Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10929

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
C/10/563674 / FA RK 18-9618
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksgemeenschap. Verknochtheidsmartengeld. Vergoedingsrecht vanwegeschadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/563674 / FA RK 18-9618 en C/10/565304 / FA RK 19-27

Beschikking van 12 juli 2019 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [adres vrouw],

advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [adres man],

advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 04 december 2018;

  • -

    het F9-formulier van de vrouw met bijlage van 7 december 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2019;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 18 januari 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de man van 16 april 2019;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 8 april 2019;

  • -

    het F9-formulier met bijlage van de vrouw van 30 april 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 mei 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat;

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam 1].

2. De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Barendrecht op 07 mei 2007.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2008 te [geboorteplaats kind 1],

[naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2011 te [geboorteplaats kind 2],

[naam kind 3], geboren op [geboortedatum kind 3] 2014 te [geboorteplaats kind 3].

2.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.4.

Bij voorlopige voorzieningen beschikking van deze rechtbank van 30 november 2018 is bepaald:

  • -

    dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;

  • -

    dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

  • -

    dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen voorlopig zal worden bepaald door de casusmanager [naam 2], verbonden aan de William Schrikker Stichting of haar opvolg(st)er;

  • -

    dat de man met ingang van 1 december 2018 aan de vrouw een kinderbijdrage zal verstrekken van € 125,- per maand per kind en

zijn de stukken in handen van de raad gesteld met de vraag om advies uit te brengen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling met de minderjarigen.

2.5.

Scheiding

2.5.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.5.2.

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

2.5.3.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

2.5.4.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Omdat de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen mede in het licht van het raadonderzoek dat op dit moment wordt uitgevoerd, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.5.5.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als onweersproken en niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen.

2.6.

Verblijfplaats, zorgregeling, kinderbijdrage

2.6.1.

Gelet op de beslissingen die in de voorlopige voorzieningen zijn genomen en het raadsonderzoek dat is gelast, zullen de verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de zorgregeling met de minderjarigen en de op te leggen kinderbijdrage worden aangehouden in afwachting van het advies van de raad.

2.7.

Voortgezet gebruik woning

2.7.1.

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden.

2.7.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt eveneens het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden.

2.7.3.

Omdat de verzoeken van partijen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen worden aangehouden in afwachting van het advies van de raad en omdat bij voorlopige voorzieningen beschikking is beslist dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd waardoor zij op dit moment de dagelijkse zorg over de kinderen heeft, zal ten aanzien van het gebruik van de woning de huidige situatie in het belang van de kinderen worden gehandhaafd. Dit houdt in dat de vrouw meer belang heeft bij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning dan de man daarbij heeft. Het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en het verzoek van de man wordt afgewezen.

2.8.

Verdeling

2.8.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.8.2.

De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze.

2.8.3.

De man verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze.

2.8.4.

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

2.8.5.

De rechtbank gaat voor de omvang van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap uit van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 4 december 2018. Met betrekking tot de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap gaat de rechtbank uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel.

2.8.6.

Voor de waarde, en daarmee de omvang, van de (hoogte) banksaldi dient uitgegaan te worden van de peildatum van de omvang, te weten de datum van het indienen van het verzoekschrift.

2.8.7.

Volgens partijen dan wel één van hen bestaat de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:

  1. de echtelijke woning gelegen aan de [adres vrouw];

  2. de inboedelgoederen;

  3. het saldo op de rekening met de eindcijfers [nummers 1] op naam van de man;

  4. het saldo op de rekening met de nummers [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw;

  5. het saldo op de rekening met de eindcijfers [nummers 2] op naam van partijen;

  6. het saldo op de rekening met de nummers [bankrekeningnummer 2] op naam van partijen;

  7. de personenauto van het merk Toyota, type Picnic;

  8. de personenauto van het merk Hyundai;

  9. de caravan.

a. + g. + i. de echtelijke woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan

2.8.8.

De man stelt primair dat een bedrag van € 384.034,47 (€ 349.034,47 + € 35.000,-) aan hem is verknocht, subsidiair dat een bedrag van € 276.639,24 (€ 241.639,24 + € 35.000,-) aan hem is verknocht en meer subsidiair dat de waarde van de woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan aan hem verknocht zijn waardoor deze goederen buiten de verdeling moeten blijven.

De vrouw ontkent dat sprake is van verknochtheid. Zij is van mening dat de man zal hebben te bewijzen dat sprake is van verknochtheid van gelden, dat de gelden gebruikt zijn voor de aankoop van de echtelijke woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan en dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk buiten de verdeling dient te vallen. Volgens de vrouw moeten de echtelijke woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan worden verkocht, onder verrekening van de helft van de waarde.

Vraag 1: verknochtheid van de schadevergoeding in geld

2.8.9.

Op grond van artikel 1:94 BW bestaat er tussen de echtgenoten op het moment van de huwelijkssluiting van rechtswege een gemeenschap van goederen. Deze hoofdregel lijdt uitzondering ingeval op grond van artikel 1:94 lid 5 BW sprake is van enigerlei bijzondere verknochtheid van een goed aan een van de echtgenoten en die verknochtheid zich er tegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt. Of een goed op bijzondere wijze aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat een goed in de gemeenschap valt, is afhankelijk van de aard van het goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (Hoge Raad (hierna: HR) 23 december 1988, NJ 1989/ 700 en HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8843). Wanneer een van de echtgenoten een schadevergoeding ontvangt in verband met de schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet meteen sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 5 BW wanneer die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de nadelige gevolgen van het ongeval die de persoon van de echtgenoot betreffen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat moet worden gesteld op welke schade van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre de vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Met andere woorden moet ten aanzien van de verknochtheid van een schadevergoeding onderscheid worden gemaakt tussen de materiële en immateriële schadevergoeding. Materiële schade is namelijk schade die direct in geld is uit te drukken, bijvoorbeeld: beschadiging van eigendommen, toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen, kosten voor het ziekenhuis, huishoudelijke hulp en dergelijke. Een materiële schadevergoeding kan verknocht zijn wanneer blijkt dat (een deel van) deze vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot na ontbinding van de gemeenschap zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006 ECLI:NL:HR2006:AX7805, HR 26 september 2008 ECLI:NL:HR:2008:BF2295, HR 17 oktober 2008 NJ2009/41 en HR 7 december 2012 ECLI:NL:HR2012:BY0957). Immateriële schade is schade veroorzaakt door verdriet, de pijn en het verlies aan levensvreugde na een ongeval, ook wel smartengeld genoemd en wordt als verknocht aangenomen.

2.8.10.

Niet in geschil is dat de man op 8 september 1995 een zeer ernstig brommerongeluk heeft gehad waaraan hij zwaar hersenletsel heeft overgehouden. De man heeft een brief van zijn letselschadeadvocaat van 14 september 2006 overgelegd waaruit blijkt dat hem een voorstel is gedaan voor een schadevergoeding van in totaal € 501.984,18 inclusief wettelijke rente. Deze vergoeding is - kort samengevat - in drie categorieën te onderscheiden, te weten:

  1. een bedrag van € 117.949,71 voor beschadigde kleding/zaken, ziekenhuisverblijf, reiskosten, verblijf thuis/diversen, kosten woning, huishoudelijke hulp/aanpassingen, ziektekosten, verhuizing, kosten zonder nut, zelfwerkzaamheid, specifieke kosten en vakantie (punten 1 t/m 8, 10, 11, 12, 13 van voornoemde brief);

  2. een bedrag van € 35.000,- aan smartengeld en wettelijke rente (punt 14);

  3. een bedrag van € 349.034,37 voor het verlies aan arbeidsvermogen (punt 9).

Tevens heeft de man een vaststellingsovereenkomst, getekend op 13 oktober 2006 respectievelijk 19 oktober 2006, overgelegd waaruit blijkt dat hij uiteindelijk in totaal een bedrag van € 501.948,18 zal ontvangen van ISB/DEKRA Claims Services Nederland B.V als vergoeding voor door hem geleden materiële en immateriële schade. Zowel uit de door de man overgelegde brief van 14 september 2006 als uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de man op dat moment reeds een voorschot had ontvangen van € 120.000,-. De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat op 27 november 2006 op de gezamenlijke rekening van partijen genoemd onder bestanddeel f. alsnog een bedrag van € 381.984,18 aan schadevergoeding is gestort.

Omdat de data van de brief, de vaststellingsovereenkomst en het moment van storting zeer dicht bij elkaar zijn gelegen en de (in de betreffende stukken) genoemde totale bijdrage steeds overeenkomt, staat voor de rechtbank vast dat de door de man ontvangen schadevergoeding bestaat uit de posten zoals uiteengezet in de brief van de letselschadeadvocaat van de man van 14 september 2006. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord in hoeverre de door de man ontvangen schadevergoeding van in totaal € 501.984,18 aan hem is verknocht.

2.8.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat voornoemd bedrag van € 117.949,71 niet aan de man is verknocht, omdat dit bedrag ziet op de kosten die de man destijds heeft gehad. De man heeft dit bedrag ook niet meegenomen in zijn vordering. Tevens is niet in geschil dat voornoemd bedrag van € 35.000,- verknocht is. Wel in geschil is of de man nu nog aanspraak op dit bedrag kan maken. Dit zal hierna bij vraag 2 verder aan de orde komen.

2.8.12.

Uit de overgelegde brief van 14 september 2006 blijkt dat het bedrag van € 349.034,47 ziet op verlies van arbeidsvermogen. De vraag resteert welk gedeelte van deze materiële schadevergoeding de man thans nog toe zou komen wegens verknochtheid. De beantwoording van die vraag hangt af van de samenstelling van de schadevergoeding op het moment van verkrijging, de datum waarop de schadevergoeding is ontvangen en het moment van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. De man gaat er vanuit dat de gehele materiële schadevergoeding van € 349.034,47 aan hem is verknocht dan wel dat een bedrag van € 241.639,24 aan hem is verknocht, uitgaande van 12 jaar huwelijk en de aankomende 27 jaar die de man nog moet overbruggen tot zijn pensioengerechtigde leeftijd (€ 349.034,27 : 39 jaar = € 8.949,60 per jaar x 27 jaar). De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat het bedrag van € 349.034,47 met name gestoeld is op het inkomensverlies dat de man heeft geleden vanwege de lange duur van zijn opleiding. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw dat het bedrag van € 349.034,47 ziet op het verlies dat de man heeft geleden vanwege de lange duur van zijn opleiding, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de brief van 14 september 2006 niet kan worden vastgesteld welk gedeelte van de door de man ontvangen materiële schadevergoeding betrekking heeft op schade die de man na ontbinding van de gemeenschap zal lijden en daardoor als verknocht kan worden aangemerkt. Uit de overgelegde stukken is niet gebleken op welke wijze het verlies aan arbeidsvermogen destijds is berekend en evenmin is vast te stellen op welke periode deze betrekking heeft (bijvoorbeeld enkel ter overbrugging van de opleidingsperiode of ter overbrugging van het verlies van inkomen voor het gehele werkzame leven van de man). Uit de brief van 14 september 2006 blijkt wel dat er berekening(en) is/zijn gemaakt waarna het verlies aan arbeidsvermogen uiteindelijk is gesteld op € 349.034,37. De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen deze berekening(en) alsnog in het geding te brengen. In afwachting hiervan zal de beantwoording van de vraag welk gedeelte van de door de man ontvangen materiële schadevergoeding betrekking heeft op schade die de man na ontbinding van de gemeenschap zal lijden en daardoor als verknocht kan worden aangemerkt, worden aangehouden.

Vraag 2: voortgezette verknochtheid, te weten verknochtheid van de echtelijke woning, de caravan en de personenauto van het merk Toyota

2.8.13.

Tussen partijen staat vast dat het geld van de verknochte immateriële en mogelijk nog verknochte materiële schadevergoeding op dit moment niet meer in giraal of chartaal geld aanwezig is. Volgens de man is het geld besteed aan onder andere de aanschaf van de echtelijke woning, de caravan en de personenauto van het merk Toyota. De vrouw voert aan dat het geld onder andere is besteed aan dure vakanties en de studie van de man. Vast staat dat op 27 november 2006 op de gezamenlijke rekening van partijen genoemd onder bestanddeel f. een bedrag van € 381.984,18 aan schadevergoeding is gestort, dat partijen op 7 mei 2007 in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, dat een bedrag van € 225.593,13 op 22 augustus 2007 van de gezamenlijke rekening van partijen genoemd onder bestanddeel f. aan de notaris is voldaan en dat op 24 augustus 2007 de echtelijke woning aan partijen bij notariële akte is geleverd voor een bedrag van € 225.563,64. Voorts staat vast dat er geen hypothecaire geldlening op de echtelijke woning rust. De vrouw stelt dat de man niet heeft aangetoond dat het bedrag van € 225.593,12 dat op 22 augustus 2007 is overgeschreven op de rekening van de notaris voor de aankoop van de echtelijke woning afkomstig is van de schadevergoeding die de man heeft ontvangen. Volgens de vrouw is de echtelijke woning in 2007 mede vrij van hypotheek gekocht door middel van haar inkomen en spaargeld. De man voert verweer. Naar het oordeel van de rechtbank betwist de vrouw weliswaar dat het bedrag van € 225.593,12 afkomstig is van de schadevergoeding die de man heeft ontvangen, maar gesteld noch gebleken is dat haar inkomen en spaargeld in 2007 dusdanig hoog waren dat partijen mede daardoor de echtelijke woning vrij van hypotheek hebben kunnen kopen. Als vaststaand wordt daarom aangenomen dat de door partijen in 2007 gekochte echtelijke woning is betaald met de gelden afkomstig van de schadevergoeding van de man. Hierbij is mede in overweging genomen dat de datum van de uitbetaling van de schadevergoeding en de aankoop van de echtelijke woning zeer dicht bij elkaar zijn gelegen. Zoals uit bovenstaande blijkt, is echter nog de vraag in hoeverre deze schadevergoeding aan de man is verknocht. In rechtsoverweging 2.8.11. is reeds geoordeeld dat een bedrag van € 35.000,- is verknocht aan hem. Ten aanzien van de materiële schadevergoeding van € 349.034,47 is in rechtsoverweging 2.8.12. reeds geoordeeld dat nog moet blijken welk bedrag hiervan eventueel aan de man is verknocht.

2.8.14.

De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen te motiveren waarom de echtelijke woning naar zijn aard zo aan hem zou zijn verknocht dat deze niet in de gemeenschap van goederen valt. De HR maakt in zijn uitspraak van 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009, 40 namelijk onderscheid bij zaaksvervanging tussen gevallen waarin het privékarakter van het geld waarmee een goed is aangeschaft, zijn oorsprong vindt in verkrijging onder uitsluitingsclausule (zie HR 11 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, «JPF» 2015/99, m.nt. Reinhartz), en gevallen waarin het privékarakter is veroorzaakt door verknochtheid. In het eerste geval kan aan de hand van artikel 1:95 lid 1 BW vastgesteld worden met welk geld het goed voor meer dan de helft bij de verkrijging is betaald: was dit goed voor meer dan de helft met privégeld van de verkrijger betaald, dan wordt het goed privé-eigendom van die verkrijger. Is het goed bij de verkrijging voor meer dan de helft met gemeenschapsgeld betaald, dan valt het goed in de gemeenschap. Bij verknochte goederen geldt volgens de HR voor het oude recht – en blijkens de parlementaire geschiedenis ook naar nieuw recht – deze regel niet. Volgens de HR wordt bij verknochte goederen de meer dan de helft-regel overruled door de vraag of het verkregen goed ook weer verknocht is aan de verkrijger. Het nieuw verkregen goed dat gefinancierd is met een schadevergoeding, welke in beginsel verknocht was, wordt niet automatisch ook verknocht. Het antwoord op de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, hangt immers af van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Hieruit vloeit reeds voort dat niet ieder goed dat in de plaats treedt van een verknocht goed (in dit geval de woning in plaats van het geld), eveneens of op dezelfde wijze als aan een van de echtelieden verknocht kan worden beschouwd (gerechtshof Amsterdam 22 juli 2014 ECLI:NL:GHAMS:2014:6041).

2.8.15.

In het licht van het voorgaande wordt de man ook in de gelegenheid gesteld te motiveren waarom de caravan en de personenauto naar hun aard zo aan hem zijn verknocht dat zij niet in de gemeenschap van goederen vallen. Verder verzoekt de rechtbank partijen ten aanzien van die caravan en de personenauto van het merk Toyota gegevens in het geding te brengen waaruit de aanschafdatum en het bouwjaar blijkt, alsmede het merk en type van de caravan, het type van de personenauto en het kentekennummer van de personenauto. Tenslotte worden partijen alsnog in de gelegenheid gesteld een gemotiveerd standpunt in te nemen over de waarde van de personenauto en de caravan. Verdere beslissingen over de personenauto en de caravan worden aangehouden.

b. de inboedelgoederen

2.8.16.

Partijen zijn overeengekomen de inboedelgoederen in onderling overleg bij helfte te zullen delen. Zij hebben ter zitting afgesproken dat zij inboedellijsten aan elkaar zullen overleggen waaruit blijkt welke goederen de man en/of de vrouw wensen te verkrijgen. De door de man of de vrouw verzochte goederen waar geen geschil over bestaat zullen zij over en weer aan elkaar overhandigen. De rechtbank zal bepalen dat goederen die beide partijen toebedeeld willen krijgen, dienen te worden verdeeld door middel van tossen, aldus dat partijen tossen wie van hen als eerste mag kiezen uit de goederen waarover partijen van mening verschillen. Vervolgens moeten partijen in dat geval om en om een goed waarover een geschil van mening bestaat. De rechtbank zal de verdeling van de inboedelgoederen op voornoemde wijze gelasten, zonder nadere verrekening.

c. + d. + e. + f. de saldi op de bankrekeningen

2.8.17.

Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen de bankrekening op zijn of haar naam behoudt, waarbij de saldi op de peildatum bij helfte gedeeld moeten worden. De vrouw zal de rekening genoemd onder bestanddeel f. op haar naam stellen of opheffen, onder verrekening van de helft van het saldo op de peildatum met de man. Ten aanzien van de bankrekening genoemd onder bestanddeel e. hebben partijen geen standpunt ingenomen. De rechtbank gaat er vanuit dat een van partijen de rekening op zijn of haar naam zal voortzetten of opheffen, onder verrekening van de helft van het saldo op de peildatum.

h. de personenauto van het merk Hyundai

2.8.18.

De man heeft onweersproken gesteld dat deze personenauto toegedeeld moet worden aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde. Onbekend is wat de waarde van de personenauto is. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om gegevens over de personenauto in het geding te brengen zoals het bouwjaar, het type en het kentekennummer. Voorts worden partijen alsnog in de gelegenheid gesteld een gemotiveerd standpunt in te nemen over de waarde van de personenauto. Een verdere beslissing over de personenauto wordt aangehouden.

Conclusie

2.8.19.

Gelet op de overgelegde bescheiden en de toelichting ter zitting is het voor de rechtbank niet mogelijk de wijze van verdeling van de gehele gemeenschap te gelasten. Immers, op basis van het huidige procesdossier kan de rechtbank geen definitieve beslissing op alle bestanddelen nemen en een partiële verdeling is niet mogelijk. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom pro forma aanhouden en partijen in de gelegenheid stellen de rechtbank op een deugdelijke wijze te informeren. Hierbij staat het partijen uiteraard vrij om (nogmaals) te bezien of zij in onderling overleg overeenstemming kunnen bereiken over de gehele verdeling.

Verrekening door vrouw opgenomen bedragen

2.8.20.

De man heeft ter zitting zijn verrekenvordering ten aanzien van de door de vrouw van de en/of rekening van partijen opgenomen bedragen ingetrokken. Het verzoek zal worden afgewezen.

2.9.

Proceskosten

2.9.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 07 mei 2007 te Barendrecht;

3.2.

bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres vrouw], die aan de man mede toebehoort, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, welke op nihil wordt gesteld;

3.3.

wijst het verzoek van de man ten aanzien van de verrekening van de door de vrouw opgenomen bedragen af;

3.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

3.5.

bepaalt dat de behandeling van de verzoeken over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de zorgregeling met de minderjarigen, de kinderbijdrage en de verdeling worden aangehouden tot 1 september 2019 PRO FORMA in afwachting van het advies van de raad en de nog door partijen in de verdeling over te leggen stukken en in te nemen standpunten;

3.6.

bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

3.7.

bepaalt dat - indien en zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen - partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Oonincx, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.A.J.M. Rasenberg op 12 juli 2019.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.