Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:10197

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2019
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
C/10/578074 / KG ZA 19-722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffen executoriaal derdenbeslag afgewezen. Verwijderen/verbod publicaties toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/578074 / KG ZA 19-722

Vonnis in kort geding van 18 november 2019

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. T.J. Stapel te Haarlem,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.J. Hoogendoorn te Utrecht.

Partijen worden hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de brief van 31 oktober 2019 van mr. Hoogendoorn, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de brief van 31 oktober 2019 van mr. Hoogendoorn, met productie 7;

  • -

    de brief van 31 oktober 2019 van mr. Hoogendoorn, met de aankondiging van een vordering in reconventie;

  • -

    het faxbericht van 1 november 2019 van mr. Stapel;

  • -

    het faxbericht van 1 november 2019 van mr. Hoogendoorn;

  • -

    de mondelinge behandeling op 4 november 2019;

  • -

    de pleitnota van [naam gedaagde] , tevens vordering in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Op grond van de stukken, waaronder het vonnis van 9 mei 2018 in een eerder tussen partijen gevoerd kort geding (hierna: het vonnis van 9 mei 2018) en het verhandelde ter zitting van 4 november 2019, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[naam eiser] beheert de website [naam website] (hierna: de website). Op deze website schrijft [naam eiser] over geruchtmakende moordzaken waaronder de moord op John F. Kennedy , de Deventer moordzaak en de moord op Marianne Vaatstra. [naam eiser] houdt zich sinds 2009 bezig met onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra.

2.2.

Na een DNA-onderzoek is in november 2012 [naam 1] aangehouden voor de moord op Marianne Vaatstra. Hij heeft vervolgens een bekennende verklaring afgelegd en is bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 april 2013 veroordeeld voor deze moord.

[naam eiser] is er – kort gezegd – van overtuigd dat [naam 1] niet de moordenaar van Marianne Vaatstra is, maar dat deze moord is gepleegd door een asielzoeker. In verschillende op zijn website geplaatste artikelen suggereerde [naam eiser] dat Marianne Vaatstra om het leven is gebracht in een caravan tijdens het maken van opnames voor een film en dat [naam gedaagde] bij deze opnames aanwezig is geweest. Daarnaast suggereerde [naam eiser] dat [naam gedaagde] al kort na de moord daarover verklaringen heeft afgelegd bij de politie en tegenover derden. Volgens [naam eiser] wordt dit geheim gehouden door hooggeplaatste ambtenaren bij justitie en is een doofpot gecreëerd.

2.3.

Op 9 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, tussen partijen een vonnis op tegenspraak gewezen. Dit vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

5 De beslissing

(…)

5.4.

verbiedt [verweerder] om in woord of geschrift enige uiting te publiceren via welk medium dan ook, waarin eiser bij naam genoemd wordt, al dan niet aangeduid als [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , of enige combinatie of variatie daarop, of anderszins herkenbaar opgevoerd wordt, waarin contactgegevens van eiser gepubliceerd worden, en waarin gesteld wordt dat eiser op welke wijze dan ook direct of indirect, als getuige, als (mede)dader, of medeplichtige, betrokken zou zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra en/of getuige of deelnemer zou zijn geweest bij het opnemen van een film van welke aard dan ook;

(…)

5.6.

gelast [verweerder] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, een rectificatie te plaatsen, bovenaan op zijn website [naam website] en facebookpagina in tenminste 11 punts lettergrootte met de navolgende inhoud:

‘RECTIFICATIE

Op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland in zijn vonnis van 9 mei 2018 verklaart

Op deze website en elders heb ik in diverse schrijfsels gesuggereerd dat [eiser] getuige zou zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra of anderszins direct bij de moord betrokken zou zijn. Deze suggestie is onjuist. Ik heb in de omstreeks tien jaar dat ik mij met deze zaak beziggehouden heb, geen enkel deugdelijk bewijs voor deze suggestie kunnen vinden.’

5.7.

veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,- per dag voor iedere overtreding van de hiervoor onder 5.1 tot en met 5.6 uitgesproken veroordelingen tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

(…)

5.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad”

2.4.

Bij e-mailbericht van 24 mei 2018 heeft [naam gedaagde] [naam eiser] te kennen gegeven dat hij, als de rectificatie drie maanden op de website blijft staan, na die periode geen aanspraak meer zal maken op dit onderdeel van het vonnis en op dwangsommen ten aanzien van de plaatsing van die rectificatie. [naam eiser] heeft niet gereageerd op dit e-mailbericht.

2.5.

De op de website geplaatste rectificatie is op of omstreeks 22 juni 2018 door [naam eiser] verwijderd.

2.6.

Op 8 juni 2019 heeft [naam eiser] op zijn website een artikel geplaatst met als titel ‘ [naam 2] , de meest corrupte politieman van NL’. In dit artikel staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Laten we eerst nog eens resumeren wat ik precies stel. [naam gedaagde] heeft op de dag van de moord, 1 mei 1999, precies aan [naam 2] verteld waar, hoe en door wie Marianne Vaatstra is vermoord. Namelijk in de caravan van [naam 3] door de criminele asielzoekers [naam 4] en [naam 5] .”

2.7.

Op 12 juni 2019 heeft [naam eiser] op zijn website een artikel geplaatst met als titel ‘Artikel 12 procedure tegen niet vervolging [naam 6] en [naam gedaagde] ’. In dit artikel staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Marianne Vaatstra is inderdaad verkracht en vermoord door asielzoekers, waaronder hoofddader [naam 4] , in een caravan op het terrein van het toenmalige AZC. Vervolgens is haar lichaam gedumpt in het weiland waar zij werd gevonden. Een vriend van [naam 4] , [naam gedaagde] , heeft op de dag van de moord deze toedracht van de moord aan de politie verteld. Waarop besloten is dat deze toedracht niet bekend mocht worden en [naam 4] is opgepakt op zijn huurkamer in Leeuwarden en nog hetzelfde weekend heimelijk het land is uitgezet via het Grenshospitium Amsterdam. Een andere dader en bewoner van het AZC, [naam 5] , heeft ongehinderd kunnen ontsnappen en het land op eigen kracht verlaten, terug naar Irak, waar hij nog lang en gelukkig leeft.

(…)

Geen publieke omroep die [naam eiser] zelf eens uitnodigt. Alles onder regie van Justitie en met hulp van [naam 7] , die behalve de moeder van Marianne sinds kort ook [naam gedaagde] vertegenwoordigt die op dag 1 aan de politie heeft verteld door wie en waar haar dochter werkelijk is vermoord.”

2.8.

Op 6 oktober 2019 heeft [naam eiser] op zijn website een artikel gepubliceerd met als titel ‘Ik hoop dat [naam 8] het nu een beetje begrijpt….’. In dit artikel staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Deze vriendelijke gesprekken zijn absurd met iemand die hij nu beschuldigt van het vervalsen van zijn verklaring en handtekening. Deze gesprekken vonden plaats, juist omdat [naam gedaagde] weet dat hij [naam 9] een getekende verklaring heeft gegeven over zijn kennis van de moord.”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[naam eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [naam gedaagde] te veroordelen om het in zijn opdracht onder de moeder van [naam eiser] gelegde executoriale derdenbeslag binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te doen opheffen,

II. [naam gedaagde] te verbieden het vonnis op enige andere manier ten uitvoer te doen leggen,

III. [naam gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[naam eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij het vonnis van 9 mei 2018 is nagekomen en dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. [naam eiser] stelt dat de plaatsing van de rectificatie voor de duur van drie weken voldoende is, nu aan de veroordeling tot het plaatsen van die rectificatie geen termijn is verbonden. Voorts stelt [naam eiser] dat het hem vrij staat te publiceren over een – volgens [naam eiser] – valse aangifte van en meinedige verklaring door [naam gedaagde] tijdens een zitting van 25 april 2018.

3.3.

[naam gedaagde] stelt zich op het standpunt dat aan de veroordeling tot het plaatsen van de rectificatie geen termijn is verbonden, zodat deze rectificatie geplaatst dient te blijven totdat in een eventuele bodemprocedure wordt bepaald dat [naam eiser] de rectificatie kan verwijderen. [naam gedaagde] voert verder aan dat [naam eiser] nieuwe inbreukmakende artikelen op zijn website heeft gepubliceerd. Nu [naam eiser] niet heeft voldaan aan de veroordeling die volgt uit het vonnis van 9 mei 2018, heeft hij dwangsommen verbeurd en is er volgens [naam gedaagde] geen grond om het beslag op te heffen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [verweerder] te gelasten de artikelen

- Artikel 12 procedure tegen niet vervolging [naam 6] en [eiser]

- Ik hoop dat [naam 8] het nu een beetje begrijpt

- [naam 2] de meest corrupte politieman van NL

van zijn website [naam website] en Facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden en het [verweerder] te verbieden deze artikelen of delen daaruit op enigerlei wijze te (doen) publiceren, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00, alsmede [eiser] ex artikel 3:299 BW te machtigen om, op kosten van [verweerder] , zelf de publicaties te verwijderen als [verweerder] het gebod niet ten uitvoer legt,

II. [verweerder] te verbieden om in woord of geschrift enige uiting te publiceren via welk medium dan ook, waarin [eiser] bij naam genoemd wordt, al dan niet aangeduid als [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , of enige combinatie of variatie daarop, of anderszins herkenbaar opgevoerd wordt, en/of waarin contactgegevens van [eiser] gepubliceerd worden, en/of waarin gesteld wordt dat [eiser] op welke wijze dan ook direct of indirect, als getuige, als (mede)dader, of medeplichtige, betrokken zou zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra en/of getuige of deelnemer zou zijn geweest bij het opnemen van een film van welke aard dan ook, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00, alsmede [eiser] ex artikel 3:299 BW te machtigen om, op kosten van [verweerder] , zelf de publicaties te verwijderen als [verweerder] het gebod niet ten uitvoer legt,

III. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [verweerder] , in strijd met de veroordeling die volgt uit het vonnis van 9 mei 2018, nieuwe artikelen op zijn website heeft geplaatst waarin [eiser] bij naam genoemd wordt en waarin (in)direct gesteld wordt dat hij als getuige, als (mede)dader of medeplichtige betrokken zou zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra.

4.3.

[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

Ten aanzien van de spoedeisendheid van de zaak

5.1.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een dergelijke spoedeisende zaak is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht.

5.2.

Met de stellingen van [naam eiser] dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd en dat executoriaal beslag is gelegd onder zijn moeder terwijl zij niet betrokken is in het geschil tussen partijen, is de spoedeisendheid van de zaak gegeven. Of de vorderingen van [naam eiser] op materiële gronden ook toewijsbaar zijn, wordt hierna beoordeeld.

Ten aanzien van de vordering onder I

5.3.

De vordering onder I strekt tot het opheffen van het onder de moeder van [naam eiser] gelegde executoriaal derdenbeslag. Voor de beoordeling van deze vordering dient de vraag beantwoord te worden of (aannemelijk is dat) [naam eiser] dwangsommen heeft verbeurd.

5.4.

In het vonnis van 9 mei 2018 is [naam eiser] gelast een rectificatie op zijn website te plaatsen. [naam eiser] stelt zich op het standpunt dat hij aan deze veroordeling heeft voldaan.

Hoewel [naam eiser] in de dagvaarding gesteld heeft dat onduidelijk is waarom dwangsommen zijn verbeurd, heeft hij deze stelling ter zitting ingetrokken. Volgens [naam eiser] heeft de geplaatste rectificatie op de website voor de duur van drie weken het beoogde doel gehad, zodat langere plaatsing niet noodzakelijk was.

5.5.

Aan de veroordeling tot plaatsing van de rectificatie is geen tijdsbepaling verbonden. Dit betekent naar voorlopig oordeel dat de rectificatie voor onbepaalde tijd op de website geplaatst dient te worden. Hoewel [naam gedaagde] [naam eiser] heeft voorgesteld de rectificatie voor de duur van drie maanden te plaatsen – en na die periode geen dwangsommen te executeren ten aanzien van de plaatsing van de rectificatie –, heeft [naam eiser] de rectificatie slechts voor een periode van drie weken op de website geplaatst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [naam eiser] hiermee niet aan de veroordeling van het vonnis van 9 mei 2018 heeft voldaan en daarom dwangsommen heeft verbeurd. Naar voorlopig oordeel is, mede gelet op de beoordeling in reconventie, voldoende aannemelijk dat de volledige dwangsommen zijn verbeurd. [naam gedaagde] heeft executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de moeder van [naam eiser] . In de verklaring derdenbeslag heeft de moeder van [naam eiser] verklaard dat zij niets onder zich heeft dat toebehoort aan [naam eiser] en dat [naam eiser] ook geen vordering op haar heeft. Ter zitting heeft [naam gedaagde] te kennen gegeven dat hij twijfelt aan de juistheid van deze verklaring. Op grond van artikel 477a lid 2 Rv heeft [naam gedaagde] de mogelijkheid de verklaring derdenbeslag van de moeder van [naam eiser] (gedeeltelijk) te betwisten en ten aanzien hiervan een procedure te starten. Nu gesteld noch gebleken is dat [naam eiser] thans concreet hinder ondervindt van het executoriaal derdenbeslag onder zijn moeder en de mogelijkheid bestaat dat omtrent de verklaring derdenbeslag van de moeder van [naam eiser] nog een procedure aanhangig gemaakt wordt, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding het beslag op te heffen. De vordering onder I wordt daarom afgewezen.

Ten aanzien van de vordering onder II

5.6.

De vordering onder II strekt in feite tot een algeheel verbod om het vonnis van 9 mei 2018 ten uitvoer te leggen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.7.

In 5.5 is voorlopig geoordeeld dat [naam eiser] dwangsommen heeft verbeurd. Kennelijk heeft het door [naam gedaagde] gelegde executoriaal derdenbeslag onder de moeder van [naam eiser] tot op heden geen doel getroffen. Het staat [naam gedaagde] vrij om (te proberen) op een andere wijze de verbeurde dwangsommen te innen. De vordering onder II wordt daarom afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

5.8.

[naam eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 81,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.061,00

6 De beoordeling in reconventie

Ten aanzien van het spoedeisend belang

6.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de stelling van [eiser] dat hij in woord of geschrift niet geassocieerd wenst te worden met de moord op Marianne Vaatstra.

Ten aanzien van de vordering onder I

6.2.

De vordering strekt tot het verwijderen van drie artikelen die door [verweerder] op de website zijn geplaatst.

6.3.

Bij vonnis van 9 mei 2018 is [verweerder] – kort gezegd – een verbod opgelegd om in woord of geschrift enige uiting te publiceren waarin [eiser] bij naam genoemd wordt en waarin gesteld wordt dat hij (in)direct als getuige, (mede)dader of medeplichtige betrokken zou zijn geweest op de moord op Marianne Vaatstra.

6.4.

Naar [eiser] stelt, en door [verweerder] wordt betwist, heeft [verweerder] zich met de publicatie van de artikelen zoals genoemd in 2.6 tot en met 2.8 niet aan het verbod gehouden heeft. Overwogen wordt als volgt.

6.5.

In de artikelen ‘ [naam 2] , de meest corrupte politieman van NL’ en ‘Artikel 12 procedure tegen niet vervolging [naam 6] en [eiser] ’ staan de volgende zinnen vermeld: heeft op de dag van de moord (…) precies aan [naam 2] verteld waar, hoe en door wie Marianne Vaatstra is vermoord en [eiser] heeft op de dag van de moord de(…) toedracht van de moord aan de politie verteld en [eiser] (…) die op dag 1 aan de politie heeft verteld door wie en waar haar dochter [Marianne Vaatstra] werkelijk is vermoord. Deze zinsneden impliceren dat [eiser] getuige is geweest van de moord op Marianne Vaatstra. De in het artikel ‘Ik hoop dat [naam 8] het nu een beetje begrijpt ….’ vermelde zin dat [eiser] kennis van de moord heeft, impliceert dat [eiser] getuige, (mede)dader en/of medeplichtige is. Het vorenstaande betekent dat [verweerder] zich niet aan het verbod gehouden heeft. De vordering onder I om [verweerder] te gelasten de artikelen van de website te verwijderen en verwijderd te houden, wordt daarom toegewezen. Aan deze veroordeling wordt een termijn van één week verbonden. Voor het geval Wordpress ondanks reële executie niet meewerkt aan de verwijdering van de artikelen, wordt aan de veroordeling eveneens een dwangsom verbonden. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat, indien [verweerder] niet uit eigen beweging aan het gebod voldoet, [eiser] de minst bezwarende wijze van executie kiest, te weten het gebruik van de machtiging op grond van artikel 3:299 BW en pas subsidiair voor het innen van dwangsommen.

Ten aanzien van de vordering onder II

6.6.

De vordering onder II strekt tot een (nieuw) verbod voor [verweerder] om in woord of geschrift enige uiting te publiceren waarin [eiser] bij naam genoemd wordt en waarin gesteld wordt dat hij (in)direct als getuige, (mede)dader of medeplichtige betrokken zou zijn geweest op de moord op Marianne Vaatstra.

6.7.

Eenzelfde verbod is reeds bij vonnis van 9 mei 2018 aan [verweerder] opgelegd. Na dit vonnis heeft [verweerder] nieuwe artikelen op de website geplaatst die, zoals genoemd in 6.5, in strijd zijn met het verbod. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de vordering onder II toe te wijzen. Hierbij wordt opgemerkt dat [verweerder] , als hij geen artikelen op de website plaatst die in strijd zijn met het verbod, geen last heeft van de dwangsomveroordeling.

Ten aanzien van de proceskosten

6.8.

[verweerder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 490,00 (factor 0,5 × tarief € 980,00) aan salaris advocaat.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie

7.2.

gelast [verweerder] , binnen één week na betekening van dit vonnis, de artikelen:

  • -

    Artikel 12 procedure tegen niet vervolging [naam 6] en [eiser]

  • -

    Ik hoop dat [naam 8] het nu een beetje begrijpt ….

  • -

    [naam 2] de meest corrupte politieman van NL

van zijn website [naam website] en Facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden en verbiedt [verweerder] deze artikelen of delen daaruit op enigerlei wijze te (doen) publiceren,

7.3.

verbiedt [verweerder] om in woord of geschrift enige uiting te publiceren via welk medium dan ook, waarin [eiser] bij naam genoemd wordt, al dan niet aangeduid als [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , of enige combinatie of variatie daarop, of anderszins herkenbaar opgevoerd wordt, waarin contactgegevens van [eiser] gepubliceerd worden, en waarin gesteld wordt dat [eiser] op welke wijze dan ook direct of indirect, als getuige, als (mede)dader, of medeplichtige, betrokken zou zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra en/of getuige of deelnemer zou zijn geweest bij het opnemen van een film van welke aard dan ook,

7.4.

veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag voor iedere overtreding van de hiervoor onder 7.2 en 7.3 uitgesproken veroordelingen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

7.5.

machtigt [eiser] ex artikel 3:229 BW om op kosten van [verweerder] , zelf te verrichten waartoe [verweerder] , op grond van 7.2 en 7.3 is gehouden indien hij het gebod niet ten uitvoer legt,

in conventie en in reconventie

7.6.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 1.551,00,

7.7.

verklaart de onderdelen 7.2 tot en met 7.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2019. 2027 / 2009