Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10738

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
C/10/561882 / HA ZA 18-1055
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst. Haviltex. Geen tekortkoming in de nakoming. Geen rechtsgeldige ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/561882 / HA ZA 18-1055

Vonnis van 12 februari 2020

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

CARISBROOKE SHIPPING LIMITED,

gevestigd te Cowes, Groot-Brittannië,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

CARISBROOKE SHIPPING HOLDINGS LIMITED,

gevestigd te Cowes, Groot-Brittannië,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M. van der Laarse te Rotterdam,

tegen

de stichting

STICHTING OBLIGATIEHOUDERS VLOOTFONDS HANZEVAST II,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E. Eshuis te Groningen.

Eiseressen in conventie zullen hierna gezamenlijk Carisbrooke c.s. genoemd worden en afzonderlijk Carisbrooke Limited en Carisbrooke Holdings. Gedaagde in conventie zal hierna de Stichting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 oktober 2018 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties,

  • -

    de brief van deze rechtbank van 12 juli 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties,

  • -

    de brief van de Stichting van 20 november 2019 met producties 20 tot en met 23,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 december 2019, waarbij de zaak naar de parkeerrol is verwezen,

  • -

    de spreekaantekening van mr. Van der Laarse,

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Eshuis,

  • -

    het verzoek van partijen van 22 januari 2020 om de zaak op te brengen en vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Carisbrooke-concern en het Hanzevast-concern zijn beide actief in de scheepvaart.

2.2.

In 2007 is op initiatief van Hanzevast Capital NV (hierna: Hanzevast) de commanditaire vennootschap Vlootfonds Hanzevast II CV (hierna: de CV) opgericht. De CV had tot doel om vier multipurpose schepen (hierna: de schepen) te laten bouwen en te exploiteren. De koopprijs van de schepen is voldaan door middel een lening van de Commerzbank van $ 60 miljoen en de inleg van de participanten bij de CV van ongeveer $ 40 miljoen. Aan Commerzbank is een recht van hypotheek op de schepen verstrekt.

2.3.

Beherend vennoot van de CV was Carisbrooke Shipping (CV 14) B.V. (hierna: Carisbrooke CV14). Het commercieel en technisch management van de CV werd op basis van een daartoe gesloten overeenkomst gevoerd door Carisbrooke Limited. Carisbrooke Holdings nam zelf voor ruim $ 8 miljoen deel in de CV.

2.4.

In 2014 is door een groot deel van de participanten aan de CV een lening verstrekt van $ 5 miljoen in de vorm van een obligatie. Ten behoeve van het beheer van die obligatie is de Stichting opgericht. Als zekerheid voor de obligatie werd aan de Stichting een recht van hypotheek verleend, gerangschikt als tweede in rang na het hypotheekrecht van Commerzbank, tot een bedrag van $ 5 miljoen.

2.5.

In december 2015 heeft herfinanciering plaatsgevonden, waarbij Investec Bank Plc. (hierna: Investec) in de plaats is getreden van Commerzbank. De hoogte van het krediet bedroeg op dat moment $ 26 miljoen. Carisbrooke Holdings heeft zich daarbij jegens Investec voor een bedrag van $ 8 miljoen garant gesteld voor hetgeen Investec van de CV te vorderen had. Tussen de stichting en Carisbrooke Holdings is kort daarop een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij de stichting aan de vordering van Carisbrooke Holdings op de CV voorrang verleent boven haar hypotheekrecht tot een bedrag van $ 2,8 miljoen, voor zover Carisbrooke Holdings aan Investec moet betalen onder de garantie.

2.6.

Carisbrooke Limited heeft als manager de exploitatiekosten (hierna: opex) van de CV voorgeschoten. Ook was de CV op grond van de managementovereenkomst een managementvergoeding verschuldigd. Gedurende langere tijd is de exploitatieopbrengst van de CV onvoldoende geweest om de voorgeschoten opex en de managementvergoeding aan Carisbrooke Limited te voldoen, waardoor de vordering van Carisbrooke Limited op de CV is opgelopen. In een bericht aan de participanten van 1 november 2016 schrijft de heer [naam] , directeur van Carisbrooke CV14:

“Carisbrooke is niet langer bereid om verdere cashflow-ondersteuning te geven aan het fonds. Alleen indien de obligatiehouders besluiten de cashflow-ondersteuning van Carisbrooke (de reeds opgebouwde vordering en eventuele toekomstige ondersteuning aangaande operationele kosten en managementfees) tot een bedrag van USD 2,8 miljoen voor te laten gaan op de claim die de obligatiehouders hebben, wil Carisbrooke dit opnieuw overwegen.”

2.7.

Op 10 november 2016 is een extra participantenvergadering gehouden. In een presentatie die bij die gelegenheid is gegeven is door Carisbrooke CV14 is onder meer opgenomen:

“Carisbrooke is slechts bereid om verdere ondersteuning te bieden indien

zij voorrang krijgt op de obligatiehouders voor $ 2,8m.

De ondersteuning van Carisbrooke ten bedrage van $ 2,8m bestaat uit management fees en operationele kastekorten (stand per 30 september $ 2,2m).

Als dit bedrag is bereikt, is Carisbrooke alleen nog bereid om management fees op te schorten en wordt er geen krediet meer verleend voor operationele kastekorten.”

2.8.

Eind 2016 hebben de obligatiehouders ingestemd met het verlenen van voorrang aan Carisbrooke boven het aan de Stichting verleende recht van hypotheek tot een bedrag van $ 2,8 miljoen. Deze afspraak is uiteindelijk vastgelegd in een in juni en juli 2017 tot stand gekomen overeenkomst (hierna: de overeenkomst). Daarin is onder meer opgenomen:

“Met in achtneming van de besluitvorming tijdens de op 30 november 2015 en 23 november 2016 gehouden vergaderingen verkrijgt, in verband met de uitstaande schuld van Carisbrooke Shipping op het fonds, de vordering van Carisbrooke Group, ongeacht de grondslag, tot een bedrag van maximaal USD 2,8 miljoen voorrang op de door de tweede hypotheek gesecureerde vordering van de obligatiehouders bij een eindafrekening van de meeropbrengst van de schepen nadat de eerste hypotheekhouder (Investec Bank PLC) zal zijn voldaan.

Nadat deze eerste USD 2,8 miljoen aan Carisbrooke Group is toegekomen delen partijen een eventuele meeropbrengst tot maximaal USD 10,2 miljoen boven deze USD 2,8 miljoen indien de uitstaande schuld van Carisbrooke Group is opgelopen vanwege het feit dat Investec Bank PLC onder de garantie heeft geclaimd en Carisbrooke moet betalen, in de verhouding van ieders vordering op het fonds.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de thans aan de Bondholders toekomende

zekerheidsrechten uit hoofde van de tweede hypotheek niet wordt aangetast als gevolg van de hiervoor beschreven besluitvorming.”

2.9.

Wegens onvrede over het beleid en het ervaren gebrek aan door de beherend vennoot verstrekte informatie is tijdens een buitengewone vergadering van participanten van de CV op 28 november 2017 de vennootschapsovereenkomst met Carisbrooke CV14 beëindigd, ten gevolge waarvan Carisbrooke CV14 niet langer de beherend vennoot van de CV was. Daarop is een dochtervennootschap van Hanzevast, General Partner Hanzevast Vlootfonds 2 BV, als beherend vennoot benoemd.

2.10.

Op 22 december 2017 heeft Carisbrooke Limited het faillissement van de CV en Carisbrooke CV14 aangevraagd. Het faillissement van beide vennootschappen is uitgesproken op 6 februari 2018. De tegen die uitspraken aangewende rechtsmiddelen hebben geen doel getroffen.

2.11.

De curator heeft de schepen onderhands verkocht voor een totaalbedrag van $ 26,4 miljoen. Na voldoening van de vordering van Investec resteert van de koopsom een bedrag van $ 2.409.733,48. De curator houdt dit bedrag onder zich in afwachting van de uitkomst van deze procedure. Voorts hebben de kopers een bedrag van $ 735.000,- voldaan voor de in de schepen aanwezige bunkers en lube oils, en is er sprake van een uitkering van een door Investec aangehouden depot ten bedrage van $ 800.000,-. Van deze bedragen is nog niet bekend of zij toekomen aan de hypotheekhouder of dat zij in de boedel vallen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Carisbrooke c.s. vordert:

“bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Stichting te veroordelen tot betaling aan Carisbrooke c.s. van een bedrag van USD 2.860.500,-, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van EUR 6.675,-, met de wettelijke rente vanaf 14 september 2018 over een bedrag van USD 2.860.500,00 tot de dag van volledige betaling alsmede met de beslagkosten en de (na)kosten van deze procedure”

3.2.

Stichting voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

in reconventie

3.3.

De Stichting vordert, met veroordeling van Carisbrooke c.s. in de kosten van de procedure:

“- Voor recht te verklaren dat Carisbrooke in de nakoming van de overeenkomst tussen Carisbrooke en de Stichting d.d. juni 2017 tekort is geschoten en de Stichting de overeenkomst terecht heeft ontbonden;

- Subsidiair voorzover de overeenkomst niet is ontbonden: deze te ontbinden;

- Carisbrooke te gelasten medewerking te verlenen om het Surplus vrij te geven zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000 per dag dat Carisbrooke daarmee in gebreke blijft;

- Carisbrooke te veroordelen om aan de Stichting te voldoen de schade die zij heeft geleden door de tekortkoming van Carisbrooke nader op te maken bij staat en te vereffenen volgends de wet”

3.4.

Carisbrooke c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.5.

Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.

Zoals ook ter zitting besproken, betreft de kern van het geschil de vraag aan wie het door de curator in escrow gehouden surplus van de verkoop van de schepen moet worden uitgekeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat die gelden op grond van de overeenkomst in beginsel tot een bedrag van maximaal $ 2,8 miljoen aan Carisbrooke c.s. toekomen. Ter beoordeling ligt in deze procedure daarmee met name voor of, zoals door de Stichting in reconventie is gesteld, Carisbrooke c.s. bij de nakoming van deze overeenkomst toerekenbaar tekortgekomen is, ten gevolge waarvan de overeenkomst is ontbonden of ontbonden moet worden en Carisbrooke c.s. geen aanspraak meer kan maken op haar voorrang boven het hypotheekrecht van de Stichting. Daarmee lenen de vorderingen in conventie en reconventie zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2.

De Stichting heeft ter onderbouwing van haar stellingen - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Op grond van de overeenkomst diende Carisbrooke c.s. de voorfinanciering van de opex voort te zetten tot een bedrag van $ 2,8 miljoen en was het haar niet toegestaan om incassomaatregelen (waaronder het aanvragen van het faillissement) te treffen. Door het aanvragen van het faillissement is zij tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, zodat de Stichting gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden, hetgeen zij heeft gedaan bij brief van 17 mei 2018. Daarmee is de bij de overeenkomst verleende voorrang teniet gegaan, zodat Carisbrooke c.s. geen aanspraak kan maken op het surplus van de verkoop van de schepen.

4.3.

Carisbrooke c.s. heeft ten aanzien van de toerekenbare tekortkoming allereerst aangevoerd dat de overeenkomst geen wederkerig karakter heeft. In de overeenkomst is slechts opgenomen dat de vordering van Carisbrooke c.s. voorrang krijgt boven de vordering van de Stichting. Uit de overeenkomst vloeien dan ook geen verplichtingen voor Carisbrooke c.s. voort. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, dat zijn die verplichtingen beperkt tot het niet al in 2016 aanvragen van het faillissement. Uit de overeenkomst volgt in ieder geval niet dat Carisbrooke c.s. nooit het faillissement zou mogen aanvragen.

4.4.

Vast staat dat in de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst geen verplichtingen van Carisbrooke c.s. zijn opgenomen. Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja welke verplichtingen er eventueel desondanks op grond van de overeenkomst op Carisbrooke c.s. rusten, komt het echter aan op de zin die de partijen bij die overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5.

Bij de beoordeling daarvan dient in dit geval met name acht geslagen te worden op hetgeen partijen voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst hebben besproken. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2.6 en 2.7 is opgenomen is de mededeling dat Carisbrooke c.s. de voorfinanciering zou staken indien geen zekerheid in de vorm van een voorrang boven hypotheek zou worden verleend, de directe aanleiding voor het sluiten van de overeenkomst geweest. Onder de gegeven omstandigheden, zo begrijpt de rechtbank, zou het staken van die voorfinanciering op dat moment tot acute betalingsnood aan de zijde van de CV hebben geleid. Het verlenen van voorrang was dan ook noodzakelijk voor het doen voortbestaan van de CV. Uit de hiervoor aangehaalde mededelingen volgt echter dat Carisbrooke c.s. de bereidheid heeft uitgesproken om tot een bedrag van $ 2,8 miljoen door te blijven financieren, indien tot dat bedrag voorrang werd verleend. Op dat moment bedroeg de vordering van Carisbrooke c.s. volgens haar opgave minder dan dit bedrag. Op grond van deze omstandigheden mocht de Stichting dan ook in beginsel redelijkerwijs van Carisbrooke c.s. verwachten dat deze als tegenprestatie voor het ontvangen van de bedongen voorrang, de financiering niet zou staken en dus ook niet het faillissement van de CV en de beherend vennoot zou aanvragen. Voor zover Carisbrooke c.s. heeft betoogd dat de hiervoor aangehaalde mededelingen niet door haar zijn gedaan maar door de beherend vennoot zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, slaagt dit niet. Door Carisbrooke c.s. is niet weersproken dat naast [naam] , directeur van Carisbrooke CV14, het Carisbrooke-concern nimmer is vertegenwoordigd in de participantenvergaderingen en dat alle communicatie met Carisbrooke c.s. via [naam] verliep. De Stichting mocht er onder deze omstandigheden op vertrouwen dat [naam] gerechtigd was om Carisbrooke c.s. te vertegenwoordigen en dat hij hiervoor bedoelde mededelingen over de voorfinanciering namens Carisbrooke c.s. deed. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat beide partijen met het sluiten van de overeenkomst verplichtingen op zich hebben genomen.

4.6.

Het voorgaande brengt echter nog niet met zich dat uit de overeenkomst voortvloeit dat Carisbrooke c.s. nimmer gerechtigd was om het faillissement aan te vragen. Uit hetgeen is gesteld over de totstandkoming van de overeenkomst blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het aanbod van Carisbrooke c.s. zo moet worden begrepen dat zij slechts bereid was om de bestaande situatie nog voort te zetten indien zij nadere zekerheid zou krijgen voor de voldoening van de vordering. Bij die bestaande situatie is van wezenlijk belang dat zowel de beherend vennoot (Carisbrooke CV14) als de manager (Carisbrooke Limited) tot het Carisbrooke-concern behoorden. Daarmee kon Carisbrooke in grote mate het beleid van de CV bepalen. Zij had daarmee ook invloed op de hoogte van de vordering van Carisbrooke c.s. en op het uiteindelijk voldoen van die vordering op het moment dat de omzet van de CV dat zou toelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kon de Stichting op grond van de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs van Carisbrooke c.s. verwachten dat Carisbrooke c.s. ook bereid zouden zijn de financiering voort te blijven zetten indien Carisbrooke CV14 als beherend vennoot zou worden afgezet, nu Carisbrooke c.s. in dat geval niet langer direct invloed kon uitoefenen op het beleid van de CV.

4.7.

Daaruit volgt dat Carisbrooke c.s. op grond van de overeenkomst niet verplicht was om de financiering ook te continueren nadat Carisbrooke CV14 als beherend vennoot was afgezet en een dochtervennootschap van Hanzevast als beherend vennoot was aangesteld. Carisbrooke c.s. was dus in beginsel gerechtigd was om incassomaatregelen te treffen, waaronder het aanvragen van het faillissement.

4.8.

De Stichting heeft nog betoogd dat, indien Carisbrooke c.s. de financiering mocht stopzetten, Carisbrooke c.s. in ieder geval met Hanzevast in gesprek had moeten gaan over het overnemen van de vordering van Carisbrooke Limited alvorens over te gaan tot het aanvragen van het faillissement. Ook dat verweer slaagt niet. Allereerst geldt dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat Investec niet akkoord ging met de niet met haar besproken plotselinge wijziging van de vennootschapsstructuur. Door het vervangen van de beherend vennoot kon Investec overgaan tot de opzegging van het krediet, hetgeen zeer ingrijpende negatieve gevolgen had kunnen hebben, zodat het noodzakelijk was om snel een oplossing voor de ontstane situatie te bereiken. Voorts is van belang dat Hanzevast in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen kon voorzien dat Carisbrooke c.s. bij het afzetten van de beherend vennoot niet langer bereid zou zijn om de financiering te continueren. Het lag dan ook op de weg van Hanzevast en de Stichting om daarvoor tijdig voorzieningen te treffen. Daar komt bij dat er tussen het moment waarop de faillissementsaanvragen zijn gedaan en het moment waarop het faillissement is uitgesproken ruim anderhalve maand is verstreken. Ook in die periode hadden Hanzevast en de Stichting de vordering van Carisbrooke c.s. op de CV alsnog kunnen (laten) voldoen of tegen betaling kunnen (laten) overnemen indien zij daartoe bereid en in staat waren geweest.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat Carisbrooke c.s. niet tekortgekomen is in de nakoming van de overeenkomst. Er is dus geen sprake van een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst door de Stichting, noch zal de Rechtbank deze ontbinden. Partijen zijn dus aan die overeenkomst en de daarin opgenomen voorrang van de vordering van Carisbrooke c.s. gebonden. Het vaststellen van de omvang van die vordering is in beginsel echter aan de curator en valt in ieder geval buiten het bereik van deze procedure nu de vorderingen in conventie en reconventie dienen te worden afgewezen.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie niet toewijsbaar is. Uit de rechtsverhouding tussen Carisbrooke c.s. en de Stichting vloeit thans immers geen rechtstreekse betalingsverplichting van de Stichting jegens Carisbrooke c.s. voort. Wel kan Carisbrooke c.s. op grond van hetgeen partijen zijn overeengekomen bij voorrang aanspraak maken op een aan de curator in escrow gegeven deel van de opbrengst van de verkoop van de schepen. De vordering in conventie is daar echter niet op gericht en zal daarom worden afgewezen.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in reconventie op de gestelde grondslag evenmin toewijsbaar zijn. Van een tekortkoming die ontbinding van de overeenkomst tussen Carisbrooke c.s. en de Stichting zou kunnen rechtvaardigen is geen sprake. Door de Stichting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die tot toewijzing van de door haar ingestelde vorderingen kunnen leiden. De vorderingen in reconventie zullen dan ook worden afgewezen.

4.12.

De rechtbank ziet in de bijzondere omstandigheden van dit geval, waarin de over en weer ingestelde vorderingen zijn afgewezen, maar waarin niettemin is beslist op het voornaamste partijen verdeeld houdende geschilpunt, aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. J.W. Langeler en mr. W.J. Loorbach en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.
[1729;3190;182]