Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10240

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
C/10/583829 / KG ZA 19-1051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, aanbesteding deurwaardersdiensten. Vorderingen tot nadere motivering gunningsbeslissing, uitsluiten winnaar en heraanbesteding afgewezen. De nadere motivering van de gunningsbeslissing voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/583829 / KG ZA 19-1051

Vonnis in kort geding van 12 december 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEURWAARDERSKANTOOR B.E. BOITEN B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. T.H. Chen te Leiden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Velthuizen te Rotterdam,

waarin is tussengekomen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLANDERIJN EN BOUWMAN GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,

gevestigd te Appingedam,

advocaat mr. J.H.J. Bax te Rotterdam.

Partijen worden hierna BoitenLuhrs, het LBIO en Flanderijn genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 oktober 2019, met producties;

  • -

    de akte overlegging producties van BoitenLuhrs, tevens vermeerdering van eis;

  • -

    de akte overlegging producties van het LBIO;

  • -

    de incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst, subsidiair voeging van Flanderijn;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 25 november 2019;

  • -

    de pleitnota van BoitenLuhrs;

  • -

    de pleitnota van het LBIO.

1.2.

Flanderijn heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen BoitenLuhrs en het LBIO dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van het LBIO. Ter zitting hebben BoitenLuhrs en het LBIO verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Flanderijn is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 17 mei 2019 heeft het LBIO de Europese openbare aanbesteding voor de opdracht “Europese Aanbesteding deurwaardersdiensten tbv LBIO” (hierna: de Opdracht) gepubliceerd. Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (Aw) van toepassing. Het gunningscriterium is de ‘economisch meest voordelige inschrijving’ op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding.

2.2.

Doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van twee raamovereenkomsten voor het verrichten van deurwaardersdiensten ten behoeve van het LBIO voor de duur van twee jaar met de tweemaal de mogelijkheid tot verlenging met één jaar. De deurwaardersdiensten hebben betrekking op het innen van alimentatie, waarbij de uitvoerende deurwaarder aanspraak kan maken op (op de alimentatieplichtige verhaalbare) provisie.

2.3.

De aanbestedingsprocedure wordt uitgevoerd door NIC Inkoopprojecten (hierna: NIC). De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in onder meer het Beschrijvend Document van 17 mei 2019 (hierna: het Beschrijvend Document).

2.4.

In het Beschrijvend Document is bepaald dat de inschrijving die voldoet aan alle gestelde eisen en na de beoordeling de hoogste totaalscore heeft, wordt gekenmerkt als economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding en voor gunning in aanmerking komt. Het subgunningscriterium ‘Prijs’ (P1), een gewogen provisiepercentage, wordt door middel van een relatieve beoordeling vastgesteld. Het subgunningsciterium ‘Kwaliteit’ is onderverdeeld in drie kwaliteitscriteria (K1, K2 en K3) en wordt door middel van (niet-relatief) beoordelingskader beoordeeld.

2.5.

In het Beschrijvend Document staat voorts onder meer het volgende vermeld:

1.3 Beschrijving en doel van de aanbesteding

(...)

De aanbestedende dienst wenst met deze aanbesteding de kwalitatief beste partijen te contracteren tegen de best mogelijke voorwaarden en zo laag mogelijke prijs.

(...)

5.1.2

Beoordeling op de basis van subgunningscriteria

De beoordeling van de (sub)gunningscriteria ‘prijs’ en ‘kwaliteit’ zal plaatsvinden op basis van puntentoekenning. Hierbij geldt dat de inschrijver met het hoogste aantal punten in rangorde bovenaan zal eindigen.

Het (sub)gunningscriteria ‘prijs’ telt voor 40% mee en heeft daarmee een maximaal aantal te halen punten van 400 punten.

Het (sub)gunningscriteria ‘kwaliteit’ telt voor 60% mee en heeft daarmee een

maximaal aantal te halen punten van 600 punten.

Het maximaal aantal te behalen punten komt uit op 1.000 punten.

(...)

5.1.4

Toelichting op het subgunningscriterium prijs

(...)

De aanbestedende dienst heeft de opdracht gebaseerd op provisiepercentages. De

provisiepercentages zijn onderverdeeld in vier staffels, te weten:

- €0,- - €2.500,-;

- € 2.501 - € 5.000;

- €5.001, - - €10.000,-;

- > €10.000,-.

Bovenstaande bedragen betreffen het geïncasseerde bedrag exclusief verhaalbare

deurwaarders kosten. Per zaak wordt de provisie gemaximaliseerd op € 5.000,- exclusief

BTW. Inschrijver dient voor iedere staffel zijn provisiepercentage in te vullen in het prijzenblad.

Het provisiepercentage per staffel wordt vermenigvuldigd met de bijbehorende weging. De

vier gewogen provisiepercentages worden vervolgens opgeteld, waardoor een gewogen

gemiddeld provisiepercentage ontstaat. Dit percentage wordt vervolgens beoordeeld.

(...)

Het indienen van een irreële of manipulatieve inschrijving kan leiden tot uitsluiting:

• Inschrijvers mogen (per item/eenheid) geen tarief/percentage indienen dat de

gunningsystematiek manipuleert.

• Inschrijvers dienen per item/ eenheid een op zichzelf beschouwd realistisch

tarief/percentage aan te bieden. Ten aanzien van het volgende bestaat het vermoeden dat

deze onrealistisch zijn:

- negatieve tarieven/percentages;

- 0-tarieven/-percentages;

- abnormaal lage tarieven/percentages.

Inschrijver dient bij gebruik van tarieven/percentages die hierboven als onrealistisch zijn

aangemerkt in de inschrijving uitvoerig te motiveren waarom er geen sprake is van

onrealistische tarieven/percentages. Dit dient inschrijver te staven met bewijs. Indien deze

motivatie naar het oordeel van de aanbestedende dienst onvoldoende is dan zal zij een

verificatievraag hierover aan inschrijver stellen. Indien de aanbestedende dienst van mening blijft dat de tarieven/percentages onrealistisch zijn dan wordt de inschrijving als ongeldig aangemerkt.

De inschrijving waarin voor onderdeel P1 het laagste gewogen gemiddelde provisiepercentage is aangeboden, krijgt de maximale score voor het desbetreffende subgunningcriterium.

De ingediende gewogen gemiddelde provisiepercentages van de overige inschrijvers worden gescoord conform onderstaande formule(afgerond op twee decimalen na de komma):

Waarbij wordt bedoeld met:

Prijs laagst = het laagst aangeboden gewogen gemiddelde provisiepercentage;

Prijs geboden = het door inschrijver aangeboden gewogen gemiddelde provisiepercentage.

Indien inschrijver aan de hand van deze formule op een negatieve score uitkomt, wordt een

score ‘0’ toegekend.

2.6.

Acht partijen hebben ingeschreven op de Opdracht, waaronder BoitenLuhrs, die

de zittende aanbieder is.

2.7.

Bij brief van 21 augustus 2019 heeft NIC aan BoitenLuhrs meegedeeld dat het LBIO voornemens is de Opdracht te gunnen aan Bazuin en Partners B.V. (hierna: Bazuin) en Flanderijn en Bouwman Deurwaarders B.V. (hierna: Flanderijn). In de bijlage bij deze brief staat een toelichting op de door BoitenLuhrs behaalde scores voor K1, K2 en K3 en een tabel met de door BoitenLuhrs en Flanderijn behaalde scores op Kwaliteit. Daaruit volgt dat beiden in het totaal 510 punten hebben gehaald. Over de scores van Bazuin wordt niets vermeld. Met betrekking tot de Prijs P1 vermeldt de brief dat de prijs van BoitenLuhrs hoger was dan die van de twee economisch meest voordelige inschrijvers.

2.8.

Bij brief van 25 augustus 2019 heeft BoitenLuhrs aan NIC vragen gesteld over de scores van de winnende inschrijvers, meer in het bijzonder over de score op Kwaliteit van de winnende inschrijver en over de scores op Prijs. In antwoord hierop heeft NIC bij e-mail van 28 augustus 2018 aan BoitenLuhrs laten weten dat:

 De inschrijving van BoitenLuhrs als derde is geëindigd;

 Bazuin op kwaliteit 180 punten heeft gescoord;

 Vanwege de vertrouwelijkheid van de inschrijvingen geen nadere informatie over het gunningscriterium Prijs kunnen worden verstrekt.

2.9.

Conform de in de aanbestedingsprocedure voorziene klachtenprocedure heeft BoitenLuhrs bij brief van 4 september 2019 een klacht ingediend bij het LBIO en daarna, bij brief van 12 september 2019 bij de Commissie van Aanbestedingsexperts (hierna: de Commissie).

2.10.

In haar advies van 10 oktober 2019 heeft de Commissie de klacht van BoitenLuhrs deels gegrond verklaard, namelijk voor zover is geklaagd:

- dat aanbesteder niet tevens alle kenmerken en relatieve voordelen van de als

eerste geëindigde inschrijver aan ondernemer bekend heeft gemaakt;

- dat aanbesteder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de als tweede geëindigde

inschrijver beter heeft gescoord op het kwalitatieve subcriterium K1

(prestatieonderbouwing);

- dat aanbesteder geen inzage heeft gegeven in de relevante kenmerken van de

winnende inschrijvers op onderdelen waarop deze gelijk aan of lager dan ondernemer

hebben gescoord en

- dat aanbesteder ten onrechte niet de gewogen gemiddelde provisiepercentages

en de scores op prijs van de winnende inschrijvingen bekend heeft gemaakt.

De Commissie heeft de klacht ongegrond verklaard, voor zover is geklaagd:

- dat aanbesteder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de inschrijving van ondernemer

niet de maximale score heeft behaald voor de kwalitatieve subcriteria K1 (prestatieonderbouwing) en K3 (digitalisering en dataveiligheid).

2.11.

In het advies overweegt de Commissie dat een aanbestedende dienst zowel alle kenmerken als de relatieve voordelen van alle winnende inschrijvingen bekend moeten maken, voor zover dat voor de afgewezen inschrijver nodig is om te kunnen beoordelen of het aanhangig maken van een juridische procedure zinvol is en dat deze relevante kenmerken kunnen ook zien op onderdelen waarop de winnende inschrijvers gelijk aan of lager dan de afgewezen inschrijver hebben gescoord. Met betrekking tot de score op prijs (de gewogen provisiepercentage) overweegt de Commissie het volgende:

De Commissie acht het niet aannemelijk dat aanbesteder de rechtmatige commerciële belangen van de winnende inschrijvers zou schaden indien hij de gewogen gemiddelde provisiepercentages en de scores op prijs van de winnaars bekend zou maken. Aangezien er voor vier categorieën een provisiepercentage wordt gevraagd, kunnen de afzonderlijke provisiepercentages immers niet worden achterhaald op basis van de scores op prijs of de gewogen gemiddelde provisiepercentages.

In een overweging ten overvloede overweegt de Commissie nog het volgende:

Ten overvloede vraagt de Commissie zich in het licht van de ratio van artikel

2.130 Aw 2012 af of bij een relatieve beoordeling de namen, kenmerken en relatieve

voordelen van alle inschrijvers bekend zouden moeten worden gemaakt, aangezien

ook de beoordeling van de inschrijvers die lager scoren dan de afgewezen

inschrijver invloed kan hebben op de rangorde van de afgewezen inschrijver.

2.12.

Naar aanleiding van dit advies heeft NIC bij brief van 11 oktober 2019 aan BoitenLuhrs een aanvullende motivering van de gunningsbeslissing verzonden, waarbij een nieuwe bezwaartermijn is gaan lopen. Bijlage 1 bij deze brief bevat de volgende tabellen:

In de bijlagen bij de brief geeft NIC een toelichting op de kwaliteitsscores van zowel BoitenLuhrs, Bazuin als Flanderijn. Daarnaast schrijft NIC in de brief nog het volgende:

Zowel BoitenLuhrs als Flanderijn en Bouwman komen uit op een totaalscore van 510 punten. In het beschrijvend document in paragraaf 5.1.2 is aangegeven dat in een dergelijk geval de score op het kwalitatieve subcriterium met het hoogste maximale aantal punten, in dit geval criterium K1, de doorslag geeft en degene met de hoogste score op dit onderdeel de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. Voor onderhavige aanbesteding betekent dit dat Flanderijn en Bouwman op een 2e plaats eindigt en BoitenLuhrs op een 3e plaats, gezien Flanderijn en Bouwman voor kwalitatief criterium K1 een score van 300 punten heeft behaald ten opzichte van 240 punten voor BoitenLuhrs. Flanderijn en Bouwman wordt daarom, naast Bazuin, aangemerkt als economisch meest voordelige inschrijver.

(...)

P1. Prijs

De door inschrijver ingediende prijs (gewogen gemiddeld provisiepercentage) was significant hoger dan de prijs van de twee economisch meest voordelige inschrijvers. Zoals blijkt uit de tabel met punten voor dit criterium, scoorden BoitenLuhrs en Flanderijn en Bouwman 0 punten en Bazuin 400 punten. De door BoitenLuhrs ingediende kwaliteit en hiermee behaalde score kan, ten opzichte van Bazuin, echter het grote verschil in prijs niet overbruggen. Daarnaast heeft BoitenLuhrs een gewogen gemiddeld provisiepercentage ingediend, dat ruim boven het gewogen gemiddeld provisiepercentage van Flanderijn ligt.

2.13.

In een e-mail van 14 oktober 2019 schrijft NIC het volgende aan de advocaat van BoitenLuhrs:

Op grond van artikel 2.116 Aanbestedingswet is de aanbestedende dienst over gegaan tot controle bij inschrijver op de prijs. Hierbij is een toelichting gevraagd op de door inschrijver ingediende prijs, en deze is met inschrijver besproken. Naar het oordeel van de aanbestedende dienst is het niveau van de prijzen hiermee genoegzaam gestaafd en is geen sprake van een abnormaal lage inschrijving.

3 Het geschil

3.1.

Na vermeerdering van eis vordert BoitenLuhrs, samengevat:

primair:

1. het LBIO te bevelen aan BoitenLuhrs schriftelijk mee te delen wat de individuele provisiepercentages en de totaalscores voor Kwaliteit van alle inschrijvingen zijn, waarna 2. aan BoitenLuhrs een nieuwe bezwaartermijn moet worden gegund en 3. het LBIO niet tot definitieve gunning van een of meer raamovereenkomsten mag overgaan totdat vonnis gewezen is in het door BoitenLuhrs aanhangig te maken tweede kort geding, dan wel zij heeft afgezien van het aanwenden van dat rechtsmiddel;

subsidiair:

4. het LBIO te bevelen de inschrijving van Bazuin als abnormaal lage inschrijving ongeldig te verklaren en 5. een nieuwe gunningsbeslissing te nemen, waarin de inschrijving van BoitenLuhrs als een van de twee economisch meest voordelige inschrijvingen wordt aangemerkt en het voornemen om een raamovereenkomst te gunnen aan BoitenLuhrs wordt meegedeeld, voor zover het LBIO nog wenst over te gaan tot gunning van de raamovereenkomsten;

meer subsidiair:

6. het LBIO te bevelen de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en, voor zover het LBIO de raamovereenkomsten nog wenst te gunnen, hem te bevelen een heraanbesteding

uit te voeren met eenduidige, niet voor misverstand vatbare, gunningscriteria;

meer subsidiair:

7. een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen;

in alle gevallen:

op straffe van een dwangsom en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2.

BoitenLuhrs legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.

Het LBIO heeft de gunningsbeslissing onvoldoende gemotiveerd, zodat BoitenLuhrs haar proceskansen niet goed kan inschatten. BoitenLuhrs heeft er daarom recht op en belang bij dat het LBIO de voor de gunningsbeslissing relevante redenen alsnog verstrekt, waarna BoitenLuhrs de kans moet krijgen opnieuw een kort geding aanhangig te maken.

Op basis van de wel verstrekte informatie en haar eigen gewogen provisiepercentage weet BoitenLuhrs dat Bazuin heeft ingeschreven met een gewogen provisiepercentage van minder dan 2%. Dat is driemaal lager dan dat van BoitenLuhrs en daarmee abnormaal laag. BoitenLuhrs heeft meer informatie nodig om met nog meer kracht te kunnen betogen dat Bazuin abnormaal laag heeft ingeschreven en mogelijk ook manipulatief. Wanneer blijkt dat vrijwel alle andere inschrijvingen ook 0 punten gescoord hebben voor P1, dan staat het abnormaal lage karakter van de inschrijving van Bazuin vast.

BoitenLuhrs heeft voorts een zeer sterk vermoeden dat Bazuin ten onrechte heeft aangenomen dat de staffel niet-cumulatief is en dat zij zich daarmee rijk rekent. Als in deze procedure blijkt dat een of meer partijen hebben aangenomen dat de cumulatieve prijsstaffel niet-cumulatief is, dan dient heraanbesteding plaats te vinden met eenduidige, niet voor misverstand vatbare, gunningscriteria.

BoitenLuhrs heeft bij haar vorderingen een groot belang, aangezien door het verlies van de opdracht bij haar veel arbeidsplaatsen verloren gaan.

3.3.

Het LBIO en Flanderijn voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure moet worden beoordeeld of (i) het LBIO de gunningsbeslissing beter moet motiveren dan hij tot nog toe heeft gedaan en of hij moet overgaan tot (ii) uitsluiting van Bazuin, dan wel (iii) heraanbesteding.

Motivering gunningsbeslissing

4.2.

Bij de beoordeling van de primaire vordering staat voorop dat een aanbestedende dienst op grond van artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012 voldoende gemotiveerd uitleg moet geven over de redenen van zijn gunningsbeslissing, zodat afgewezen inschrijvers (en eventueel gegadigden) zich erop kunnen beraden of juridische stappen tegen de gunningsbeslissing zinvol zijn. Deze motiveringsplicht gaat echter niet zover dat de aanbestedende dienst de inschrijvingen van alle andere inschrijvers tot in detail bekend moet maken. Bij de motivering is het de aanbestedende dienst op grond van artikel 2.138 Aanbestedingswet ook niet toegestaan om gegevens te openbaren die die openbaarmaking de rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden of afbreuk zou kunnen doen aan de eerlijke mededinging tussen ondernemers.

4.3.

Tussen partijen staat vast BoitenLuhrs en Flanderijn op kwaliteit 2,8 maal zo hoog hebben gescoord als Bazuin. Voorts staat – mede gelet op de formule voor P1 – vast dat de gewogen provisiepercentages van Flanderijn en BoitenLuhrs meer dan het dubbele bedragen dan dat van Bazuin, waarbij het percentage van BoitenLuhrs ook nog eens significant hoger is dan dat van Flanderijn. Bazuin is dus als eerste geëindigd met een lage score op kwaliteit en een hoge score op prijs. De relatieve beoordeling van de prijs – waarbij de andere inschrijvers dan Bazuin 0 punten hebben gescoord – en de niet-relatieve beoordeling van kwaliteit maken dat de andere inschrijvers hun lage score op prijs niet hebben kunnen compenseren met hun hoge score op kwaliteit. Hierdoor lijkt aan de factor prijs een groter gewicht toe te komen dan voorzien in 5.1.2 van het Beschrijvend Document. Deze uitkomst past evenwel binnen de systematiek van de aanbesteding en de keuze voor deze systematiek is aan de aanbestedende dienst. Aangezien de tweede winnende inschrijving (die van Flanderijn) wel hoger scoort op kwaliteit, zijn de ter zitting door BoitenLuhrs geuite zorgen over de kwaliteit van de inschrijving van Bazuin overigens in zekere zin afgedekt.

4.4.

BoitenLuhrs heeft niet onderbouwd waarom zij na de nadere motivering van de gunningsbeslissing nog behoefte heeft aan informatie over de (overigens niet-relatief beoordeelde) kwaliteitsscores van alle inschrijvers. Op basis van de op 11 oktober 2019 gegeven motivering moet BoitenLuhrs kunnen inschatten of eventuele bezwaren tegen de kwaliteitsscore van Flanderijn of die van haar zelf kansrijk zijn. Ter zitting heeft BoitenLuhrs ook erkend dat zij geen recht heeft op bekendmaking van de overige kwaliteitsscores. Dit deel van de primaire vordering wordt reeds daarom afgewezen.

4.5.

Met betrekking tot de prijsscore overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Om zich te beraden over haar score op Prijs heeft BoitenLuhrs belang bij nadere informatie over de prijsscores en de gewogen provisiepercentages van de winnende inschrijvingen.

Dit sluit ook aan bij het advies van de Commissie. Naar aanleiding van dat advies heeft het LBIO de prijsscores van de winnende inschrijvers bekend gemaakt, maar niet hun gewogen provisiepercentages. Met de nadere motivering en de P1-formule kon BoitenLuhrs evenwel een schatting maken van de gewogen provisiepercentages van Bazuin en Flanderijn. BoitenLuhrs heeft dit ook gedaan en ter zitting heeft het LBIO bevestigd dat de door BoitenLuhrs geschatte percentages juist zijn. Daarnaast heeft het LBIO ter zitting nadere, globale, informatie gegeven over de afzonderlijke provisiepercentages voor de verschillende staffels van Bazuin en Flanderijn.

4.6.

Hoewel dat vervolgens wel op haar weg lag, heeft BoitenLuhrs niet aannemelijk gemaakt welke informatie zij nu nog nodig heeft. Dit betekent dat ook dit deel van de primaire vordering moet worden afgewezen.

Ongeldig verklaren Bazuin/abnormaal lage inschrijving

4.7.

Met haar stelling dat de inschrijving van Bazuin abnormaal laag is, gaat BoitenLuhrs eraan voorbij dat de ongeldigverklaring van een abnormaal lage inschrijving een bevoegdheid is van de aanbestedende dienst. Dit volgt uit artikel 2.116 van de Aanbestedingswet en uit 5.1.4 van het Beschrijvend Document (zie 2.4). In 5.1.4 van het Beschrijvend Document staat immers dat een abnormaal lage (dus onrealistische) inschrijving kán worden uitgesloten.

4.8.

Voorts is opgenomen dat de aanbestedende dienst bij het vermoeden van een abnormaal lage inschrijving de inschrijver om een nadere motivering kan verzoeken. Het LBIO heeft dit uiteindelijk ook gedaan. Het LBIO heeft vervolgens geconcludeerd dat Bazuin haar inschrijving voldoende gestaafd heeft.

4.9.

BoitenLuhrs heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat de inschrijving van Bazuin abnormaal laag is. Het enkele feit dat het gewogen provisiepercentage van Bazuin driemaal lager is dan dat van BoitenLuhrs (en tweemaal lager dan dat van Flanderijn), maakt het nog niet abnormaal laag. Het grote verschil in prijs correspondeert ook met het door het LBIO geconstateerde verschil in aangeboden kwaliteit.

4.10.

De subsidiaire vordering tot uitsluiting van Bazuin moet daarom worden afgewezen.

Heraanbesteding

4.11.

BoitenLuhrs heeft haar vordering tot heraanbesteding gebaseerd op haar vermoeden dat andere inschrijvers, onder wie Bazuin, ten onrechte hebben aangenomen dat de provisiepercentages waarmee zij dienden in te schrijven voor de verschillende staffels niet-cumulatief waren, en dat zij daarom hebben ingeschreven met een te lage prijs.

4.12.

Ter zitting heeft het LBIO verklaard dat geen van de inschrijvers de norm heeft opgevat als non-cumulatief. BoitenLuhrs heeft vervolgens niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat om andere redenen heraanbesteding zou moeten plaatsvinden. Ook de meer subsidiair vordering moet daarom worden afgewezen.

Slotsom en proceskosten

4.13.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire, subsidiair en meer subsidiair vorderingen moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet ook geen enkele aanleiding voor oplegging van de niet nader onderbouwde onbepaalde meer subsidiair gevorderde voorziening. BoitenLuhrs heeft ter zitting ook geen nadere eis geformuleerd.

4.14.

Ter zitting heeft BoitenLuhrs betoogd dat het LBIO in de proceskosten moet worden veroordeeld omdat hij pas ter zitting nadere informatie heeft gegeven over de individuele provisiepercentages waarmee Bazuin heeft ingeschreven. Het LBIO heeft hiertegenover aangevoerd dat hij niet tot openbaarmaking van die percentages verplicht was of is en dat dit ook pas na de eiswijziging van BoitenLuhrs relevant geworden is.

4.15.

Aan BoitenLuhrs moet worden toegegeven dat de motivering van de gunningsbeslissing in eerste instantie veel te summier was. Aan de hand van de nadere motivering van de gunningsbeslissing kon BoitenLuhrs haar (proces)kansen naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter wel voldoende inschatten. BoitenLuhrs heeft meer informatie gevorderd dan het LBIO haar, ook volgens het advies van de Commissie, hoefde te geven. De stellingen met betrekking tot mogelijke misvatting over het wel of niet cumulatieve karakter van de provisiepercentages heeft BoitenLuhrs pas later ingenomen, zodat het LBIO daarop ook niet eerder kon reageren. BoitenLuhrs is daarom ook in materiële zin te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij.

4.16.

BoitenLuhrs wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van het LBIO en Flanderijn worden voor ieder begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00, voor Flanderijn zoals door haar gevorderd te vermeerderen met de nakosten en rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt BoitenLuhrs in de proceskosten, aan de zijde van het LBIO en Flanderijn tot op heden begroot op € 1.619,00, uitsluitend voor Flanderijn te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt BoitenLuhrs in de na dit vonnis voor Flanderijn ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat BoitenLuhrs niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019.

3077/2009