Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:1150

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
6030336 CV EXPL 17-18953
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huur bedrijfsruimte, matiging boetebeding, artikel 6:94 lid 1 BW, vordering advocaatkosten op grond van beding eveneens toewijsbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2019/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 6030336 CV EXPL 17-18953

Uitspraak: 22 februari 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] , hierna: ‘ [eiseres 1] ’,

gevestigd te Den Haag,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 10 mei 2017, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. I.R. Köhne te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

tegen

de vennootschap naar Deens recht

[gedaagde] , hierna: ‘ [gedaagde] ’,

gevestigd te Aarhus (Denemarken),

gedaagde, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. D.W.J. van Sikkelerus te Rotterdam.

1 Het (verdere) verloop van de procedure

1.1

Het (verdere) procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    het vonnis van 12 oktober 2018 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de brief van 20 november 2018 van de gemachtigde van [eiseres 1] , met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 28 november 2018 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de brief van 11 december 2018 van de gemachtigde van [eiseres 1] .

1.2

De kantonrechter heeft de datum voor deze uitspraak (nader) bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

in reconventie

2.1

Onder rechtsoverweging 2.14 van het vonnis van 15 juni 2018 werd reeds beslist dat de (tegen)vordering van [eiseres 2] wordt afgewezen. Die beslissing wordt hierna in het dictum tot uitdrukking gebracht.

in conventie

huurachterstand

2.2

Bij genoemde brief van 20 november 2018 is van de zijde van [eiseres 1] een actueel overzicht van de huurstand in het geding gebracht. Daaruit blijkt van een huurachterstand (voor kantoorruimtes A en B gezamenlijk) van € 97.520,31 berekend tot en met het derde kwartaal (Q3) van 2018. Ter comparitie van partijen is namens [eiseres 1] ter zake nog opgemerkt dat de huur voor het vierde kwartaal van 2018 door [gedaagde] is betaald.

2.3

In reactie hierop heeft [gedaagde] de juistheid van genoemd bedrag aan huurachterstand ‘op zich’ (de kantonrechter begrijpt: omdat zij zich niet kan verenigen met het in het vonnis van 15 juni 2018 gegeven oordeel dat in deze procedure -na bewijslevering- is komen vast te staan dat bij de bespreking van 28 september 2016 tussen partijen werd vastgesteld dat de huur met betrekking tot kantoorruimte B is gaan meelopen met de termijn waarvoor de huurovereenkomst met betrekking tot kantoorruimte A werd aangegaan) erkend. Genoemd bedrag aan huurachterstand is dan ook toewijsbaar.

2.4

Ook de vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen, waartegen [gedaagde] zich ook niet (afzonderlijk) heeft verzet, is toewijsbaar, als hierna gemeld.

servicekostenafrekening

2.5

Het door [eiseres 1] jegens [gedaagde] gevorderde bedrag van € 14.836,35 ter zake van de servicekostenafrekening over 2016 is door [gedaagde] evenmin bestreden. Ook dit deel van het gevorderde wordt daarom toegewezen.

boete

2.6

[eiseres 1] maakt voorts aanspraak op de contractuele boete van artikel 18.2 van de algemene voorwaarden (productie 1 bij dagvaarding), zowel over de huurachterstand als over het bedrag van de servicekostenafrekening. Dit boetebeding luidt als volgt:

Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingegane maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.

2.7

Uit het hiervoor onder 2.2 genoemde overzicht blijkt dat toepassing van dit beding hier met zich brengt dat [gedaagde] per november 2018 een bedrag van € 85.528,52 aan boete voor de onbetaald gelaten huur is verschuldigd en voorts een bedrag van € 3.000,- voor de onbetaald gelaten afrekening servicekosten. [gedaagde] heeft de juistheid van die bedragen als zodanig niet bestreden, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

2.8

Zij heeft ter zake onder meer aangevoerd dat de algemene voorwaarden, en dus ook het boetebeding, niet van toepassing zijn op de allonge. Daarin kan de kantonrechter [gedaagde] echter niet volgen. In artikel 8 van de allonge (zie 2.3 van het vonnis van 6 oktober 2017) is immers opgenomen: “Voor zover in deze allonge niet is afgeweken, blijven alle bepalingen en voorwaarden van vigerende huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder, ingegaan op 1 mei 2015, onverkort van kracht.” en gesteld noch gebleken dat in de allonge op het punt van het boetebeding is afgeweken. Daarbij komt dat ter comparitie van partijen van 25 augustus 2017 zijdens [gedaagde] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden (en daarmee ook van het boetebeding) (nu juist) werd onderschreven (zie pagina 3, tweede alinea, van het daarvan opgemaakte proces-verbaal): “De allonge is een document ter vastlegging van de afspraken (…). De algemene bepalingen zijn hetzelfde, met dien verstande (…)”. Gezien dit alles wordt het verweer van [gedaagde] in zoverre verworpen.

2.9

Daarnaast heeft [gedaagde] (subsidiair) een beroep op matiging gedaan. Voor wat betreft de ter zake van de afrekening servicekosten 2016 berekende boete heeft zij zich op het standpunt gesteld dat die boete tot nihil moet worden gematigd omdat zij de betreffende factuur heeft betwist en verzocht heeft om een gedeeltelijke creditnota, dit omdat wat haar betreft de huur van kantoorruimte B al per 1 oktober 2016 was geëindigd. In dat verband heeft [gedaagde] gewezen op de door haar bij akte van 6 september 2018 overgelegde e-mail. Voor wat betreft de over de huurachterstand berekende boete is het zo dat zij dat standpunt (dat die huur al was geëindigd) bij herhaling aan [eiseres 1] heeft kenbaar gemaakt en haar ook heeft verzocht om een specificatie zodat zij het juiste bedrag voor de huur van (enkel) kantoorruimte A kon overmaken. Op dat verzoek werd echter niet ingegaan. In dit geval zou onverkorte toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leiden. In dat verband is van belang dat uit niets blijkt dat [eiseres 1] daadwerkelijk schade heeft geleden, dat partijen verwikkeld waren in een (deze) gerechtelijke procedure over de vraag of de huur van kantoorruimte B nog voortduurde, dat er een wanverhouding bestaat tussen de wettelijke rente van 8% per jaar en de gevorderde boete van 62% van de hoofdsom, dat de boete hier niet als prikkel tot nakoming geldt maar puur punitief van karakter is, dat aan de boete geen maximum is verbonden en dat in dit geval abusievelijk verouderde ROZ-voorwaarden zijn gehanteerd, die uitgaan van een boete van 2% per maand, terwijl in de op 30 januari 2015 vastgestelde ROZ-voorwaarden de boete is verlaagd naar 1% per maand. Aldus [gedaagde] . In reactie hierop heeft [eiseres 1] betoogd dat de gevorderde boete haar hier (wel degelijk) onverkort toekomt.

2.10

De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 6:94 lid 1 BW de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, op verlangen van de schuldenaar de bedongen boete kan matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan schadevergoeding op grond van de wet. Deze bevoegdheid dient de rechter terughoudend te hanteren. Matiging is alleen dan aan orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Ook kan bij de beoordeling gewicht worden toegekend aan de hoedanigheid van partijen en aan de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam.

2.11

Gegeven dat toetsingskader stelt de kantonrechter voorop dat de hier aan de orde zijnde huurbetrekking tot stand is gekomen tussen twee professionele partijen. Daarbij hebben zij voor wat betreft de toepasselijke algemene voorwaarden gebruik gemaakt van het model dat in juli 2003 werd vastgesteld door de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ), welk model was bedoeld om te worden gebruikt bij tal van huurovereenkomsten met betrekking tot de huur en verhuur van kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. Dat [eiseres 1] , naar [gedaagde] heeft gesteld, per abuis dit oude model heeft gebruikt in plaats van het in 2015 vastgestelde model, is door [eiseres 1] betwist en blijkt overigens ook uit niets, terwijl [gedaagde] aan die stelling bovendien geen juridische consequenties heeft verbonden.

2.12

Voorts overweegt de kantonrechter dat hoewel het uiteraard niet zo kan zijn dat een huurder de (mate van) verschuldigdheid van de boete zelf in de hand kan nemen enkel door een principieel standpunt in te nemen ten aanzien van de hoofdverplichting, het hier wel zo is dat de standpunten van partijen ten aanzien van het al dan niet doorlopen van de huur voor kantoorruimte B, en daarmee ten aanzien van de omvang van de betalingsverplichting van [gedaagde] , al geruime tijd diametraal tegenover elkaar staan. Eind 2016 heeft [gedaagde] immers reeds formeel jegens [eiseres 1] het standpunt kenbaar gemaakt dat wat haar betreft de huur voor kantoorruimte B per oktober 2016 was geëindigd en vanaf 10 mei 2017 is dat de principiële inzet van deze procedure geweest. Daarbij merkt de kantonrechter overigens op dat bepaald niet gebleken is dat [gedaagde] dat standpunt op volstrekt onredelijke gronden betrokken heeft, in verband waarmee de kantonrechter erop wijst dat haar standpunt eerst na bewijslevering werd gepasseerd. Gaandeweg deze substantiële periode heeft het beding naar het oordeel van de kantonrechter aan karakter ingeboet, daar waar het beding zou moeten fungeren als een prikkel tot nakoming van de betalingsverplichting van [gedaagde] jegens [eiseres 1] . De omvang van die verplichting was nu immers inzet van het onderhavige geschil.

2.13

Het gevolg van dit alles is echter (wel) dat de boete waarop [eiseres 1] volgens het, niet-gemaximeerde, boetebeding aanspraak maakt, is inmiddels opgelopen tot een substantieel bedrag van € 88.528,52 (voor de onbetaald gelaten huur en de afrekening servicekosten samen), terwijl de (totale) betalingsachterstand per november 2018 € 112.536,66 beloopt.

2.14

Voorts komt de kantonrechter een boete van 2% per maand, omgerekend bijna 27% per jaar, bepaald fors voor, zeker bezien in verhouding tot de in 2015 (ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst) geldende handelsrente van 8,05%, waarbij gesteld noch gebleken is dat partijen (afzonderlijk) hebben gesproken over (de reden voor) zulk een afwijking. Ook weegt voor de kantonrechter mee dat, naar [gedaagde] te berde heeft gebracht, in het ROZ-model zoals dat is vastgesteld enkele maanden voordat partijen de huurovereenkomst met elkaar aangingen, de boete werd verlaagd naar 1% per maand, omgerekend 12,7% per jaar, een percentage dat bepaald dichter ligt bij de op grond van de wet verschuldigde schadevergoeding van 8,05% per jaar. [eiseres 1] heeft overigens ook niet aangevoerd dat de door haar werkelijk geleden schade als gevolg van de uitblijvende betaling van [gedaagde] meer heeft bedragen dan dat.

2.15

Op basis van dit alles, ook in onderling verband beschouwd, komt de kantonrechter tot het oordeel dat onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, niet in zulk een mate dat het beding geheel buiten toepassing moet worden gelaten, maar wel in zulk een mate dat het dient te wordt gematigd omdat de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de kantonrechter het in het ROZ-model van 2015 gehanteerde percentage van 1% per (gedeelte van een) maand, met een minimum van € 300,- per maand, passend voor. In die zin wordt de gevorderde boete dan ook toegewezen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat dit voor wat betreft de tot en met de maand november 2018 vervallen boete betekent dat toewijsbaar is (€ 85.528,52 / 2 + € 3.000,-) € 45.764,26.

in conventie en in reconventie

(buiten)gerechtelijke kosten

2.16

Voorts maakt [eiseres 1] jegens [gedaagde] , naast vergoeding van de voor deze procedure gemaakte explootkosten en het betaalde griffierecht, aanspraak op vergoeding van de door haar met betrekking tot deze kwestie gemaakte advocaatkosten, dit op basis van artikel 17.1 van de toepasselijke voorwaarden. Dit artikellid luidt als volgt:

“In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten – aan verhuurder te voldoen.

De gemaakte kosten worden bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door gerechtsdeurwaarders wordt gehanteerd.”

Het gaat, zo is namens [eiseres 1] ter comparitie van partijen van 28 november 2018, onder verwijzing naar de door haar gemachtigde bij brief van 20 november 2018 als productie 18 overgelegde declaratie, naar voren gebracht, om een bedrag van € 13.942,92 exclusief btw (welke btw ook niet (meer) wordt gevorderd).

2.17

[gedaagde] heeft zich tegen deze vordering verzet. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in een procedure als deze geen plaats is voor een reële proceskostenkostenveroordeling, terwijl in genoemd artikellid ook niet specifiek is vermeld dat de advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit artikellid ziet meer op griffierecht en explootkosten. Daarnaast is het zo dat nu [eiseres 1] een blanco urenspecificatie heeft overgelegd, voor [gedaagde] niet te controleren is of de tijdsbesteding redelijk is en door wie de uren zijn besteed. In ieder geval vallen de werkzaamheden besteed aan de procedure in reconventie niet onder de werking van deze bepaling, nu dat een vordering van [gedaagde] , en niet van [eiseres 1] , betreft. De hoogte van de uurtarieven komen bovendien niet redelijk voor en ook daarom is matiging tot nihil, althans tot het toepasselijke liquidatietarief, op zijn plaats. Aldus [gedaagde] .

2.18

De kantonrechter kan [gedaagde] niet volgen in haar standpunt dat voormeld artikellid ‘meer ziet op griffierecht en explootkosten’. Immers, indien dat werkelijk de strekking van dit artikellid zou zijn, was het immers bepaald zinledig dit in de algemene voorwaarden op te nemen omdat die verschotten in een procedure als deze op de voet van artikel 237 Rv sowieso al voor rekening van de in het ongelijk gestelde partij zouden komen. Uit de tekst hiervan blijkt nu juist dat de strekking ervan is dat de verhuurder de kosten die hij heeft moeten maken buiten rechte danwel in rechte om nakoming van de huurovereenkomst af te dwingen, integraal op de huurder kan verhalen. Overigens staat het recht partijen ook toe een dergelijke, van de wettelijke regeling omtrent (de vergoeding van) buitengerechtelijke kosten en proceskosten afwijkende, afspraak te maken.

2.19

Op grond van artikel 242 Rv is de kantonrechter bevoegd om bedongen proceskosten en buitengerechtelijke kosten (zoals hier) te matigen teneinde deze binnen redelijke grenzen te kunnen houden, waarom [gedaagde] subsidiair ook heeft verzocht. Bij de beoordeling van de vraag of matiging hier op zijn plaats is, stelt de kantonrechter vast dat volgens voormelde declaratie een kleine 59 uur (declarabel) door de gemachtigde(n) van [eiseres 1] aan deze kwestie werd besteed, waarvan 52 uur tegen een uurtarief van € 260,- exclusief btw en het restant tegen een uurtarief van € 66,- exclusief btw. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze tarieven voor een kwestie als deze niet buitensporig of bovenmatig te noemen.

2.10

Ook het aantal van 59 uur komt de kantonrechter, hoewel een specificatie van de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden ontbreekt, niet buitensporig of bovenmatig voor. In dat verband is van belang dat, afgezien nog van de uit de processtukken gebleken (buitengerechtelijke) werkzaamheden van de gemachtigde van [eiseres 1] voorafgaand aan deze procedure en van meer ondergeschikte proceshandelingen, deze een dagvaarding heeft opgesteld en vervolgens een conclusie van antwoord in reconventie, waarna een eerste comparitie van partijen heeft plaatsgehad op 25 augustus 2017. Vervolgens heeft een enquête plaatsgehad op 11 december 2017 en een contra-enquête op 20 maart 2018, waarbij de gemachtigde van [eiseres 1] steeds aanwezig is geweest, waarop een conclusiewisseling (na enquête) en een aktewisseling is gevolgd. Tot slot heeft op 28 november 2018 een volgende comparitie van partijen plaatsgehad.

2.11

Gezien al die (buiten)gerechtelijke inspanningen van de gemachtigde van [eiseres 1] , waarvan niet gezegd kan worden dat die nodeloos zijn gemaakt, komt een aantal van (nog geen) 59 (declarabele) uren de kantonrechter bepaald niet onredelijk of buitensporig voor. Daarbij ziet de kantonrechter, anders dan [gedaagde] , geen aanleiding een onderscheid te maken tussen de procedure in conventie en die in reconventie, nu het door [gedaagde] in reconventie gevorderde is voortgevloeid uit haar verweer in conventie en ter zake geen of nauwelijks een afzonderlijk inhoudelijk debat heeft plaatsgehad. Tot slot komt de door [eiseres 1] gevorderde vergoeding van € 13.942,92 de kantonrechter, gelet op de hoogte van de in conventie toewijsbaar gebleken bedragen, ook niet disproportioneel voor. Dit bedrag wordt hierna dan ook toegewezen.

2.12

Dat betekent ook dat voor wat betreft de proceskosten in conventie slechts nog hoeft te worden over de verschotten. Die dienen, op de voet van artikel 237 Rv, door [gedaagde] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden vergoed. Ook de ter zake gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) is toewijsbaar.

2.13

Omdat [gedaagde] ook in reconventie de in het ongelijk gestelde partij is, dient zij ook te worden veroordeeld in de (overige) kosten van de procedure in reconventie. Gelet op het hiervoor onder 2.11 overwogene worden deze aan de zijde van [eiseres 1] begroot op nihil.

2.14

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

3 De beslissing

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres 1] te betalen € 97.520,31 aan huurachterstand berekend tot en met het vierde kwartaal (Q4) van 2018, vermeerderd met een boete van 1% van het verschuldigde per betaalperiode, per (huur)termijn per maand of gedeelte van een maand, met een minimum van € 300,- per (huur)termijn per maand of gedeelte van een maand, vanaf 1 december 2018 tot aan de dag(en) der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 januari 2019 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres 1] te betalen € 44.240,99 per kwartaal aan huur (jaarlijks te vermeerderen met de contractuele indexering per 1 mei, voor het eerst per 1 mei 2019) tot het moment dat de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met een boete van 1% van het verschuldigde per betaalperiode, per (huur)termijn per maand of gedeelte van een maand, met een minimum van € 300,- per (huur)termijn per maand of gedeelte van een maand, vanaf de vervaldata van de respectievelijke (huur)termijnen tot aan de dag(en) der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres 1] te betalen € 14.836,35 ter zake van de servicekostenafrekening over 2016, vermeerderd met de contractuele boete van € 300,- per maand of gedeelte daarvan, vanaf 1 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres 1] te betalen € 42.764,26 aan tot en met de maand november 2018 vervallen boetes;

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres 1] te betalen € 13.942,92 aan advocaatkosten;

- veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres 1] € 85,21 aan explootkosten en € 939,- aan griffierecht te vergoeden, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na heden tot de dag der algehele voldoening, én indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 75,- aan nasalaris, te verhogen met € 68,- aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde;

in reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres 2] in de (overige) kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654