Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10833

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-11-2019
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
10/996644-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging nu geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie had kunnen oordelen dat met de vervolging van de verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn. Terrorismefinanciering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996644-18

Uitspraakdatum: 1 november 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ( [postcode] ) te [woonplaats verdachte] ,

bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2019.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe – op de gronden die zij in haar pleitnota heeft opgenomen – aangevoerd dat de vervolging van de verdachte onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, meer specifiek met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte heeft geld overgemaakt naar een rekening van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het geld was niet direct beschikbaar voor [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ). Bij de verdachte is vertrouwen gewekt dat zij het geld mocht overmaken, omdat zij nooit geïnformeerd is dat zij door het overmaken van geld mogelijk de sanctieregeling zou schenden. In juni 2017 is [naam persoon] weer van de sanctielijst afgehaald. De verdachte lijdt sinds het uitreizen van [naam persoon] aan onder andere een depressieve stoornis en is al geruime tijd arbeidsongeschikt. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is van toepassing aangezien de verdachte in juli 2017 is veroordeeld in een andere strafzaak.

Geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie had in deze zaak kunnen oordelen dat met de vervolging van de verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van handelen in strijd met de beginselen van een goede procesorde geen sprake is. Het Openbaar Ministerie heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel als bedoeld in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), de bevoegdheid om tot vervolging over te gaan. De verdachte heeft meermalen geld overgemaakt naar [naam persoon] terwijl de Sanctieregeling terrorisme 2007-II (hierna: Sanctieregeling) op hem van toepassing was. Daarmee heeft zij strafbaar gehandeld. Het betreft een ernstig feit omdat er zes jaar gevangenisstraf op staat. Zij mocht er niet op vertrouwen dat het overmaken van het geld geoorloofd was. De verdachte had een ontheffing dienen te vragen bij de Minister van Financiën om strafvervolging te voorkomen.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat zij in de periode van 22 december 2016 tot en met 21 juni 2017 meermalen geld heeft overgemaakt naar de rekening-courant van [naam persoon] in de gevangenis, terwijl hij op de sanctielijst stond.

Vast staat dat [naam persoon] bij besluit van 11 november 2016 door de Minister van Buitenlandse Zaken is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling van toepassing was. Deze aanwijzing had onder meer tot gevolg dat aan [naam persoon] vanaf 11 november 2016 geen financiële middelen (waaronder geld) ter beschikking mochten worden gesteld. Op 21 juni 2017 is het besluit van 11 november 2016 ingetrokken en is [naam persoon] van de sanctielijst afgehaald.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank meegedeeld dat er overleg plaatsvindt over het ontvangen van geld door gedetineerden die op de nationale sanctielijst staan. Er wordt gewerkt aan een regeling waarbij, anders dan tot nu toe het geval was, gedetineerden die op de sanctielijst staan over (beperkte) financiële middelen moeten kunnen beschikken om te kunnen voorzien in bepaalde levensbehoeften. Een door de gedetineerde aangewezen vaste contactpersoon zou per maand een maximumbedrag van

€ 200,- kunnen overmaken naar een rekening van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, mits hiervoor een ontheffing is verkregen van de Minister van Financiën.

Bij de beantwoording van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 Sv de bevoegdheid heeft om te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.1

De rechtbank leidt uit het hetgeen de officier van justitie ter zitting heeft verklaard af dat er ten tijde van het dagvaarden van de verdachte een ander inzicht bestond ten aanzien van het ontvangen van geld door gedetineerden die op de sanctielijst staan, dan toen de verdachte geld overmaakte. De huidige opvatting lijkt te zijn dat het wenselijk is dat gedetineerden die op de sanctielijst staan kunnen beschikken over (beperkte) financiële middelen.

De rechtbank betrekt in haar oordeel tevens het gegeven dat [naam persoon] na zeven maanden

– nog tijdens zijn detentie – weer van de nationale sanctielijst is afgehaald. Niet is gebleken dat er in die periode wezenlijke veranderingen zijn geweest in zijn situatie.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat uit het dossier blijkt dat de bedragen die in de ten laste gelegde periode door de verdachte zijn overgemaakt aan [naam persoon] , telkens door het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn verwerkt en aan [naam persoon] ter beschikking zijn gesteld door storting op een rekening-courant. De rechtbank leidt daaruit af dat op dat moment kennelijk ook bij het ministerie het besef ontbrak dat de door de verdachte verrichte betalingen strafbaar waren.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat in onderhavige zaak, mede gezien de door de raadsvrouw geschetste persoonlijke omstandigheden en de toepasselijkheid van artikel 63 Sr, geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie had kunnen oordelen dat met de vervolging van de verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn.

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

4. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

mr. H.I. Kernkamp-Maathuis en mr. L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 november 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 21 juni 2017 te Alphen aan den Rijn en/of Vught en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van art. 2 Sanctieregeling terrorisme 2007-II heeft gehandeld doordat zij rechtstreeks dan wel middellijk middelen te weten:

- op of omstreeks 22 december 2016 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 30 januari 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 20 maart 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 02 mei 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 06 juni 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 21 juni 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017)

aan [naam persoon] ter beschikking heeft gesteld

terwijl [naam persoon] bij besluit van 11 november 2016 door de Minister van Buitenlandse Zaken was aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

1 vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280.