Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10857

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
19/2367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Studiefinancieringszaak. De zaak heeft betrekking op de wijze van besluitvorming van de Minister van OCW en de dienst, DUO en wat al dan niet onder een aanvraag studiefinanciering dient te worden verstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2367

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2019 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[naam] , te Rotterdam, opposant,

gemachtigde: mr. G. Gabrelian,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2019 in het geding tussen opposant en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: verweerder) over het besluit van 24 mei 2019.

Procesverloop

Opposant heeft bij verweerder op 2 mei 2018 een aanvraag om studiefinanciering ingediend.

Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag opposant bij besluit van 2 mei 2018 meegedeeld dat hem over de periode van september tot en met december 2018 een collegegeldkrediet van € 171,67 is toegekend. Tevens is opposant bericht dat nog geen beslissing is genomen over het recht op studiefinanciering over de periode in de vorm van een aanvullende beurs, lening of reisvoorziening.

Bij besluit van 21 augustus 2018 heeft verweerder aan opposant studiefinanciering over de periode van september tot en met december 2018 in de vorm van een lening tot een bedrag van € 870,46 en een reisvoorziening toegekend.

Bij besluit van gelijke datum is opposant door verweerder meegedeeld dat de studiefinanciering over het kalenderjaar 2019 nog niet kan worden berekend, omdat de bedragen nog niet bekend zijn.

Verweerder heeft bij besluit van 18 oktober 2018 aan opposant over het kalenderjaar 2019 een collegekrediet van € 345,25 verstrekt. Tevens is meegedeeld dat over het kalenderjaar 2019 nog geen beslissing is genomen over het recht op studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs, lening of reisvoorziening.

Verweerder heeft bij brief van 19 februari 2019 opposant meegedeeld dat moet worden gecontroleerd of hij gedurende de periode dat hij in 2018 studiefinanciering ontving heeft gewerkt als ondernemer en hiervoor een reële en daadwerkelijke beloning heeft ontvangen. Met het oog hierop is opposant gevraagd de bij deze brief meegezonden verklaring in te vullen en ondertekend in te leveren en de in de brief genoemde bewijsstukken over te leggen.

Opposant heeft op 20 februari 2019 diverse stukken ingeleverd bij verweerder. Bij brief van 18 maart 2019 heeft verweerder opposant bericht dat nog aanvullende gegevens nodig zijn voor de beoordeling over 2018. Opposant heeft op 18 maart 2019 nadere gegevens aan verweerder doen toekomen. Verweerder heeft bij brief van 10 april 2019 aan opposant meegedeeld dat nog enkele bewijsstukken moeten worden ingeleverd, waarop door opposant bij brief van 12 april 2019 is gereageerd.

Opposant heeft verweerder bij brief van 23 april 2019 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit over de vaststelling van het recht op studiefinanciering over het kalenderjaar 2019.

Verweerder heeft bij besluit van 29 april 2019 aan opposant meegedeeld dat zijn verzoek om een besluit te nemen omtrent het recht op studiefinanciering over het kalenderjaar 2019 en de toekenning van dwangsom zijn afgewezen, omdat de door opposant op 20 februari 2019 ingezonden stukken niet kunnen worden beschouwd als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tegen dit besluit heeft opposant op 8 mei 2019 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 24 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van opposant tegen het primaire besluit van 23 april 2019 (bedoeld is: 29 april 2019) ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 mei 2019 heeft opposant beroep ingesteld (geregistreerd onder nr. 19/2367) tegen het besluit van 23 april 2019 strekkende tot schriftelijke weigering een besluit te nemen op de aanvraag door verweerder over het recht op studiefinanciering over 2019. Tevens is bij brief van dezelfde datum beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder over het recht op studiefinanciering over het kalenderjaar 2018 (geregistreerd onder nr. 19/2366). Opposant heeft voorts tegen voormeld besluit op bezwaar van 24 mei 2019 bij brief van 8 mei 2019 beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nr. 19/3067.

Bij brief van 16 mei 2019 heeft verweerder opposant nogmaals meegedeeld dat moet worden gecontroleerd of hij gedurende de periode dat hij in 2018 studiefinanciering ontving heeft gewerkt als ondernemer en hiervoor een reële en daadwerkelijke beloning heeft ontvangen. Met het oog hierop is opposant opnieuw gevraagd de bij deze brief meegezonden verklaring in te vullen en ondertekend in te leveren en de in de brief genoemde bewijsstukken over te leggen.

Verweerder heeft bij brief van 20 mei 2019 een verweerschrift ingediend. Hierin heeft verweerder zich voor wat betreft de toekenning van studiefinanciering over 2019 op het standpunt gesteld dat deze afhankelijk is van de uitkomst van de controle over 2018.

De rechtbank heeft op 26 juni 2019 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb geoordeeld dat geen kennis kan worden genomen van opposants beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit of een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. De beroepen zijn tevens aangemerkt als zijnde van rechtswege gericht tegen eerdergenoemd dwangsombesluit en door de rechtbank kennelijk ongegrond verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep onder nr. 19/2367 verzet gedaan. Daarbij is niet aangegeven dat opposant op het verzet wenst te worden gehoord.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 26 juni 2019 het beroep van opposant, geregistreerd onder nr. 19/2367, terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat van dit beroep geen kennis kon worden genomen en dat dit van rechtswege tegen het dwangsombesluit gerichte beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen.

2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is voor zover hier van belang overwogen dat over het recht op studiefinanciering over 2019 geen aanvraag voorligt. Het besluit van 18 oktober 2018 over het recht op studiefinanciering over 2019 is genomen zonder dat opposant daartoe een aanvraag heeft ingediend. Hierop gelet is er geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit of een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Gelet op artikel 8:1 van de Awb in samenhang bezien met artikel 6:2 van de Awb kon dan ook geen beroep worden ingesteld bij de rechtbank, zodat zij in zoverre kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van opposants beroep.

Tevens is overwogen dat opposants beroep op grond van artikel 4:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op het dwangsombesluit van 29 april 2019, hetgeen betekent dat verweerder niet bevoegd was om op het daartegen gerichte bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft, nu opposant daardoor niet in zijn belangen is geschaad, dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Verweerders besluit op bezwaar is door de rechtbank opgevat als een nadere onderbouwing van verweerders standpunt.

De rechtbank heeft tenslotte overwogen dat nu er geen aanvraag voorlag ook geen dwangsommen zijn verbeurd, zodat het verzoek tot het betalen van een dwangsom terecht is afgewezen en het beroep in zoverre kennelijk ongegrond is.

3. In verzet heeft opposant aangevoerd dat de rechtbank is voorbijgegaan aan het feit dat er op 2 mei 2018 een aanvraag om studiefinanciering is ingediend, waarvan het besluit van verweerder van 18 oktober 2018 het resultaat is. Dit besluit heeft als onderwerp “Aanvraag studiefinanciering”, aldus opposant, terwijl een aanvraag studiefinanciering zich niet beperkt tot een kalenderjaar. Opposant stelt dat hij studiefinanciering heeft aangevraagd voor de gehele duur van zijn studie, niet slechts het kalenderjaar 2018. Met het besluit van 18 oktober 2018 is de inhoudelijke beslissing over 2019 zonder goede gronden aangehouden. Ondanks de ingebrekestelling van 23 april 2019 heeft verweerder verzaakt ten aanzien van het recht op studiefinanciering over 2019 een besluit te nemen op de aanvraag van 2 mei 2018.

4. Anders dan de rechtbank is de verzetrechter van oordeel dat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het recht op studiefinanciering over 2019 geen aanvraag van opposant voorhanden is.

Hierbij acht de verzetrechter van belang dat vaststaat dat opposant in ieder geval op 2 mei 2018 een aanvraag om studiefinanciering bij verweerder heeft ingediend. Verweerder heeft in zijn besluiten van 21 augustus 2018 en 18 oktober 2018 aan opposant meegedeeld dat de studiefinanciering over het kalenderjaar 2019 nog niet kan worden berekend, respectievelijk dat over het kalenderjaar 2019 nog geen beslissing is genomen over het recht op studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs, lening of reisvoorziening. Hoewel door de rechtbank is geoordeeld dat laatstgenoemd besluit door verweerder is genomen zonder dat opposant daartoe een aanvraag heeft ingediend, bieden de stukken daarvoor onvoldoende duidelijkheid en acht de verzetrechter nader onderzoek gewenst. Hierbij is tevens van belang dat het betreffende besluit als onderwerp vermeld “aanvraag studiefinanciering”. Met dit oordeel ten aanzien van opposants aanvraag om studiefinanciering kan in verzet tevens niet als vaststaand worden aangenomen dat geen sprake is van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen.

Gelet op het vorenstaande is de verzetrechter van oordeel dat nader onderzoek ter zitting nodig is ter beoordeling van het beroep, zodat de rechtbank zich ten onrechte kennelijk onbevoegd heeft verklaard om kennis daarvan te nemen en het beroep voor het overige kennelijk ongegrond te verklaren.

5. Het verzet is daarom gegrond, zodat de uitspraak waartegen verzet was gedaan vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

6. Gelet op het feit dat he verzet gegrond zal worden verklaard veroordeelt de rechtbank verweerder in de door opposant gemaakte proceskosten in verzet. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 256,- (0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het verzet gegrond;

- verooordeelt verweerder in de proceskosten in verzet tot een bedrag van € 256,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van

C.W. Steenkist, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.