Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10740

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
10/994514-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer voor economische strafzaken heeft de verdachte een geldboete opgelegd ter hoogte van € 40.000 ter zake het overtreden van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de betekenis van ‘het op de markt brengen’ in de zin van artikel 3 van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994514-17

Datum uitspraak: 29 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum verdachte] ,

woonachtig op het adres [adres verdachte] ,
[woonplaats verdachte] , Groot-Brittannië,
bijgestaan door mrs. P. America en E. de Witte, advocaten te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.M.J. de Rijck heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat in strijd met het geldende handhavingsbeleid is besloten om de verdachte strafrechtelijk te vervolgen waar een bestuursrechtelijke afdoening op haar plaats was geweest. In dit verband is gewezen op de artikelen 90 en 94 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Wgb), het Handhavingsdocument voor de Wgb dat is opgesteld op 26 augustus 2008 en de Sanctiestrategie Wgb die dateert van 9 maart 2011. De officier van justitie heeft hierdoor het vervolgingsrecht verspeeld.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het openbaar ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zelfstandig de bevoegdheid heeft om te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

Bij de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging overweegt de rechtbank als volgt.

Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, betreft het opdracht geven tot dan wel feitelijke leiding geven aan opzettelijk door een rechtspersoon op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen in strijd met artikel 20 van de Wgb. Deze wet kent een duaal handhavingssysteem.

Op grond van artikel 90 van de Wgb heeft de minister de bevoegdheid om ter zake van

overtreding van onder meer artikel 20 van de wet een bestuurlijke boete op te leggen.

Artikel 94 van de Wgb voorziet erin dat overtredingen aan het openbaar ministerie worden voorgelegd, indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven.

Over de verhouding tussen de handhavingssystemen geeft de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) bij de Wgb aan dat het primaat bij de bestuurlijke handhaving ligt en het strafrecht dient als vangnet.1 In de MvT wordt over strafrechtelijke handhaving opgemerkt:

“Hoewel bestraffing door middel van bestuurlijke boetes het uitgangspunt zal zijn, blijft een rol voor het strafrecht zonder meer aangewezen in ieder geval waar het gaat om aanmerkelijke en opzettelijke vormen van illegaal middelengebruik. Te denken valt aan moedwillige overtredingen die leiden tot ernstig lichamelijk letsel of de dood van personen, of die ernstige gevolgen voor het milieu hebben. Ook ingeval van recidive ligt een strafrechtelijke aanpak in de rede. In het nog op te stellen handhavingsdocument zullen hierover concrete afspraken worden gemaakt.”

In het Handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008 (hierna: Handhavingsdocument) zijn meer concrete afspraken gemaakt over de keuze tussen de oplegging van de bestuurlijke boete en strafrechtelijke handhaving. In dit document is onder meer het volgende opgenomen:

Wanneer Strafrecht?

Ingevolge artikel 94 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt een overtreding aan het Openbaar Ministerie voorgelegd indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven. De Memorie van Toelichting bij de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (…) vult dit zo in dat het strafrecht wordt ingezet bij:

- ernstige overtredingen of
- herhaalde overtredingen, alsmede bij
- overtredingen begaan door een criminele organisatie of
- overtredingen begaan met behulp van frauduleuze constructies of
- overtredingen waarbij ingrijpende dwangmiddelen nodig zijn om de overtreding te kunnen vaststellen.

Ernst van het feit en de aard van de dader

In het licht van bovenstaande criteria wordt de strafrechtelijke relevantie van een overtreding verder bepaald aan de hand van de criteria: ernst van het feit en aard van de dader.

De ernst van het strafbare feit wordt sterk bepaald door de (mogelijke) gevolgen van het strafbare gedrag; met name: (het risico van) doden en gewonden, alsmede het bestaan van (dreigende; er bestaat een reële kans op) onomkeerbare ernstige schade aan milieu, volksgezondheid, voedselveiligheid, flora en fauna. Ook samenloop met andere strafbare feiten is van belang.

Bij de aard (persoon) van de dader zijn de volgende factoren van belang:

- stelselmatig gedrag
- calculerend gedrag
- crimineel gedrag
- concurrentievervalsing.

Deze criteria worden voor de WGB als volgt nader ingevuld: er wordt strafrechtelijk opgetreden als is voldaan aan ten minste één van onderstaande criteria:

- het is een overtreding met ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu: dat wil zeggen de overtreding heeft ernstige gevolgen veroorzaakt voor mens, dier of milieu, dan wel dreigt die te veroorzaken;

- het is een overtreding begaan in georganiseerd verband;

- het is een overtreding begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld om wederrechtelijk voordeel te behalen of de kans op ontdekking te minimaliseren;

- het is de derde overtreding in een tijdsbestek van 5 jaar; dat wil zeggen herhaalde

recidive binnen 5 jaar (…).”

De rechtbank is – gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat het openbaar ministerie in deze zaak tot strafvervolging mocht overgaan. Daarbij acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:

  • -

    op basis van het opsporingsonderzoek is duidelijk geworden dat een deel van de door de verdachte ingevoerde gewasbeschermingsmiddelen was verpakt in dozen en/of flacons die op het etiket de naam en het kenmerk van een middels paralleltoelating toegelaten gewasbeschermingsmiddel vermeldden, terwijl de betreffende middelen niet afkomstig waren van de producent aan wie de toelating was verleend. Dit heeft geleid tot het vermoeden van het gebruikmaken van een frauduleuze constructie (dat wil zeggen het vermoeden dat de verdachte niet-toegelaten middelen op de markt heeft gebracht op basis van de verleende toelatingen);

  • -

    nu het vermoeden bestond dat de verdachte niet-toegelaten middelen op de markt heeft gebracht waarvan onduidelijk was welke mogelijke schadelijke gevolgen deze middelen konden hebben, werd een potentieel gevaar in het leven geroepen voor mens, dier en milieu;

  • -

    nu het vermoeden bestond dat de verdachte bewust gebruik heeft gemaakt van de reeds verleende toelatingen en geen toelatingsdossier heeft samenstellen voor de betreffende middelen, heeft de verdachte mogelijk kosten bespaard. Dit kan leiden tot concurrentievervalsing.

De rechtbank concludeert dat – gelet op het voorgaande – aan meer dan één van de hiervoor in het genoemde Handhavingsdocument vermelde criteria om strafrechtelijk te mogen optreden, is voldaan, te weten mogelijk ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu en het vermoeden van een frauduleuze constructie. Daarbij komt dat op het moment dat de strafvervolging door het openbaar ministerie werd ingesteld reeds het vermoeden bestond dat de verdachte met valse gegevens werkte en concurrentievervalsing in de hand werkte. Het openbaar ministerie kon daarom in redelijkheid tot strafvervolging overgaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Waardering van het bewijs

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde gewasbeschermingsmiddelen bestemd waren voor verkoop en gebruik buiten de EU. De middelen waren op doorvoer naar Polen, waar ze opgeslagen zouden worden voor de verkoop aan klanten uit Oekraïne en Wit-Rusland. Van ‘op de markt brengen’ als bedoeld in artikel 3 onder punt 9 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (hierna: de Verordening), is aldus geen sprake. Voor zover wel sprake zou zijn van ‘op de markt brengen’, is geen strafbaar feit gepleegd omdat de uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 28 lid 2 sub d van de Verordening van toepassing is. Op grond hiervan was voor het op de markt brengen van de gewasbeschermingsmiddelen geen toelating vereist. In de derde plaats is aangevoerd dat de Verordening toepassing mist omdat de verdachte slechts in opdracht van [naam] handelde en om die reden niet kan worden aangemerkt als normadressaat van artikel 28 van de Verordening en daarmee van artikel 20 van de Wgb.

De verdediging heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht:

  • -

    [naam] , bestuurder van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] , als getuige te horen over de bestemming van de in beslag genomen gewasbeschermingsmiddelen en de wijze waarop de koop en levering van die goederen is geschied en met welk doel dit is gebeurd;

  • -

    onderzoek te laten verrichten naar de contramonsters van de in beslag genomen goederen om zodoende te kunnen onderbouwen dat de gewasbeschermingsmiddelen niet bestemd waren voor Polen omdat ze daar vanwege hun samenstelling niet verkoopbaar waren, en

  • -

    het openbaar ministerie onderzoek te laten doen naar de wijze van aankopen van gewasbeschermingsmiddelen in Polen door boeren uit Oekraïne.

Beoordeling van de tenlastelegging

Aan de verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited (hierna: [naam verdachte rechtspersoon] ) opzettelijk op de markt brengen van een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, terwijl deze overeenkomstig de Verordening in Nederland noch in Polen waren toegelaten. Dit is strafbaar gesteld in artikel 20, eerste lid, van de Wgb.

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Feit 1

Op 24 februari 2014 zijn drie containers met jerrycans gewasbeschermingsmiddelen aangekomen in de haven van Rotterdam. Deze lading was verstuurd vanuit China door [naam bedrijf 3] (hierna: [naam bedrijf 3] ) en was bestemd voor [naam verdachte rechtspersoon] , die de partij had gekocht.2

Na controle en onderzoek is gebleken dat de jerrycans de werkzame stof Tebuconazole bevatten, zijnde een fungicide.3 In totaal ging het om een hoeveelheid van 7200 jerrycans à 5 liter.4 Uit facturen die zijn opgesteld door [naam verdachte rechtspersoon] blijkt dat 26.300 liter ervan bestemd was voor het bedrijf “ [naam bedrijf 1] ” en dat 9.700 liter ervan was bestemd voor het bedrijf “ [naam bedrijf 2] ”, beide gevestigd in Polen.5

Feit 2
Op 5 maart 2014 is een container aangekomen in de haven van Rotterdam.6 Deze lading was eveneens verstuurd vanuit China door [naam bedrijf 3] en was aangekocht door [naam verdachte rechtspersoon] .7

Na controle en onderzoek is gebleken dat in de container jerrycans met daarin de werkzame stof Prochloraz zaten, zijnde een fungicide.8 In totaal ging het om een hoeveelheid van 2400 jerrycans à 5 liter.9 Uit facturen die zijn opgesteld door [naam verdachte rechtspersoon] volgt dat 8.000 liter ervan bestemd was voor [naam bedrijf 1] en dat 4.000 liter ervan was bestemd voor [naam bedrijf 2] .10

Feit 3

Op 5 maart 2014 is in de haven van Rotterdam nog een andere voor [naam verdachte rechtspersoon] bestemde – en door [naam bedrijf 3] vanuit China verstuurde – container aangekomen.11 Deze container bevatte 640 en 960 jerrycans à 5 liter van een middel met de werkzame stof Difenoconazole, zijnde een fungicide, respectievelijk Trinexapac-ethyl, zijnde een plantengroeiregelaar. Daarnaast zaten in de container 3.000 flessen à 100 gram van een middel met de werkzame stof Tribenuron-methyl, zijnde een herbicide.1213

Uit facturen die zijn opgesteld door [naam verdachte rechtspersoon] blijkt dat de jerrycans met Difenoconazole en Trinexapac-ethyl waren bestemd voor [naam bedrijf 2] , en dat de flessen Tribenuron-methyl waren bestemd voor [naam bedrijf 1] .14

Feit 4

Op 21 maart 2014 is vanuit India een container aangekomen in de haven van Rotterdam, die was aangekocht door [naam verdachte rechtspersoon] .15 Deze container bevatte 8820 flessen à 1 kilogram Aluminiumfosfide, zijnde een schimmelbestrijder.16 Uit een factuur die is opgesteld door [naam verdachte rechtspersoon] volgt dat deze partij was bestemd voor het in Polen gevestigde bedrijf “ [naam bedrijf 4] ”.17

De verdachte stond als (enige) bestuurder van [naam verdachte rechtspersoon] geregistreerd.18

Voor geen van de hierboven genoemde gewasbeschermingsmiddelen is op naam van [naam verdachte rechtspersoon] een toelating verleend.19

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij handelde in gewasbeschermingsmiddelen. Hij importeerde deze vanuit China en India en leverde deze vervolgens aan bedrijven in Polen. De gewasbeschermingsmiddelen werden in Rotterdam ingeklaard om vervolgens te worden vervoerd naar Polen teneinde aldaar te worden opgeslagen.20

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de verdediging, vast dat de hiervoor genoemde middelen gewasbeschermingsmiddelen zijn in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Verordening.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het handelen van [naam verdachte rechtspersoon] kan worden gekwalificeerd als het ‘op de markt brengen’ als bedoeld in artikel 3 onder punt 9 van de Verordening. [naam verdachte rechtspersoon] heeft de gewasbeschermingsmiddelen immers in Nederland ingevoerd met het oog op verkoop daarvan in Polen. De vraag of de verdachte normadressaat is van de Verordening is binnen dit kader niet van betekenis.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Verordening mag een gewasbeschermingsmiddel alleen op de markt worden gebracht wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig de Verordening is toegelaten. [naam verdachte rechtspersoon] beschikt voor de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen niet over een toelating. De verdediging beroept zich evenwel op de in artikel 28, tweede lid, onder d, van de Verordening genoemde uitzonderingssituatie en stelt dat een toelating niet is vereist indien het gaat om een middel dat – kort gezegd – is bestemd voor gebruik in een derde land. Dit verweer slaagt niet. Artikel 28, tweede lid onder d, van de Verordening geeft een uitzonderingssituatie voor wat betreft de ‘productie, opslag of vervoer’ (in de Engelstalige versie: ‘production, storage or movement’) van gewasbeschermingsmiddelen voor gebruik in een derde land. Verkoop van gewasbeschermingsmiddelen in een lidstaat valt dus niet onder de werking van de genoemde uitzonderingsclausule. [naam verdachte rechtspersoon] heeft de gewasbeschermingsmiddelen ingevoerd om ze te verkopen in Polen, zo heeft de verdachte zelf verklaard ter terechtzitting. Dat degenen die in Polen de gewasbeschermingsmiddelen zouden afnemen mogelijk derdelanders zouden zijn, doet daarom niet ter zake.

Gelet op het voorgaande heeft [naam verdachte rechtspersoon] gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Verordening. Omdat de verdachte aan dit handelen feitelijke leiding heeft gegeven, zijn de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijke verzoeken

De rechtbank wijst de, ter terechtzitting ingediende, voorwaardelijke verzoeken af, omdat

gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de verdediging de noodzaak tot het toewijzen van

deze verzoeken voor enige door de rechtbank in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te

nemen beslissing, onvoldoende heeft gemotiveerd.

Bewezenverklaring

Op grond van de genoemde wettige bewijsmiddelen en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op 24 februari 2014,

te Rotterdam,

opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

7200 jerrycans à 5 liter Tebuconazole,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en in Polen als

betrokken lidstaten overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren

toegelaten,

aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

2.

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op 5 maart 2014 te Rotterdam,

opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

2400 jerrycans à 5 liter Prochloraz,op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en in Polen als betrokken lidstaten overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren

toegelaten,

aan welke verboden gedraging verdachtefeitelijke leiding heeft gegeven;

3.

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op 5 maart 2014 te

Rotterdam,

opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

640 jerrycans à 5 liter Difenoconazole en960 jerrycans à 5 liter Trinexapac-ethyl en3000 flesjes a 100 gram Tribenuron-methyl,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en in Polen als

betrokken lidstaten overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren toegelaten,

aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

4.

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op 21 maart 2014,

te Rotterdam,

opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

8820 flessen à 1 kilogram Aluminiumfosfide,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en in Polen als

betrokken lidstaten overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren toegelaten,

aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

Hetgeen meer of andersis ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1, 2 en 4, telkens:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van feit 3:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk op de Europese markt brengen van grote hoeveelheden van diverse niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Hij heeft zes containers met gewasbeschermingsmiddelen, bestemd voor verkoop in Polen, uit respectievelijk China en India ingevoerd en deze op de markt gebracht. De verdachte heeft met zijn handelen in strijd gehandeld met de Wgb en met de Verordening.


De teelt van planten neemt in de Gemeenschap een zeer belangrijke plaats in. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een van de belangrijkste methoden om planten en plantaardige producten tegen schadelijke organismen, met inbegrip van onkruid, te beschermen en de landbouwproductie te verbeteren. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook ongunstige uitwerkingen hebben op de teelt van planten. Het gebruik ervan kan risico’s en gevaren voor mens, dier en milieu inhouden, vooral wanneer zij zonder officieel te zijn getest en zonder officiële toelating op de markt worden gebracht of verkeerd worden gebruikt. De verdachte heeft met zijn handelen het bovenstaande gevaar in het leven geroepen door niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt te brengen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan, gelet op de grote risico’s voor mens, dier en milieu. Dit zijn dan ook ernstige strafbare feiten, waarop zal worden gereageerd met het opleggen van zowel een geldboete als een gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
9 oktober 2018 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat ook het onwenselijk lange tijdsverloop tussen opsporing en berechting (de feiten dateren uit februari en maart 2014) mee.
Gelet op het vorenoverwogene en in het gegeven dat de redelijke termijn is overschreden, wordt aanleiding gezien de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf aanzienlijk te matigen tot zes maanden en deze geheel voorwaardelijk op te leggen. Met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt mede beoogd de verdachte ervan te weerhouden om dergelijke strafbare feiten in de toekomst nogmaals te plegen. De rechtbank ziet in de gedateerdheid van de feiten tevens aanleiding om de beoogd op te leggen geldboete van € 45.000,- te matigen tot € 40.000,-.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van de Wetboek van Strafrecht;
- 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, en
- 28 van de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van

21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000,- (veertigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 235 dagen hechtenis;

veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. C.E. Bos en mr. L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2019.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel zonder toelating(containers [containernummer 1] , [containernummer 2] , [containernummer 3] ]

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op of omstreeks 24 februari 2014,

althans in of omstreeks de periode van 15 januari 2014 tot en met 25 februari

2014 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk

een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

7200, althans een aantal jerrycans à 5 liter Tebuconazole,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en/of in Polen als

betrokken lidstaten of lidstaat overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren of was

toegelaten,

tot welk strafbaar feit verdachte opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddelen" en "op de markt brengen" zijn

gebruikt in de betekenis die zij hebben in verordening (EG) 1107/2009.

2.

[op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel zonder toelating

(container [containernummer 4] ]

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op of omstreeks 5 maart 2014, althans

in of omstreeks de periode van 22 januari 2014 tot en met 12 maart 2014 te

Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk

een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

2400, althans een aantal jerrycans à 5 liter Prochloraz,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en/of in Polen als

betrokken lidstaten of lidstaat overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren of was

toegelaten,

tot welk strafbaar feit verdachte opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddelen" en "op de markt brengen" zijn

gebruikt in de betekenis die zij hebben in verordening (EG) 1107/2009.

3.

[op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen zonder toelating (container

[containernummer 5] ]

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op of omstreeks 5 maart 2014, althans

in of omstreeks de periode van 29 januari 2014 tot en met 21 maart 2014 te

Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk

een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

640, althans een aantal jerrycans à 5 liter Difenoconazole en/of

960, althans een aantal jerrycans à 5 liter Trinexapac-ethyl en/of

3000, althans een aantal flesjes a 100 gram Tribenuron-methyl,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en/of in Polen als

betrokken lidstaten of lidstaat overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren of was

toegelaten,

tot welk strafbaar feit verdachte opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddelen" en "op de markt brengen" zijn

gebruikt in de betekenis die zij hebben in verordening (EG) 1107/2009.

4.

[op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel zonder toelating

(container [containernummer 6] ]

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] Enterprise Limited op of omstreeks 21 maart 2014,

althans in of omstreeks de periode van 2 januari 2014 tot en met 21 maart 2014

te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk

een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

8820, althans een aantal flessen à 1 kilogram Aluminiumfosfide,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland en/of in Polen als

betrokken lidstaten of lidstaat overeenkomstig de verordening (EG) Nr.

1107/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009

betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot

intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EG van de Raad waren of was

toegelaten,

tot welk strafbaar feit verdachte opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddelen" en "op de markt brengen" zijn

gebruikt in de betekenis die zij hebben in verordening (EG) 1107/2009.

1 Kamerstukken II 2005-2006, 30 474.

2 Proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 1] , p. 1 en 2.

3 Idem, p. 12.

4 Idem, p. 2.

5 Idem, p. 4 en 5.

6 Proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 2] , p. 12.

7 Idem, p. 2.

8 Idem, p. 8.

9 Idem, p. 2.

10 Idem, p. 5.

11 Proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 2] , p. 13.

12 Idem, p. 1, 2, 3, 15 en 16.

13 Het aanvullend proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 3] , p. 3.

14 Proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 4] , p. 11 en 12.

15 Proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 5] , p. 1 en 2.

16 Idem, p. 1, 2, 3 en 8.

17 Idem, p. 5 en 6.

18 Proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 2] , p. 14.

19 Het aanvullend proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met nummer [nummer proces-verbaal 3] , p. 1 en 2.

20 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 2019 afgelegd.