Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10848

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
C/10/582868 / KG ZA 19-994 (voorlopige voorziening) / C/10/582865 / FA RK 19-8361 (beroep)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Wet Tijdelijk Huisverbod. Beroep tegen de verlenging van het huisverbod gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor het deel dat het contactverbod betreft met de minderjarige dochter van verzoeker en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven tot 2 oktober 2019, voorlopige voorziening afgewezen, proceskostenveroordeling.

Er is geen grond meer aanwezig voor het voortduren van het contactverbod ten aanzien van de minderjarige dochter. De casemanager zal bezien of nog begeleiding nodig is bij het contact. Verzoeker heeft de gronden van het beroep voor het overige ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/582868 / KG ZA 19-994 (voorlopige voorziening)

C/10/582865 / FA RK 19-8361 (beroep)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

2 oktober 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

verblijvende op een vaartuig,

gemachtigde mr. F.O. Ligeon-Merton.

en

de burgemeester van de gemeente Brielle, verweerder,

gemachtigden mr. A. Janssens en mr. N.E.N. Soliana te Den Haag,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[echtgenote verzoeker] , de echtgenote van verzoeker,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

en

[naam minderjarige] , minderjarige dochter van verzoeker,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2014 te [geboorteplaats minderjarige] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 19 september 2019 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker voor een periode van tien dagen, tot 29 september 2019 te 09.19 uur.

Bij besluit van 26 september 2019 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 17 oktober 2019 te 09.19 uur.

Bij brief van 30 september 2019 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. Aanwezig waren:

 verzoeker en zijn gemachtigde;

 verweerder, vertegenwoordigd door mr. Janssens en mr. Soliana;

De echtgenote van verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beslissing

 verklaart het beroep gegrond,

 vernietigt het bestreden besluit voor het deel dat het contactverbod betreft met de minderjarige dochter van verzoeker en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven tot 2 oktober 2019,

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af,

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.024,-, en bepaalt dat, omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de rechtsbijstandverlener worden betaald.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

2.3.

Op grond van het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er geen grond meer aanwezig is voor het voortduren van het contactverbod ten aanzien van de minderjarige dochter. De rechtbank heft dit contactverbod ten aanzien van de minderjarige dochter daarom met ingang van heden op. Ter zitting is afgesproken dat de casemanager uiterlijk donderdag 3 oktober 2019 zal bezien of nog begeleiding nodig is bij het contact van de man met de minderjarige dochter en zal hier zo nodig voor zorgdragen.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat de man de gronden van het beroep tegen het besluit tot verlenging van het huisverbod en van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor het overige heeft ingetrokken.

2.5.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 512,- en wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de kosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.

3. Omdat het beroep tegen de verlenging gegrond wordt verklaard, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en P. Landman, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: