Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10866

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
10/711002-18 en 10/692054-18 (ttz gev) vordering TUL VV: 05/841354-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

16 jarige veroordeeld voor openlijke geweldpleging tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel en oplegging vrijheidsbeperkende maatregel. Voorwaarden, toezicht en maatregel dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10/711002-18 en 10/692054-18 (ttz gev)

Parketnummer vordering TUL VV: 05/841354-15

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in RJJI

De Hartelborgt te Spijkenisse.

Raadsman mr. P.R. van de Water, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 12 april 2018, 18 september 2018, 15 november 2018 en 5 februari 2019. Op laatstgenoemde datum zijn de zaken inhoudelijk behandeld.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting van 5 februari 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1a, 1b en 2 ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

  • -

    oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 77we juncto 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende - kortgezegd - een contactverbod met [naam aangever 2] , [naam 1] , [naam getuige 4] en [naam 2] , voor de duur van 2 jaar, met 1 week hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van maximaal 6 maanden en de dadelijke uitvoerbaarheid ervan.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feiten 1a en 1b

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] geweld heeft gepleegd tegen aangever [naam aangever 1] en tegen [naam getuige 1] en dat de verdachte daarna de fiets van [naam aangever 1] heeft meegenomen. De verklaringen van de aangever en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] zijn betrouwbaar en er heeft geen sturing plaatsgevonden door de aangever, zijn moeder of de verbalisanten.

4.1.2.

Beoordeling

Feit 1a

De rechtbank overweegt dat gelet op de discrepantie tussen de aangifte en de verklaring van de aangever zoals afgelegd bij de rechter-commissaris onvoldoende is gebleken dat de fiets en de portemonnee van de aangever zijn gestolen. Bovendien is onvoldoende gebleken dat, als de fiets en de portemonnee van de aangever al zouden zijn gestolen, dit door de verdachte en/of zijn medeverdachten is gedaan. De aangever heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zijn fiets daar nog lag en hij die niet heeft gepakt omdat de verdachte en zijn medeverdachten daar nog stonden. Ook heeft hij bij zowel de politie als de rechter-commissaris verklaard dat hij zijn portemonnee kwijt is.

Feit 1b

De rechtbank twijfelt aan de eigen waarneming van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] , hetgeen maakt dat de aangifte onvoldoende ondersteund wordt. De aangifte is door de verbalisanten opgenomen in de slaapkamer van de aangever en getuige [naam getuige 2] was daarbij aanwezig. Bij de rechter-commissaris heeft [naam getuige 2] niet consistent verklaard; hij heeft eerst verklaard dat hij de verdachte en zijn medeverdachten heeft zien slaan en schoppen en later zegt hij dat hij van de aangever heeft gehoord dat de verdachte erbij was en dat getuige [naam getuige 1] zou hebben gezegd dat de verdachte zou hebben geslagen.

Bij het verhoor van de getuige [naam getuige 1] bij de politie is de aangever aanwezig geweest. Getuige [naam getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris aangegeven dat de aangever hem zou hebben geholpen bij het afleggen van zijn getuigenverklaring bij de politie. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij van de aangever heeft gehoord dat de verdachte en zijn broer erbij waren, bij de rechter-commissaris stelt hij hierover voorts nog dat deze passage niet uit zijn eigen mond kwam en dat de aangever hem daarbij heeft geholpen.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1a en 1b ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 2

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [naam getuige 3] en [naam getuige 4] met betrekking tot de herkenning van de verdachte ongeloofwaardig zijn en daarom onbruikbaar voor het bewijs. Hij heeft daarbij gesteld dat hetgeen zowel [naam getuige 3] als [naam getuige 4] hebben verklaard feitelijk gezien onmogelijk is en dat [naam getuige 3] en [naam getuige 4] niet tegelijk door het raampje hebben kunnen kijken en dat zij inconsistent hebben verklaard.

4.2.2.

Beoordeling

Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank de verklaringen van de getuigen [naam getuige 3] en [naam getuige 4] betrouwbaar. Zij hebben bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn consistent, duidelijk en op wezenlijke punten met elkaar in overeenstemming. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd vindt de rechtbank geen aanleiding (delen van) de verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de verklaringen van voornoemde getuigen de conclusie dat de verdachte de aangever heeft geschopt/getrapt tegen zijn hoofd en zijn lichaam en aldus een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld.

4.2.3.

Conclusie

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij

op 02 juni 2018 te Spijkenisse,

op of aan de openbare weg, de Gaffelvoorde,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam aangever 2] , welk geweld bestond uit het meermalen, schoppen en/of trappen tegen die (op de grond liggende) [naam aangever 2] tegen het hoofd, en/tegen het lichaam,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering maatregelen

7.1.

Algemene overweging

De maatregelen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de maatregelen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Op 2 juni 2018 heeft hij aangever [naam aangever 2] samen met de medeverdachten aangevallen in de voortuin van de woning van [naam aangever 2] ex-vrouw. De aangever werd daarbij nadat hij ten val was gekomen, geschopt tegen zijn hoofd en lichaam waarbij hij een gebroken tand en neusletsel opliep. Een langer lopend conflict tussen de groep verdachten en de aangever en diens familiekring lijkt ten grondslag te hebben gelegen aan dit incident.

De verdachte heeft door zijn handelen niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij de mensen die getuige zijn geweest van het geweld, waaronder de familieleden van het slachtoffer die ’s avonds in huiselijke kring bijeen waren toen er werd aangebeld en ruzie werd gezocht, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gevolgen voor slachtoffers van geweld zeer ingrijpend kunnen zijn.

De verdachte was ten tijde van het gepleegde feit 16 jaar oud.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

11 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

GZ–psycholoog M. Hulshof en kinder- en jeugdpsychiater B.G.J. Gunnewijk hebben een ForCA rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 21 januari 2019. Dit rapport houdt samengevat het volgende in.

Vanuit zijn ontwikkelingsgeschiedenis komt het beeld naar voren van een in aanleg zwakbegaafde jongeman die al vroeg in zijn ontwikkeling opvalt door zijn verstoorde functieontwikkeling en het vertonen van forse gedragsproblemen. Hij groeit, zeker in zijn vroege jeugd, op in een onveilige gezinscontext waarbij ouders op zijn kleuterleeftijd scheidden. Zijn gedragsproblemen zijn, ondanks herhaalde inzet van hulpverlenende instanties, blijven voortduren vanaf zijn kinderleeftijd tot in zijn huidige functioneren. Hij komt daarbij al in zijn vroege puberteit met justitie in aanraking, waarbij herhaalde geweldsincidenten naar voren blijven komen. Gezien wordt ook dat hij zich in de omgang met zijn peergroep nogal moet laten gelden. Geconcludeerd wordt dat er naast zijn zwakbegaafdheid sprake is van een normoverschrijdend-gedragsstoornis met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. Er worden vanuit de huidige observatie geen duidelijke beperkingen in zijn regulerende functies gezien.

De geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens was ook aanwezig ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen. Gezien wordt dat de vertoonde agressie in de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, instrumenteel van aard lijkt. Zijn agressie lijkt daarbij vooral te worden bepaald door een gebrek aan remming vanuit een gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie, zijn egocentriciteit met een gebrek aan empathie, een beperkte frustratietolerantie, een matig overzicht over sociale situaties, zijn negatieve beïnvloedbaarheid en moeite met het overzien van de lange termijn gevolgen vanuit zijn zwakbegaafdheid en het zich laten beïnvloeden door de negatieve peergroep waarvan hij deel uitmaakt en waarin hij zich ook wil laten gelden.

Het risico op toekomstig gewelddadig gedrag wordt op basis van de risicotaxatie middels de SAVRY en de SAPROF-YV en de eigen klinische indrukken als hoog ingeschat.

De verdachte vertoont vanaf de vroege puberteit een patroon van het steeds weer vervallen in antisociale gedragingen, ondanks meerdere interventiepogingen, waarbij hij zich zelfbepalend opstelt en zich nauwelijks laat sturen door anderen. De gewetensfuncties zijn nog lacunair en de empathische vermogens beperkt. Vanuit het gezin wordt weinig toezicht geboden en moeder is onvoldoende in staat gebleken om het gedrag van de verdachte bij te sturen. De verdachte heeft omgang met delinquente leeftijdgenoten en beschikt nog over onvoldoende adequate copingvaardigheden om zijn gedrag bij te sturen. Hij staat niet open voor hulpverlening, althans zo is gebleken in het verleden.

Daar er bij de verdachte in het verleden verschillende vormen van hulp zijn ingezet, zowel ambulant als residentieel, civiel en strafrechtelijk, maar dan van beperkte duur, zonder dat dit geleid heeft tot substantiële verandering, wordt gemeend dat alleen een langdurige residentiële behandeling binnen forensisch kader resteert om zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, als wel zijn cognitieve ontwikkeling, nog in positieve zin te kunnen beïnvloeden. Gezien het feit dat in het verleden meerdere malen is getracht om hulpverlening te laten slagen maar dit vanwege de houding van de verdachte onvoldoende is gelukt, wordt het positieve effect van een voorwaardelijk kader als nihil geschat.

Geadviseerd wordt om aan de verdachte een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook te noemen: PIJ-maatregel) op te leggen.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 januari 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is een verstandelijk beperkte jongen met een belaste voorgeschiedenis, waarbij sprake is van scheefgroei van jongs af aan. Als twaalfminner kent hij reeds politiecontacten en dit jaar bereikt hij de meerderjarige leeftijd waarbij de politie- en justitiecontacten zich in de tussentijd opgestapeld hebben. Voor de opvoedsituatie is jarenlang hulpverlening ingezet. Er is wel sprake van enige verandering met betrekking tot de opvoedvaardigheden van moeder, maar dit heeft onvoldoende opgeleverd om de verdachte ervan te weerhouden te recidiveren. Ook de omgeving waarin zij wonen waar sprake is van criminaliteit en de weinige tot geen positieve voorbeeldfiguren in de directe omgeving van de verdachte waar hij zich aan kan optrekken hebben hier deels aan bijgedragen. De omgang met antisociale jongeren, het gebrek aan een dagbesteding en een vrijetijdsbesteding in combinatie met de onvoldoende cognitieve en sociale vaardigheden, gebrekkige impulscontrole, agressie, zwakbegaafdheid, gebrekkige normen en waarden/attitude hebben het recidiverisico enkel verhoogd.

Diverse hulpverleningstrajecten waaronder de maatregel ondertoezichtstelling, plaatsingen in instellingen in het civiele kader in zowel open als gesloten setting, diverse strafrechtelijke interventies zoals de maatregel Toezicht en Begeleiding, ITB Harde Kern en Elektronisch Toezicht hebben niet kunnen leiden tot vermindering van het recidiverisico. De verdachte bleef recidiveren. De Raad betreurt het gegeven dat, ondanks de diverse interventies, dit niet geleid heeft naar een positieve ontwikkeling.

De Raad kan zich vinden in de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd door de ForCA om de gedragsverandering effectief te kunnen uitvoeren. Een plaatsing binnen JJI Lelystad (onderdeel van Intermezzo), gericht op licht verstandelijk beperkte jongeren lijkt het beste aan te sluiten.

De Raad heeft overwogen of er binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel nog mogelijkheden liggen, echter de huidige opvoedomstandigheden waarin er sprake is van ontoereikende draagkracht van moeder maken dit onmogelijk. Ondersteuning vanuit huis is ontoereikend waardoor behandeling in ambulant kader niet mogelijk is. Uit het verleden is namelijk gebleken dat er diverse vormen van hulpverlening ten behoeve van de opvoedingssituatie aan bod zijn geweest, maar dit heeft niet geleid tot gedragsverandering.

Een vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting het advies toegelicht.

Ter zitting heeft mevrouw [naam 3] , als jeugdbeschermer werkzaam bij de William Schrikker Stichting Jeugdreclassering en Jeugdbescherming (WSSJJ) medegedeeld dat er op dit moment aan veel zorgpunten wordt gewerkt. De verdachte wil behandeld worden bij de Waag en is hiervoor aangemeld, hij kan terugkeren naar het Educatief Centrum en de moeder van de verdachte is druk bezig met het zoeken naar een andere woning.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij mee wil werken aan behandeling bij de Waag. Hij ziet in dat hij behandeld moet worden voor zijn agressie en impulsiviteit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor het onderhavige bewezenverklaarde feit - hoewel ernstig - te ver gaat.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een laatste kans in de vorm van een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting van jeugdigen aan verdachte mag worden gegund. Uit alle rapportages blijkt dat de verdachte langdurige behandeling nodig heeft. Na jarenlang niet open te hebben gestaan voor hulpverlening, lijkt de verdachte thans open te staan voor hulp in de vorm van behandeling bij de Waag.

Ook de jeugdige leeftijd van de verdachte alsmede de kans die de rechtbank de moeder en de jeugdbeschermer nog wil bieden ten aanzien van het bewerkstelligen van en toezien op de noodzakelijke gedragsverandering bij verdachte, hebben in die besluitvorming een rol gespeeld.

De rechtbank zal daarom met het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel volstaan, als stevige stok achter de deur voor de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen: de verdachte zal mee moeten werken aan behandeling bij de Waag, hij zal dagbesteding moeten hebben in de vorm van school of werk en hij dient zich te houden aan een meldplicht bij WSSJJ. De rechtbank zal daarbij een proeftijd van twee jaren opleggen.

Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) is gelet op de bewezenverklaring en de beschouwingen en de conclusies van de deskundigen, voldaan. De rechtbank stelt vast dat het gepleegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad in hun rapportages vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De voorwaardelijk op te leggen maatregel zal bij eventuele tenuitvoerlegging verlengbaar zijn tot een termijn van maximaal zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, aangezien de verdachte veroordeeld zal worden wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.

Gelet op de ernst van het feit en de rapportages van de psycholoog, de psychiater en de Raad

waaruit naar voren komt dat het recidivegevaar bij het uitblijven van behandeling hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom dergelijke misdrijven zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [naam aangever 2] , [naam 1] , [naam getuige 4] en [naam 2] , voor de duur van twee jaar, met één week hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de genoemde personen wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

8. Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van de onder 1a en 1b tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 148,50 aan materiële schade en een bedrag van € 50,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 455,- aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam benadeelde 1] in zijn geheel kan worden toegewezen en dat de vordering van [naam benadeelde 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.055,-.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

8.3.

Beoordeling

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en deze door de verdachte niet voldoende gemotiveerd is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.600,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding van [naam benadeelde 1] geen inhoudelijke beslissing genomen.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 2.055,-. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland van 30 maart 2017 is de verdachte veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie waarvan een gedeelte groot 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 2 maart 2018.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, gelet op de door hem gevorderde PIJ-maatregel.

9.3.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen.

9.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank is van oordeel dat nu aan de verdachte thans een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun is.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 77a, 77g, 77h, 77s, 77we, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1a en 1b ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de William Schrikker Stichting Jeugdreclassering en Jeugdbescherming te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- meewerkt aan behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling;

- gedurende de proeftijd dagbesteding zal hebben in de vorm van onderwijs en/of werk;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft opdracht aan de gecertificeerde William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

- zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam aangever 2] (geboren op [geboortedatum aangever 2] te [geboorteplaats aangever 2] ), [naam 1] (geboren op [geboortedatum naam 1] te [geboorteplaats naam 1] ), [naam getuige 4] (geboren op [geboortedatum getuige 4] 2004 te [geboorteplaats getuige 4] ) en [naam 2] (geboren op [geboortedatum naam 2] te [geboorteplaats naam 2] );

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;

met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van

€ 2.055,- (zegge: tweeduizendenvijfenvijftig euro), bestaande uit € 455,- aan materiële schade en € 1.600,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.055,- (hoofdsom, zegge: tweeduizendenvijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland d.d. 30 maart 2017 (parketnummer 05/841354-15) aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P. van der Stroom, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. F. Aukema-Hartog en mr. M.E. van der Zouw, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1A

hij op of omstreeks 11 januari 2018 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

op de openbare weg, te weten het Mizardpad,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets

en/of een portemonnee, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om hij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

(meermalen) (onverhoeds)

- blokkeren van de doorgang voor en/of het insluiten van die [naam slachtoffer 1] en/of

[naam slachtoffer 2] en/of

- slaan en/of stompen op/tegen de rug van die [naam slachtoffer 1] en/of het trekken aan de

kleding van die [naam slachtoffer 1] , waardoor die [naam slachtoffer 1] van zijn fiets wordt getrokken

en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht van die [naam slachtoffer 1] en/of

- schoppen en/of trappen tegen de/het be(e)n(en) en/of het lichaam van die

[naam slachtoffer 1] en/of

- slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] en/of

- schoppen en/of trappen tegen het/de be(e)n(en) van die [naam slachtoffer 2] , waardoor

die [naam slachtoffer 2] ten val kwam;

En/of

1B

hij op of omstreeks 11januari2018 te Spijkenisse, openlijk, te weten op of aan de Hekelingseweg, in elk

geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] door die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2]

- de doorgang te blokkeren en/of in te sluiten van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal te duwen en/ofte schoppen en/ofte trappen en/ofte slaan en/of

te stompen van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

- bij de kleding te pakken en/of te trekken van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] ;

2.

hij

op of omstreeks 02 juni 2018

te Spijkenisse,

op of aan de openbare weg, de Gaffelvoorde, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens) slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen die (op de grond liggende) [naam slachtoffer 3] in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten een gebroken voortand en/of een verwonding op de neus) voor die [naam slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad;