Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:114

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
C/10/546032 / HA ZA 18-232
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident met pakketbezorger. Bewijsopdracht ter zake van mishandeling door klant. Aansprakelijkheid werkgever op grond van art. 7:658 BW? Werkgever moet op grond van art. 22 Rv stukken in het geding brengen om aan te tonen dat aan zorgplicht is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0118
PS-Updates.nl 2019-0141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/546032 / HA ZA 18-232

Vonnis van 16 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. M. Karel te Capelle aan den IJssel,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.C.E. van den Hoek te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DHL PARCEL (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

3. de vennootschap naar buitenlands recht

AIG EUROPE LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

h.o.d.n. AIG EUROPE NETHERLANDS,

kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaten mrs. D.J. van der Kolk en R. Rutten te Rotterdam.

Eiseres zal hierna als [eiseres] worden aangeduid. Gedaagden zullen hierna tezamen – in vrouwelijk enkelvoud – worden aangeduid als [gedaagde] c.s. en afzonderlijk als [gedaagde] (gedaagde sub 1), DHL (gedaagde sub 2) en AIG (gedaagde sub 3).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 februari 2018, met 15 producties,

  • -

    de conclusie van antwoord namens [gedaagde] , met vijf producties,

  • -

    de conclusie van antwoord (inhoudende een beroep op niet-ontvankelijkheid) namens DHL en AIG, met één productie,

  • -

    de incidentele conclusie tot (primair) rectificatie, (subsidiair) oproeping van verzekerde (ex artikel 7:954 lid 6 BW) namens [eiseres] , met producties 16 tot en met 18,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident namens DHL en AIG,

  • -

    het vonnis in incident van 20 juni 2018,

  • -

    de conclusie van antwoord namens DHL en AIG, zonder producties,

  • -

    de brief van [eiseres] van 15 november 2018, waarbij een aanvulling op productie 7 is overgelegd,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2018, waarbij namens [eiseres] pleitaantekeningen zijn overgelegd,

  • -

    de brief van 13 december 2018 van [eiseres] , waarbij productie 16 is overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is in de periode van 5 oktober 2015 tot 1 juni 2016 in de functie van koerier c.q. afroepbesteller (a-besteller) in dienst geweest van DHL. De werkzaamheden van [eiseres] bestonden onder meer uit het bezorgen en terughalen van DHL-pakketten bij particulieren thuis.

2.2.

In verband met deze werkzaamheden diende [eiseres] op 15 december 2015 een pakketje bij [gedaagde] af te leveren aan de [adres delict] te Rotterdam. Hierbij is tussen [eiseres] en [gedaagde] een incident voorgevallen. Als gevolg van het incident heeft [eiseres] letselschade opgelopen. [eiseres] is direct na het incident naar de spoedeisende hulp gegaan.

2.3.

In het proces-verbaal van de politie Rotterdam van 15 december 2015 staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

Opmerkingen/relaas verbalisant

Op dinsdag 15 december 2015 werd [gedaagde] als verdachte ter zake mishandeling aangehouden. Even daarvoor hadden politiemedewerkers een melding ontvangen dat twee vrouwen aan het vechten waren geweest op de parkeerplaats.

Ter plaatse spraken zij met een vrouw, die bleek benadeelde [eiseres] te zijn. Zij zagen dat [eiseres] een bult op haar voorhoofd had en zagen zij losse plukken haar. [eiseres] verklaarde de politiemedewerkers dat ze een pakket moest bezorgen, maar bij een bepaalde woning niet open werd gedaan. Nadat zij verder was gegaan zou een vrouw achter haar aangekomen zijn, welke vervolgens het pakket uit handen van de benadeelde zou hebben geprobeerd te trekken. Hierdoor ontstond uiteindelijk een worsteling waarbij de verdachte de benadeelde aan haren zou hebben getrokken, zou hebben gestompt, tegen een auto hebben gegooid en een knietje hebben gegeven. Hierop werd door de politiemedewerkers verdachte [gedaagde] aangehouden ter zake mishandeling. (…)’

2.4.

In het proces-verbaal van aangifte van [eiseres] van 15 december 2015 staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘Ik wil aangifte doen van het feit dat ik vandaag, dinsdag 15 december 2015, tussen 13:00 uur en 13:30 uur, tijdens mijn werk ben mishandeld. Ik ben werkzaam als besteller bij DHL. De mishandeling vond plaats op de [adres delict] te Rotterdam.

Vandaag belde ik aan bij de woning die is gevestigd aan de [adres delict] (…).

Nadat ik had aangebeld werd de centrale toegangsdeur open gedaan. (…) Ik ben toen met de lift naar de zesde verdieping gegaan. In eerste instantie heb ik staan te wachten voor de deur van nummer 258 . Er werd niet open gedaan. Nadat ik een tijdje had staan te wachten heb ik aangebeld. Toen werd er nog steeds niet open gedaan. Ik heb ook nog een tweede keer aangebeld, maar de deur bleef dicht. Ik heb ongeveer 10 minuten gewacht en toen ben ik terug gelopen naar de lift. Ik had nog een pakje bij me en dat wilde ik gaan afleveren op de achtste verdieping van het gebouw.

Op dat moment kwam er een vrouw naar bij [mij] toegelopen. Ze kwam uit de woning, waar ik had aangebeld. Ze begon gelijk tegen me te schreeuwen en ze deed agressief tegen me. Ook haar lichaamstaal straalde agressie uit. Ik hoorde haar zeggen dat ze haar pakje wilde. (…) Ik heb toen gezegd dat ik hier geen zin in had. Ik heb me omgedraaid en ben met de trap naar de achtste verdieping gelopen. Daar heb ik een pakje afgeleverd. Nadat ik dat had gedaan ben ik terug gelopen naar de lift en toen stond die mevrouw van nummer 258 weer voor mijn neus. Ze was boos en ik werd echt bang van haar (…). Ze wilde dat ik het pakje aan haar zou geven, maar dat heb ik niet gedaan. Ik had het pakje vast. (…) Ik was bang en in paniek ben ik toen acht verdiepingen via de trap naar beneden gerend. (…) Die mevrouw kwam achter mij aan en bleef tegen mij schreeuwen. (…)

Ik ben naar mijn bestelauto gerend die voor de deur stond, maar ik kreeg de auto niet open. (…) Ik voelde dat ik door de vrouw aan mijn haren werd getrokken. Ik heb gegild van angst en ik wist niet wat ik moest doen. Ik hoorde de vrouw ook tegen mij gillen. Ik weet niet wat er met haar aan de hand was, maar ze was buiten zinnen. Ze trok hard aan mijn haar en ik voelde pijn aan mijn hoofd. Terwijl ze mijn haar vast had trok ze me naar achteren en heeft ze mij een aantal keren geschopt. (…) Op een gegeven moment heeft ze me tegen de auto geduwd en heeft ze mijn keel dicht geknepen. Ik stond met mijn rug tegen mijn bestelbus aan. Ik voelde pijn aan mijn keel en ik merkte dat ik geen lucht meer kreeg. (…)

Nadat ze mijn keel had dicht geknepen heeft ze meerdere keren mijn hoofd tegen mijn bestelauto aangeslagen. Dat ging zo hard, dat er deuken in de bestelauto kwamen. Ik voelde pijn aan mijn achterhoofd door de klappen tegen de bestelbus. Ik was volledig in paniek. Ik kon loskomen. Ik ben hierna voor de vrouw weggerend en ik wilde mijn bus in om voor haar weg te komen. Ze kwam achter me aan ent rok weer aan mijn haar. Ik kreeg klappen en trappen. (…)

De vrouw heeft mij ook over de grond heen getrokken aan mijn haar. Er zijn hele plukken haar uit mijn hoofd getrokken. (…)

Toen ik zo werd mishandeld door die vrouw, was er een man in de buurt die alles heeft zien gebeuren. (…).’

2.5.

In het proces-verbaal van aangifte van [gedaagde] van 15 december 2015 staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘Ik doe aangifte van mishandeling tegen een medewerkster van DHL. Op dinsdag 15 december 2015 is er een incident geweest wat uit de hand is gelopen. De medewerkster van DHL heeft toen aangifte tegen mij gedaan en ik ben aangehouden geweest. (…)

Het volgende is gebeurd. Ik lag in mijn bed, want ik had nachtdienst. Ik hoorde de bel en deed de portiekdeur beneden open. Ik zag dat het een mevrouw van de post was. (…) Een paar minuten later ging de bel boven. Ik probeerde snel iets te pakken en de hond achter een deurtje te doen. Vervolgens deed ik de deur open zag ik de mevrouw verderop weglopen. Ik riep naar die mevrouw: ‘joehoe ik ben wel thuis hoor’. Ik hoorde de mevrouw hierop zeggen: ‘jij krijgt je pakket niet meer, want ik heb vijf minuten staan wachten en ik ben niet achterlijk’, of woorden van gelijke strekking.

Ik moest even nadenken wat ik hiermee moest doen. Ik ben achter haar aangelopen om duidelijk te maken dat ik wel thuis was. Aan het einde van de galerij vroeg ik haar te blijven staan. Zij bleef doorlopen waarop ik vervolgens ben teruggelopen om mijn voordeur dicht te doen en mijn sleutels te pakken en om daarna weer naar de mevrouw te lopen om alsnog het pakketje te krijgen. Die mevrouw was inmiddels naar de achtste verdieping en daarna naar de negende verdieping gegaan.

Op de negende verdieping heb ik op mevrouw gewacht bij de lift. Ik vroeg of ik het pakketje kon krijgen en bood mijn excuses aan dat mevrouw moest wachten. Ik hoorde die mevrouw zeggen dat ik het pakketje niet kreeg, omdat ik er geen recht meer op zou hebben. Die mevrouw gaf aan dat ik haar te lang had laten wachten. (…) Ik heb toen voorgesteld om het pakket aan te pakken, zodat we allebei verder konden gaan met onze dag. (…)

Daarna zag ik dat mevrouw naar beneden begon te rennen. (…) Ik rende achter haar aan. (…)

Die mevrouw rende naar buiten en klapte tegen haar auto aan. Ik rende achter haar aan en klapte ook tegen haar aan. Vervolgens ontstond hier een schermutseling tussen ons. (…)

Een meneer stond buiten en heeft alles gezien. Ik probeerde het pakket te pakken en van daaruit ontstond de worsteling. Dat ging van kwaad tot erger met handen en benen. Maar ik heb mevrouw niet geslagen. We hebben elkaar geduwd en ik heb aan haar haar getrokken. Uiteindelijk heb ik de mevrouw zo’n harde duw gegeven en het pakketje gepakt en ben ik weggelopen en heb ik niet meer omgekeken. (…)’

2.6.

In het proces-verbaal van verhoor getuige van de heer [getuige] van 15 december 2015 staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘Vanmiddag was ik mijn auto aan het uitruimen aan de voorzijde van de flat aan de [adres delict] . Ik stond met mijn rug naar de portiekdeur van de flat toe. Ik hoorde en zag dat twee vrouwen ruzie hadden. Doordat er geschreeuwd werd keek ik naar ze en zag ik duidelijk dat ze ruzie hadden. Ik hoorde de portiekdeur dichtvallen, dus vermoedde dat ze allebei uit de flat kwamen.

Ik zag dat één vrouw de andere vrouw sloeg. Het slachtoffer hiervan had een pakketje vast. Ik dacht eerst dat het een relatieprobleem tussen deze vrouwen was. Vervolgens zag ik dat het slaan wel erg heftig werd. Ik ben er vervolgens naar toe gelopen. Ik zag dat het slachtoffer meerdere keren geslagen en getrapt werd. Ook zag ik dat ze in haar [naam 1] getrapt werd door de dader. Doordat dit gebeurde zag ik het slachtoffer ineen dook. Ik zag vervolgens dat de dader de haren en het hoofd van het slachtoffer beet pakte en deze vervolgens hard tegen de auto sloeg. Later zag ik dat hierdoor een deuk in de auto was ontstaan. (…) Ik kan u zeggen dat het leek alsof de dader dit deed uit blinde razernij. (…)

Uiteindelijk zag ik dat het pakketje door de dader afgepakt werd. Ik hoorde een papier wat op het pakket zat scheuren en zag vervolgens de dader met het pakketje weglopen de flat weer in.

U vraagt mij wat ik voor letsel heb gezien bij het slachtoffer. Ik zag een bult op haar hoofd en zag een kapotte hand. Ik dacht dat het haar linkerhand was. Tevens hoorde ik van het slachtoffer dat ze last van haar maag [en] had en duizelig was. (…)’

2.7.

In de verklaring van de heer [naam 1] van 17 december 2015 staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘Maandag 14 december 2015 was ik, [naam 1] , (…) aanwezig in de woning van mevrouw [gedaagde] (…).

Mevrouw [gedaagde] heeft mij ’s ochtends op de hoogte gebracht van een te ontvangen pakketje en mij verzocht deze die dag aan te nemen van de bezorger.

In de namiddag kwam ik de desbetreffende bezorger tegen voor de ingang van het gebouw. Ik kwam terug van een wandeling met de hond en de bezorgster zat gehurkt een briefje te schrijven voor de brievenbussen. (…) Ik vroeg haar vervolgens of zij wellicht een pakket bij zich had voor nummer 258. De vrouw keek mij nu wel aan en zei dat ze dat inderdaad bij zich had. De vrouw sprak op geagiteerde toon; ik kreeg het gevoel dat ik haar lastig viel. Ik vroeg vervolgens of ik het pakket in ontvangst kon nemen. De vrouw vroeg mij of ik de bewoner was van het huis. Ik vertelde haar dat ik op dat moment in het huis aanwezig was als oppas en dat ik op de hoogte was gesteld door de bewoner van de komst van het pakket. De vrouw keek mij boos aan; ik kreeg het gevoel dat ik haar irriteerde. Ze antwoordde vervolgens zeer resoluut dat het pakket al gescand was. Ik begreep niet precies wat de vrouw hiermee bedoelde; aan mijn lichaamshouding zal zij dit gezien hebben, want zij vervolgde dat het pakket niet meegegeven kon worden, omdat ze het al gescand had. De vrouw sprak op een geïrriteerde, agressieve toon; de sfeer van het gesprek was vijandig. (…) Het was duidelijk dat de vrouw geen verdere uitleg wilde geven en niet van plan was het pakket aan mij te overhandigen. Deze samenkomst van omstandigheden deed mij beslissen om niets meer te zeggen en via de voordeur naar binnen te gaan. De vrouw liep weg en ik liep naar binnen. Ik voelde mij naderhand onzeker en verbaasd door de agressieve toon van de vrouw. (…)

Toen ik mevrouw [gedaagde] vertelde van mijn ontmoeting bleek al snel dat, gezien de omschrijving die wij beiden konden geven van de uiterlijke kenmerken van deze bezorgster, het dezelfde persoon betrof. (…)’

2.8.

In een verklaring van mevrouw [naam 2] van 1 februari 2016 staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘Mijn overbuurvrouw, [gedaagde] , heeft mij geïnformeerd over het geschil met een DHL bezorgster.

Na een korte beschrijving van de vrouwelijke bezorger, wist ik direct over wie zij het had en herinnerde ik me mijn eigen nare ervaring met deze bezorger.

(…)

Nadat ik na enkele tijd de deur opende om het pakket aan te nemen, zag ik dat de blonde vrouw [ [eiseres] ] het pakket op een driftige manier naar mij toegooide, zonder verder een woord te wisselen. Vervolgens zag ik dat zij direct wegliep richting de centrale hal. Stomverbaasd heb ik de deur gesloten.

(…)

Aan de non-verbale houding van de bezorger zag ik al dat zij geen zin had om naar boven te komen en het pakket aan de deur af te geven. Als ik dan vervolgens het pakket op een driftige wijze in mijn handen krijg gegooid, dan kan ik niet anders concluderen dat zij niet geschikt is voor een dergelijke serviceverlenende functie. (…)’

2.9.

[gedaagde] is voor het incident strafrechtelijk vervolgd. [eiseres] heeft zich in de strafzaak jegens [gedaagde] als benadeelde partij gevoegd. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak voorwaardelijk geseponeerd, waarbij als voorwaarde werd gesteld dat [gedaagde] aan [eiseres] een schadebedrag van € 1.050,07 diende te betalen. [gedaagde] heeft dit gedaan.

2.10.

[eiseres] heeft op 14 juni 2016 zowel [gedaagde] als DHL aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het incident geleden schade. [gedaagde] en DHL, althans haar aansprakelijkheidsverzekeraar AIG, hebben aansprakelijkheid afgewezen.

2.11.

Het dienstverband van [eiseres] is van rechtswege op 1 juni 2016 beëindigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] ex. art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de door haar gepleegde onrechtmatige daad op 15 december 2015 jegens [eiseres] en gehouden is de door [eiseres] dientengevolge geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

  2. te bepalen dat, indien en voor zover [gedaagde] aansprakelijk wordt geacht jegens [eiseres] , [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen de schadevergoeding ad € 39.586,78, vermeerderd met rente, en voorts tot het betalen van verdere schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. voor recht te verklaren dat DHL ex. art. 7:658 BW aansprakelijk is jegens [eiseres] en gehouden is de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

  4. voor recht te verklaren dat AIG ex. art. 7:954 BW als aansprakelijkheidsverzekeraar voor DHL gehouden is de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

  5. te bepalen dat, indien en voor zover DHL en/of AIG aansprakelijk wordt/worden geacht jegens [eiseres] , zij hoofdelijk wordt/worden veroordeeld aan [eiseres] te betalen de schadevergoeding ad € 39.586,78, vermeerderd met rente, en voorts tot het betalen van verdere schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met dien verstande dat door betaling van de een de ander gekweten zal zijn;

  6. gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met rente en griffierecht.

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft [eiseres] mishandeld en daarmee een onrechtmatige gedraging begaan die op grond van art. 6:162 BW een onrechtmatige daad oplevert. DHL heeft als (voormalig) werkgever van [eiseres] haar zorgplicht ex. art. 7:658 BW geschonden en is derhalve ook aansprakelijk en dus schadeplichtig jegens [eiseres] . De schade van [eiseres] dient door [gedaagde] en/of DHL te worden vergoed. Ingevolge art. 7:954 BW heeft [eiseres] een directe vordering op AIG, de aansprakelijkheidsverzekeraar van DHL.

3.3.

De conclusie van [gedaagde] c.s. strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van dit geding.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het incident, dat op 15 december 2015 tussen [eiseres] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden, een onrechtmatige daad als in art. 6:162 BW oplevert en of DHL als werkgever van [eiseres] haar zorgplicht zoals neergelegd in art. 7:658 BW heeft geschonden. In deze fase van het geschil spitst de discussie van partijen zich allereerst toe op de vestiging van de aansprakelijkheid.

Onrechtmatige daad [gedaagde]

4.2.

[eiseres] grondt haar vorderingen jegens [gedaagde] op onrechtmatige daad. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] haar heeft mishandeld en dat [gedaagde] de door [eiseres] als gevolg hiervan geleden schade dient te vergoeden. Uit de aangifte van [eiseres] van 15 december 2015 volgt – kort samengevat – het volgende. [eiseres] bezorgde die dag een pakketje bestemd voor [gedaagde] . [gedaagde] deed de deur niet open om het pakketje in ontvangst te nemen zodat [eiseres] haar bezorgronde vervolgde. Op enig moment heeft [gedaagde] zich bij [eiseres] gemeld met het verzoek haar pakket te krijgen. [eiseres] gaf dit pakket niet af waarna een achtervolging ontstond die bij de bestelbus van [eiseres] stopte. [eiseres] voelde dat zij door [eiseres] aan haar haren werd getrokken. Ook werd zij door [gedaagde] een aantal keren geschopt. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] [eiseres] tegen de auto geduwd en heeft ze de keel van [eiseres] dicht geknepen. Vervolgens heeft [gedaagde] meerdere keren het hoofd van [eiseres] tegen de bestelauto aangeslagen. Hierbij zijn er plukken haar uit het hoofd van [eiseres] getrokken en heeft [eiseres] een hersenschudding, blauwe plekken en een bult boven het linkeroog opgelopen.

4.3.

[gedaagde] betwist de gestelde onrechtmatige gedraging. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] haar aangifte toegelicht en verklaard dat de door [eiseres] geschetste toedracht niet klopt. [eiseres] heeft het incident uitgelokt. Als [eiseres] simpelweg het pakje aan [gedaagde] had gegeven was er niets gebeurd. Dat [eiseres] eerder incidenten heeft uitgelokt volgt uit de verklaringen van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (zie r.o. 2.7 en 2.8). Nu [eiseres] weigerde het pakje af te staan ontstond een schermutseling waarbij [eiseres] en [gedaagde] mogelijk aan elkaars haren hebben getrokken, maar [eiseres] is niet door [gedaagde] tegen de bestelbus aan geslagen. Ook heeft [gedaagde] haar niet geschopt en/of geslagen en heeft zij de keel van [eiseres] niet dichtgeknepen. De waarnemingen van de heer [getuige] kloppen in dat licht bezien niet.

4.4.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat op dit moment enkel als vaststaand kan worden aangenomen dat er tussen [eiseres] en [gedaagde] op 15 december 2015 een incident heeft plaatsgevonden. Uit de door [eiseres] geschetste feiten en omstandigheden kan de rechtbank op dit moment niet afleiden dat [gedaagde] op 15 december 2015 een onrechtmatige daad jegens [eiseres] heeft gepleegd. De aanleiding tot en het verloop van het incident staan niet vast. De onrechtmatigheidsvraag kan pas worden beantwoord als in rechte komt vast te staan wat de precieze toedracht van het incident op 15 december 2015 is geweest. Om dit vast te kunnen stellen ligt het in de rede dat er getuigen worden gehoord.

4.5.

Ingevolge (de hoofdregel van) artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op [eiseres] de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat [gedaagde] haar op 15 december 2015 heeft mishandeld en dus een onrechtmatige daad heeft gepleegd, omdat zij zich op de rechtsgevolgen van deze stellingen beroept. [eiseres] zal dan ook worden opgedragen te bewijzen dat [gedaagde] deze onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd.

4.6.

Iedere beslissing omtrent de aansprakelijkheid van [gedaagde] en de door [eiseres] geleden schade zal worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsvoering.

Aansprakelijkheid DHL

4.7.

[eiseres] legt aan haar vorderingen jegens DHL en AIG artikel 7:658 BW ten grondslag. [eiseres] stelt dat DHL als werkgever haar zorgplicht heeft geschonden. Er zijn door DHL uitsluitend tilinstructies gegeven. DHL heeft onvoldoende werkinstructies en cursussen gegeven met het oog op het omgaan met confrontaties c.q. agressie-incidenten van (particuliere) ontvangers van pakketten. DHL heeft in dat kader nagelaten al het nodige te ondernemen om te bewerkstelligen dat een werknemer wordt beschermd in het geval sprake is van een risico-adres (red flag adres). Daarnaast is door DHL geen adequate nazorg verleend, zoals neergelegd in artikel 3 lid 2 van de Arbeidsomstandighedenwet, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres] niet is verlengd vanwege (blijvende) arbeidsongeschiktheid.

4.8.

Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW dient de werknemer te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft hij daarbij niet te stellen.

Indien komt vast te staan dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden dan is de werkgever in beginsel voor deze schade aansprakelijk. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen, indien hij stelt en bewijst dat nakoming van zijn zorgplicht, als bedoeld in lid 1 van voornoemd artikel, het ongeval niet zou hebben voorkomen.

Deze verdeling van stelplicht en bewijslast kent als achtergrond dat van een werknemer mag worden verlangd dat hij stelt en zo nodig bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen, maar niet dat ook van hem mag worden verlangd dat hij aantoont wat nu precies de toedracht of oorzaak is geweest (zie ECLI:NL:HR:2001:AB1430 en ECLI:NL:HR:2001:AB2432).

4.9.

DHL betwist allereerst dat artikel 7:658 BW op onderhavige casus van toepassing is nu het incident niet heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. De plek waar het incident heeft plaatsgevonden is op openbaar terrein en DHL had als werkgever op deze locatie geen enkele zeggenschap. De locatie van het incident valt volgens DHL dus niet onder ‘lokalen werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de arbeid wordt verricht (art 7:658 lid 1 BW)’. De rechtbank passeert dit verweer. Om de grens van de zorgplicht van de werkgever af te bakenen dient acht te worden geslagen op de mate waarin het ongeval het gevolg is van de aard en inhoud van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder die werkzaamheden dienen te worden verricht (zie ook ECLI:NL:HR:2011:BR5215). Het bezorgen van pakketten brengt met zich mee dat de bezorger, zoals [eiseres] , veel onderweg is. Inherent aan deze werkzaamheden is dan ook dat de bezorger niet één vaste werklocatie heeft, maar verschillende locaties aandoet om het werk te kunnen verrichten. Het begrip werkplek zoals gedefinieerd in artikel 7:658 BW dient dan ook ruim te worden geïnterpreteerd. Artikel 7:658 BW is in casu dan ook van toepassing.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht ingevolge artikel 7:658 BW. Zoals gezegd hoeft [eiseres] niet de juiste, exacte toedracht van het incident te stellen. Ook is op grond van de beschikbare medische stukken en het verhandelde ter zitting voldoende komen vast te staan dat [eiseres] tijdens het verrichten van haar werkzaamheden op 15 december 2015 in ieder geval in enige mate schade heeft geleden. Vervolgens is dan ook de vraag aan de orde of DHL aan haar zorgverplichting, om deze schade te voorkomen, heeft voldaan.

4.11.

Voor de beantwoording van deze vraag heeft de rechtbank meer informatie nodig. Meer specifiek – en met het oog op het bepaalde in artikel 22 Rv – dient DHL de navolgende informatie/stukken (voorzien van een toelichting) in het geding te brengen:

1. de risico inventarisatie en -evaluatie (RI&E);

2. de stukken die betrekking hebben op het verstrekken van instructies omtrent klantvriendelijkheid aan haar werknemers;

3. alle andere relevante stukken die betrekking hebben op het creëren van een veilige werkomgeving voor haar werknemers.

4.12.

Nadat DHL de hierboven genoemde stukken/informatie (met toelichting) bij akte in het geding heeft gebracht zal de rechtbank de gevolgtrekkingen maken die zij geraden acht.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiseres] op de feiten en omstandigheden te bewijzen met betrekking tot de toedracht van het incident van 15 december 2015 waaruit valt af te leiden dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 januari 2019 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eiseres] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [eiseres] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met april 2019 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. W.J. van den Bergh in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

5.6.

bepaalt dat [eiseres] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 februari 2019 voor het nemen van een akte door DHL uitsluitend over hetgeen is vermeld onder r.o. 4.11.,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.3008/2504