1 juni 2017 – gemaand heffingen te voldoen, waaronder heffingen die zijn opgelegd op basis van de Wet bekostiging financieel toezicht. Dat bij eiser een gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat hij volledig aan zijn verplichtingen had voldaan kan de rechtbank dan ook niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank handelt AFM daarom niet in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende evenredigheidsbeginsel door de vergunning in te trekken (zie ook Rb. Rotterdam 9 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5646).

7. Het beroep is ongegrond.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling naast de eerdere proceskostenveroordeling in de uitspraak inzake het verzet.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 19 februari 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.