Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10901

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
C/10/564571 / KG ZA 18-1346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, opheffen beslag, ondeugdelijke vordering, verkapt eigen beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/564571 / KG ZA 18-1346

Vonnis in kort geding van 11 februari 2019

in de zaak van

de vennootschap naar Chinees recht

YIWU KANGYUAN IMP & EXP CO LTD,

gevestigd te Yiwu, Zhejiang, China,

eiseres,

advocaat mr. H. Ruiter te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND RHINE GROUP B.V.,

voorheen genaamd: Rhine Mineral Trading

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. Bregonje te Terneuzen.

Partijen zullen hierna Yiwu en RMT genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 december 2018, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 1 februari 2019;

  • -

    de pleitnota van Yiwu;

  • -

    de pleitnota van RMT.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Yiwu drijft een onderneming in onder meer de invoer van producten in China. RMT heeft een groothandel in voedings- en genotmiddelen en dranken. Yiwu en RMT hebben op 13 maart 2015 een overeenkomst gesloten. In het kader van deze overeenkomst heeft Yiwu een waarborgsom van € 100.000,00 aan RMT betaald als zekerheid tot nakoming van de betalingsverplichtingen van Yiwu voor het door haar van RMT af te nemen bier. In de overeenkomst is bepaald dat de waarborgsom na afloop van de overeenkomst moet worden terugbetaald. Op 16 september 2015 heeft Yiwu aan RMT laten weten geen leveringen meer te willen ontvangen.

2.2.

Yiwu heeft RMT verzocht de waarborgsom te retourneren. RMT heeft dit geweigerd en zich beroepen op een verrekeningsrecht. Dit geschil heeft er toe geleid dat Yiwu een rechtszaak is gestart tegen RMT. Yiwu heeft daarin gevorderd dat RMT wordt veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom van € 100.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

2.3.

Bij vonnis van 17 oktober 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in bovengenoemd geschil vonnis gewezen. In het vonnis is onder meer het volgende opgenomen:

“4.8. De rechtbank gaat aan het verrekeningsverweer van RMT voorbij omdat de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering van Yiwu overigens voor toewijzing vatbaar is (artikel 6:136 BW). Er zou bewijslevering nodig zijn om vast te kunnen stellen of Yiwu schadeplichtig is wegens wanprestatie, en zo ja voor welk bedrag. Waar RMT bij conclusie van antwoord stelde dat zij het te leveren bier in voorraad had stelt zij op de comparitie dat de overeenkomst waarbij zij het bier bij het bedrijf Caiyi had besteld is geannuleerd. Dit is weinig consistent en wijst niet op de gegrondheid van het verrekeningsverweer. Yiwu heeft bovendien de door RMT gestelde schade gemotiveerd betwist. Yiwu heeft onder meer aangevoerd dat Caiyi op 29 augustus 2015 nog niet bestond en dat Caiyi eerst op 3 december 2015 is opgericht. Ook zou bewijslevering nodig zijn om vast te kunnen stellen of de bierleveringen nu voortijdig zijn gestaakt omdat RMT minder bier kon leveren dan was overeengekomen (standpunt Yiwu) dan wel omdat Yiwu minder bier afnam dan was overeengekomen (standpunt RMT).

4.9.

Conclusie is dat de vordering van Yiwu tot terugbetaling van de waarborgsom zal worden toegewezen.

(…)

4.11.

RMT verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, subsidiair tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad zonder zekerheidsstelling. Of uitvoerbaarverklaring bij voorraad moet worden uitgesproken is een kwestie van afweging van de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval. De rechtbank acht het belang van Yiwu tot terugbetaling van de waarborgsom in de gegeven omstandigheden zwaarder wegen dan het belang van RMT. RMT stelt in dit verband slechts dat het krachtens de veroordeling te betalen bedrag niet in Nederland kan worden teruggehaald en dat in China zal moeten worden geprocedeerd. Deze stelling acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing onvoldoende zwaar wegen. De rechtbank zal mitsdien de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijzen, zonder zekerheidsstelling op te leggen.”

2.4.

RMT heeft na het vonnis van 17 oktober 2018 bevestigd aan Yiwu het verschuldigde bedrag ineens en vrijwillig te zullen voldoen. De advocaat van RMT schrijft op 27 november 2018:

“Cliënte heeft mij gezegd vrijwillig tot betaling over te zullen gaan. Daartoe is zij nu de middelen aan het vrij maken. Betaling zal in de loop van deze week plaats vinden.”

2.5.

RMT heeft het bedrag van € 100.000,00 overgeboekt naar de derdenrekening van de advocaat van Yiwu. Op 9 november 2018 heeft RMT bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend tot het leggen van conservatoir vreemdelingenbeslag. In het verzoekschrift is onder meer het volgende opgenomen:

“3. RMT ging er ook in augustus 2015 vanuit, en mocht er in de gegeven omstandigheden ook vanuit gaan, dat Yiwu ook in september 2015 Heineken bier zou afnemen. Reden waarom RMT op 29 augustus 2015 15 containers Heineken pilsener bij Caiyi Xingguang Ltd. (hierna: “Caiyi”) heeft ingekocht (productie 4). De factuur voor de levering van die partij bier door RMT aan Yiwu is door RMT aan Yiwu verstrekt op 15 september 2015 (productie 5).

(…)

6. Dit alles heeft ertoe geleid dat RMT schade heeft geleden. Die schade bestaat in ieder geval uit de betaling van annuleringskosten die RMT aan Caiyi heeft voldaan in verband met de annulering van de hiervoor onder randnummer 3 genoemde 15 containers Heineken pilsener. Met die annuleringskosten was een bedrag gemoeid van € 121.212,=. De schade van RMT omvat ook de gederfde winst van RMT over de resterende looptijd van de Overeenkomst.

7. De annuleringskosten zijn door RMT voldaan middels een “payment agreement” tussen Caiyi, de Chinese tussenpersoon van RMT, Fujian Xingxi Trading Ltd. (hierna:“Xingxi”), en RMT (productie 9). Partijen kwamen overeen dat de overeenkomst d.d. 29 augustus 2015 als beëindigd beschouwd zou worden tegen betaling door RMT aan Caiyi van het bedrag van de aanbetaling ad € 121.212,=. Dat bedrag is namens RMT door Xangxi aan Caiyi voldoen in Chinese yens (productie 10) waarna RMT dit bedrag aan Xangxi heeft voldaan middels levering van 6 40-voet containers met bier van het eigen merk van RMT “Station 9”, welk leveringen een waarde vertegenwoordigde van € 121.212,=. De levering van dat bier blijkt uit de vervoersdocumenten (productie 11).”

2.6.

Bij beschikking van 12 november 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam RMT verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag met begroting van de vordering van RMT, inclusief rente en kosten, op € 100.000,00. De voorzieningenrechter heeft onder meer het volgende in de beschikking overwogen:

“Verzoekster heeft, zo stelt zij, de annuleringskosten aan Fujian Xingxi Trading Ltd. voldaan door levering van 6 40-voet containers met bier van haar eigen merk “Station 9”. Het is nog maar de vraag of de vordering van verzoekster in dit geval niet moet worden beperkt tot haar eigen productiekosten. De vordering wordt daarom vooralsnog, inclusief rente en kosten, begroot op € 100.000,00.”

2.7.

Op 29 november 2018 is door RMT conservatoir beslag gelegd onder de stichting Stichting Derdengelden Advocatuur Heussen te Amsterdam ten laste van Yiwu. Dit beslag is op 6 december 2018 aan Yiwu overbetekend. In het verzoekschrift stond als naam van verzoekster nog de oude naam van RMT, Rhine Mineral Trading B.V. Om die reden is op

12 december 2018 opnieuw een beslagrekest ingediend. Bij beschikking van 12 december 2018 is opnieuw door de Rechtbank Amsterdam verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag. Aan het verlof is de voorwaarde verbonden dat de eis in de hoofdzaak wordt ingesteld binnen veertien dagen na de beslaglegging. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8.

Op 13 december 2018 is daarna door RMT opnieuw beslag gelegd onder de stichting Stichting Derdengelden Advocatuur Heussen te Amsterdam ten laste van Yiwu. RMT is een bodemprocedure gestart. De dagvaarding is betekend op 12 december 2018. Yiwu is gedagvaard tegen 20 maart 2019.

3. Het geschil

3.1.

Yiwu vordert samengevat - RMT te gebieden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het ten laste van Yiwu gelegde conservatoir beslag op te heffen en de opheffing van het conservatoir beslag schriftelijk aan Yiwu mee te delen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat RMT in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00. Yiwu heeft daarnaast verzocht om RMT te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Yiwu legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. RMT heeft met het beslag beoogd een jegens haar ten gunste van Yiwu gewezen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling te frustreren. Het conservatoir beslag dient daarom te worden opgeheven. Het door RMT gelegde beslag kan worden gekenmerkt als een verkapt eigenbeslag en levert in onderhavig geval misbruik van recht op. Er is geen sprake van een uitzonderingssituatie. Daarnaast heeft de rechtbank in haar vonnis van 17 oktober 2018 de belangen van beide partijen uitdrukkelijk afgewogen in het kader van het verzoek om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank heeft overwogen dat het belang van Yiwu tot terugbetaling van de waarborgsom zwaarder weegt dan het belang van RMT. RMT heeft geen hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. RMT heeft daarnaast toegezegd vrijwillig te zullen voldoen aan de veroordeling. Onder deze omstandigheden stond het RMT niet vrij om beslag te leggen. Dat strookt immers niet met de bedoeling van partijen. Daarnaast is de vermeende vordering van RMT ondeugdelijk. RMT stelt schade te hebben geleden doordat zij, toen Yiwu op 16 september 2015 liet weten geen leveringen meer te willen ontvangen, het te leveren bier al had ingekocht bij Caiyi. Caiyi bestond op dat moment echter nog niet. Uit de oprichtingsakte blijkt dat Caiyi pas op 3 december 2015 is opgericht. Bovendien heeft RMT op geen enkele manier uiting gegeven aan het feit dat zij aanspraak zou maken op betaling van de vermeende vordering. Sinds het vonnis van

17 oktober 2018 heeft RMT geen enkele sommatie meer gestuurd aan Yiwu. Yiwu wenst bovendien de beslagen gelden aan te wenden voor haar bedrijfsvoering en heeft daarmee een spoedeisend belang bij de opheffing van het beslag.

3.3.

RMT voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van Yiwu. RMT voert daartoe het volgende aan. RMT heeft in september 2015 een factuur gestuurd aan Yiwu voor het in die maand te leveren bier. Dat bier was reeds door RMT ingekocht bij Caiyi en het bier stond al gereed voor verscheping. Yiwu liet echter plotseling weten dat zij de overeenkomst niet langer gestand kon doen. Daartoe heeft Yiwu een ‘Refund Agreement’ aan RMT gestuurd waarin was opgenomen dat RMT niet is staat was om de overeengekomen minimale hoeveelheid bier te leveren en dat RMT om die reden de door Yiwu betaalde waarborgsom diende terug te betalen. Dit strookte echter niet met de werkelijke situatie. Er was sprake van een teruglopende vraag naar Heineken bier op de Chinese markt. RMT heeft geweigerd om de overeenkomst te ondertekenen. Yiwu weigerde echter om nog langer bier af te nemen van RMT. RMT heeft hierdoor schade geleden. Zij had het door haar in september 2015 aan Yiwu te leveren bier al ingekocht bij Caiyi. Nu er geen andere afnemer was voor het bier heeft RMT een minnelijke regeling moeten sluiten met Caiyi voor een bedrag van ongeveer € 120.000,00. Bovendien is RMT inkomsten misgelopen die met de bierleveringen gemoeid zouden zijn geweest. De rechtbank heeft in haar vonnis van 17 oktober 2018 geoordeeld dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Alleen om die reden is de rechtbank aan het verrekeningsverweer voorbij gegaan. De rechtbank is dan ook niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van de vordering tot schadevergoeding ter zake waarvan RMT conservatoir beslag heeft gelegd. Er is slechts geoordeeld dat er bewijslevering nodig zou zijn om vast te kunnen stellen dat Yiwu schadeplichtig is. RMT heeft in de door haar opgestarte bodemprocedure de nodige bewijsmiddelen overgelegd. Nader onderzoek van een bodemrechter is noodzakelijk. RMT heeft daarnaast recht en belang bij het beslag aangezien het noodzakelijk is om zekerheid tot voldoening van de schade te verkrijgen. Yiwu is immers gevestigd in China. Indien de vordering van RMT in de bodemprocedure wordt toegewezen kan dat vonnis niet in China ten uitvoer worden gelegd. Een belangenafweging rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat het beslag op het geldbedrag blijft rusten. Het belang van RMT weegt zwaarder omdat door het opheffen van het beslag de verhaalsmogelijkheden van RMT aanzienlijk zullen verminderen. Het verzoek van Yiwu dient daarom te worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.1.

Vooropgesteld zij dat artikel 705 lid 1 Rv de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid biedt in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv. Bovendien vloeit het spoedeisend belang bij het gevorderde voort uit de aard van de vordering en is het spoedeisende belang niet door RMT betwist.

De bevoegdheid

4.2.

De bepaling van artikel 705 lid 1 Rv waarborgt dat, als eenmaal verlof tot beslag is gegeven, er ook steeds een Nederlandse rechter bevoegd is over een vordering tot opheffing van het beslag te oordelen. De in die bepaling aan de voorzieningenrechter die verlof tot beslag heeft gegeven toegekende bevoegdheid het beslag in kort geding op te heffen, is geen uitsluitende bevoegdheid in kort geding, maar een aanvullende bevoegdheid naast die welke uit artikel 254 Rv, in combinatie met artikel 99 Rv, voortvloeit. De beslagene die een vordering tot opheffing van het beslag wenst in te stellen, kan terecht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die het beslagverlof heeft verleend (in dit geval: Amsterdam), maar ook bij de voorzieningenrechter van de vestigingsplaats van de (gedaagde) beslaglegger (in dit geval: Rotterdam). De voorzieningenrechter van deze rechtbank is dan ook bevoegd van de onderhavige vordering tot opheffing van het beslag kennis te nemen.

Het materiële toetsingskader

4.3.

De voorzieningenrechter kan, rechtdoende in kort geding, op grond van artikel

705 Rv het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. De opheffing wordt onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Volgens vaste rechtspraak ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kortgedingrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag (Hoge Raad 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105).

4.4.

Yiwu heeft als grondslag voor haar vordering tot opheffing van het beslag aangevoerd dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door RMT ingeroepen recht. Vooropgesteld wordt dat ook als de grondslag van de vordering legitiem is, sprake kan zijn van een ondeugdelijke vordering. Bij de beantwoording van deze vraag gaat het om een prognose van de kans van slagen van de vordering van de beslaglegger. Dat een legitieme grondslag bestaat voor de vordering, wil nog niet zeggen dat deze vordering aannemelijk is, laat staan dat zij in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Dat hangt mede af van de feitelijke onderbouwing van de vorderingen.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van RMT ondeugdelijk is en overweegt daartoe als volgt. RMT heeft in deze procedure gesteld dat zij een vordering op Yiwu heeft die is ontstaan doordat RMT op 29 augustus 2015 bier heeft ingekocht bij Caiyi voor de levering aan Yiwu, maar dat Yiwu weigerde het bier af te nemen. De levering stond al klaar voor verscheping door RMT naar Yiwu. Omdat Yiwu weigerde het bier af te nemen heeft RMT een minnelijke regeling moeten treffen met Caiyi ten bedrage van

€ 121.212,00. In het beslagrekest heeft RMT echter gesteld dat de schade is ontstaan doordat de levering werd geannuleerd. RMT moest een bedrag van € 121.212,00 aan annuleringskosten betalen aan Caiyi. De voorzieningenrechter acht het verhaal van RMT

– net zoals de rechtbank in haar vonnis van 17 oktober 2018 heeft overwogen – weinig consistent. Daar komt bij dat RMT in het beslagrekest en in deze procedure niet heeft gereageerd op de argumenten die hebben geleid tot het verwerpen van het verrekeningsverweer door de rechtbank. Zo is RMT niet in gegaan op de door Yiwu gemotiveerde betwisting van de door RMT geleden schade. RMT heeft niet toegelicht hoe zij in augustus 2015 bier heeft kunnen inkopen bij Caiyi terwijl uit de door Yiwu overgelegde stukken blijkt dat Caiyi pas op 3 december 2015 is opgericht. RMT heeft daarnaast haar vordering en de door haar geleden schade ook nu niet met stukken onderbouwd.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van RMT ondeugdelijk is.

4.7.

De beoordeling van hetgeen met betrekking tot de (on)deugdelijkheid van de vorderingen door beide partijen naar voren is gebracht en de vraag of het beslag moet worden opgeheven kan, zoals hiervoor onder 4.2. reeds is overwogen, niet geschieden los van de afweging van de wederzijdse belangen. Beoordeeld moet dus worden of het belang van Yiwu bij opheffing van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van RMT bij handhaving daarvan. De voorzieningenrechter merkt daartoe het volgende op. Yiwu heeft aan haar vordering ook ten grondslag gelegd dat beslaglegging op de betreffende gelden onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig en ontoelaatbaar is omdat RMT daarmee probeert de tenuitvoerlegging van het vonnis van 17 oktober 2018 te frustreren en sprake is van verkapt eigen beslag. Yiwu wijst in dit verband op de volgende passage uit de beslagsyllabus:

“In het algemeen wordt geen verlof verleend indien de verzoeker met het beslag beoogt een jegens hem ten gunste van gerekwestreerde gewezen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling te frustreren. Dit speelt voornamelijk bij eigenbeslag (zie onder Eigen beslag NB 1 en 2), maar kan zich ook voordoen bij andersoortige beslagen (vergelijk voorzieningenrechter Haarlem 24 oktober 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BG2152, NJF 2009, 173).”

En:

“Van bedoeld frustreren kan ook sprake zijn als verlof wordt gevraagd voor het leggen van beslag op een bedrag dat kort daarvoor door de verzoeker ter voldoening aan een veroordeling is betaald. Bij een dergelijk “verkapt eigen beslag” (in feite vaak een derdenbeslag) zal extra kritisch gekeken moeten worden naar de deugdelijkheid van de vordering. Als die vordering deugdelijk zou zijn, had het immers voor de hand gelegen dat die gecompenseerd had mogen worden met het bedrag tot betaling waarvan de verzoeker is veroordeeld (zie bijvoorbeeld voorzieningenrechter rechtbank Utrecht 2 september 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7562, NJF 2009, 450, en voorzieningenrechter rechtbank Arnhem; ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4432, NJF 2009, 412).“

4.8.

Bij vonnis van 17 oktober 2018 is RMT veroordeeld tot betaling van € 100.000,00 aan Yiwu. RMT heeft het bedrag van € 100.000,00 overgeboekt naar de derdenrekening van de advocaat van Yiwu. Kort daarna heeft RMT (nadat daartoe verlof was verleend) conservatoir beslag ten laste van Yiwu laten leggen, in verband met de vordering tot schadevergoeding van € 121.212,00. RMT heeft beslag gelegd ondanks dat de bodemrechter de vordering van Yiwu toewijsbaar heeft geacht en aan het verrekeningsverweer van RMT voorbij is gegaan, en in de wetenschap dat ondanks het verzet hiertegen van RMT de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van Yiwu is toegewezen, zonder daaraan de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden. Voornoemde feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat sprake is van verkapt eigen beslag en dat RMT met het beslag heeft beoogd de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling tot terugbetaling van de waarborgsom van RMT aan Yiwu te frustreren.

4.9.

Yiwu stelt daarnaast dat het voor haar van belang is dat het beslag snel wordt opgeheven zodat zij de beslagen gelden kan aanwenden voor haar bedrijfsvoering. Alles overwegende en in aanmerking genomen de conclusie dat de vordering van RMT ondeugdelijk is, weegt het belang van RMT bij handhaving van het beslag naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen voornoemd belang van Yiwu bij opheffing daarvan. De stelling van RMT dat zij het krachtens de veroordeling te betalen bedrag niet in Nederland kan terughalen en dat in China moet worden geprocedeerd acht de voorzieningenrechter zonder nadere onderbouwing onvoldoende zwaar wegen. In het licht van rechtsoverweging 4.11. van het vonnis van 17 oktober 2018 wordt daar nog aan toegevoegd dat RMT er zelf voor heeft gekozen om in Nederland en niet in China te gaan procederen. De gevolgen van die keuze komen voor haar rekening en risico.

4.10.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering strekkende tot opheffing van het conservatoir beslag wordt toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter het beslag, op de voet van artikel 705 lid 1 Rv, zelf zal opheffen. Gelet hierop heeft Yiwu geen belang bij haar vordering om de opheffing van het conservatoir beslag schriftelijk aan haar mede te delen. Deze vordering wordt, net als de gevorderde dwangsom, om die reden afgewezen.

4.11.

RMT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Yiwu worden begroot op:

- dagvaarding € 102,80

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.721,80

4.12.

Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:BL1116).

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het op 13 december 2018 ten laste van Yiwu onder Stichting Derdengelden Advocatuur Heussen te Amsterdam gelegde conservatoir beslag,

5.2.

veroordeelt RMT in de proceskosten, aan de zijde van Yiwu tot op heden begroot op € 1.721,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de zevende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2019.

2180/2009