Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10761

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
C/10/571157 / FA RK 19-2799 (beroep tegen oplegging huisverbod) C/10/571159 / FA RK 19-2801 (beroep tegen verlenging huisverbod)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Wet tijdelijk huisverbod. Beroep gegrond verklaard. Besluit tot oplegging van het huisverbod en besluit tot verlenging van het huisverbod vernietigd. Verweerder is veroordeeld in de kosten van de procedure.

Omdat objectieve aanwijzingen ontbreken, bestaat geen duidelijk over het gestelde incident. De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat het in artikel 2 van de Wth bedoelde gevaar dan wel het vermoeden daarvan zich voordeed. De enkele omstandigheid dat sprake was van spanningen in de relatie van partijen, vormt op zichzelf geen grond voor voormeld vermoeden van gevaar. Verweerder was daarom niet bevoegd het huisverbod op te leggen. Het besluit tot oplegging van het huisverbod is in strijd met artikel 2 van de Wth, zodat het beroep gegrond wordt verklaard. De besluiten tot oplegging en verlenging van het huisverbod worden vernietigd.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROTTERDAM

Team familie

Reg.nrs.: C/10/571157 / FA RK 19-2799 (beroep tegen oplegging huisverbod)

C/10/571159 / FA RK 19-2801 (beroep tegen verlenging huisverbod)

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

wonende te [woonplaats eiser] ,

gemachtigde mr. V.C.T. Verkroost, advocaat te Rotterdam,

tegen

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

zetelende te Rotterdam,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[naam achterblijfster] , echtgenote van eiser (hierna: achterblijfster);

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2007 te [geboorteplaats kind 1] , het minderjarige kind van eiser;

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2011 te [geboorteplaats kind 2] , het minderjarige kind van eiser,

allen wonende te [woonplaats achterblijvers] , [adres achterblijvers] .

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 8 maart 2019 te 15.53 uur heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan eiser voor een periode van tien dagen, derhalve tot 18 maart 2019 te 15.53 uur.

1.2.

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft verweerder het huisverbod verlengd voor een periode van achttien dagen, derhalve tot 5 april 2019 te 15.53 uur.

1.3.

Bij beroepschrift van 1 april 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod, alsmede tegen het besluit tot verlenging van het huisverbod (hierna: de bestreden besluiten).

1.4.

Van de zijde van eiser is een brief met bijlagen ingekomen van 10 april 2019. Van de zijde van verweerder is een bericht met bijlagen ingekomen van 30 april 2019.

1.5.

Op 22 mei 2019 is van verweerder een verweerschrift ingekomen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019.

Aanwezig waren:

 verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. V.C.T. Verkroost en mr. H. de Jong;

 verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.C. Avedissian en de heer [naam] .

1.7.

Mr. Verkroost heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2 Overwegingen

2.1.

Bij het bestreden besluit van 8 maart 2019 heeft verweerder aan eiser een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van eiser in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning verblijven.

Bij het bestreden besluit van 18 maart 2019 heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van eiser in de woning nog steeds gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning verblijven.

2.2.

Het beroep strekt ertoe de bestreden besluiten te vernietigen en eiser een vergoeding in de proceskosten toe te kennen.

2.3.

Eiser heeft aangevoerd dat hij door het huisverbod is geschaad in zijn eer en goede naam. Dit is voldoende belang voor een beoordeling van zijn beroep in rechte, zodat de rechtbank hiertoe overgaat.

2.4.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

2.5.

Het opleggen van een huisverbod is een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

2.6.

Eiser betoogt dat geen sprake was van gevaar.

2.7.

Het huisverbod is opgelegd nadat achterblijfster op 7 maart 2018 aangifte heeft gedaan van bedreiging door eiser. Eiser en achterblijfster hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wat zich tussen hen heeft voorgedaan. De verklaringen van achterblijfster dat dat zij door eiser is bedreigd, bang is voor eiser, vaak door eiser wordt geslagen, in het verleden ook door eiser is bedreigd en mishandeld en dat dat sprake is van een onvrijwillig huwelijk worden door eiser uitdrukkelijk ontkend. Eiser heeft verklaard dat hij op 7 maart 2019 samen met hulpverleners in de woning aanwezig was om post door te nemen en dat hij achterblijfster heeft gevraagd om een bedrag van € 100,- van het boodschappengeld aan hem terug te geven zodat hij een schuld kon betalen. Vervolgens heeft hij de woning verlaten. Volgens eiser heeft geen ruzie plaatsgevonden. Het was voor hem onduidelijk waarom achterblijfster de politie heeft gebeld. Achterblijfster heeft volgens eiser psychische problemen, zij is gestopt met het gebruiken van medicijnen en is vaak onredelijk en boos. Eiser heeft tevens verklaard dat achterblijfster wil scheiden en eiser het huis uit wil zetten.

2.8.

Volgens verweerder bestaat het gevaar uit recidive van huiselijk geweld binnen een gezin waarin de verhoudingen niet gelijkwaardig zijn. In juli 2016 is aan eiser ook een huisverbod opgelegd.

2.9.

Over de bedreigingen, mishandelingen en machtsongelijkheid zijn geen objectieve gegevens beschikbaar in de vorm van letsel bij achterblijfster of getuigenissen van derden. Op 12 juli 2016 is aan eiser ook een huisverbod opgelegd, maar in de periode van juli 2016 tot het opleggen van het huisverbod in maart 2019 zijn geen meldingen gedaan van bedreigingen of andere vormen van geweld binnen het gezin van eiser en achterblijfster. In het Risico-taxatie instrument Huiselijk geweld dat is opgesteld door CVD Rotterdam Rijnmond staat dat sprake zou zijn van een toename van geweld, maar ter zitting heeft verweerder verklaard dat het incident van 7 maart 2019 minder ernstig was dan het incident in 2016. Voorts staat in dit formulier vermeld dat achterblijfster wordt geïsoleerd door eiser. Dit wordt echter niet door objectieve gegevens bevestigd.

2.10.

Omdat objectieve aanwijzingen ontbreken, bestaat geen duidelijk over wat op 7 maart 2019 tussen partijen is voorgevallen. De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat het in artikel 2 van de Wth bedoelde gevaar dan wel het vermoeden daarvan zich voordeed. De enkele omstandigheid dat sprake was van spanningen in de relatie van partijen, vormt op zichzelf geen grond voor voormeld vermoeden van gevaar. Verweerder was daarom niet bevoegd het huisverbod op te leggen. Het bestreden besluit tot oplegging van het huisverbod is in strijd met artikel 2 van de Wth, zodat het beroep gegrond wordt verklaard. De bestreden besluiten worden vernietigd.

2.10.1.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verklaart het beroep gegrond;

3.2.

vernietigt de bestreden besluiten;

3.3.

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.024,-.

Aldus gedaan door mr. M. Fiege, rechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. A.F.H. Domenie, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: