Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:984

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
C/10/526967 / HA ZA 17-477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek aan huisarts om medisch dossier na overlijden moeder af te geven. Afwegen belangen geheimhoudingsplicht en recht op inzage. Niet wordt aangenomen dat moeder bij leven toestemming heeft gegeven. Ook is geen sprake van veronderstelde toestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/526967 / HA ZA 17-477

Vonnis van 7 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. I. de Lange-van Mook,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. T.A.M. van Oosterhout.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 mei 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 19 juli 2017 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de zoon van wijlen mevrouw [moeder eiser] (hierna: mevrouw [moeder eiser] ). Mevrouw [moeder eiser] is overleden op 19 februari 2016. [gedaagde 2] was de huisarts van mevrouw [moeder eiser] . [gedaagde 2] houdt praktijk bij [gedaagde 1] .

2.2.

[eiser] heeft aangifte gedaan tegen twee verpleegkundigen die, voordat [gedaagde 2] de behandelend huisarts was, bij mevrouw [moeder eiser] betrokken zijn geweest.

2.3.

[eiser] heeft [gedaagde 2] verzocht om (delen) van het medisch dossier van mevrouw [moeder eiser] aan hem te verstrekken. [gedaagde 2] heeft aan het verzoek van [eiser] geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat en zakelijk weergegeven – dat de rechtbank [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal veroordelen om aan [eiser] een afschrift te verstrekken van het gehele medische dossier van mevrouw [moeder eiser] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Hieraan ten grondslag legt [eiser] primair dat het beroepsgeheim van [gedaagde 2] moet worden doorbroken nu [eiser] door de machtiging van 21 september 2013 expliciete toestemming heeft gekregen om het medisch dossier van zijn moeder op te vragen en in te zien. Ook is sprake van een andere (subsidiaire) uitzonderingsgrond, namelijk de veronderstelde toestemming die mevrouw [moeder eiser] heeft gegeven nu [eiser] nauw en intensief betrokken is geweest bij de medische behandeling en zorg voor zijn moeder. Meer subsidiair doet [eiser] een beroep op het aanwezig zijn van een zwaarwegend belang waardoor het beroepsgeheim zou moeten wijken, nu er vermoedens zijn van medisch onjuist of onzorgvuldig handelen, aldus [eiser] .

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

3.4.

Zij voeren daartoe aan dat als hoofdregel geldt dat het beroepsgeheim van [gedaagde 2] blijft gelden na het overlijden van mevrouw [moeder eiser] . De machtiging van 21 september 2013 zet het beroepsgeheim niet opzij nu [eiser] heeft verhinderd dat [gedaagde 2] een latere machtiging (namelijk die van 17 december 2015) met mevrouw [moeder eiser] kon bespreken terwijl bovendien de redactie van de machtiging uit 2013 vragen oproept. Dit brengt verder mee dat [gedaagde 2] vraagtekens zet bij de betrouwbaarheid en authenticiteit van de machtiging(en) met name nu mevrouw [moeder eiser] meermaals te kennen heeft gegeven niet te willen worden overruled door [eiser] . Daarbij kan (ook) niet de toestemming van mevrouw [moeder eiser] worden verondersteld. Tot slot betwist [gedaagde 2] dat er concrete aanwijzingen zijn dat van een zwaarwegend belang sprake is.

3.5.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van de vordering moet het volgende worden vooropgesteld.

Op grond van artikel 7:457 BW dient de hulpverlener ervoor zorg te dragen dat aan anderen dan de patiënt geen informatie over de patiënt, dan wel inzage in of afschrift van (delen van) diens dossier wordt verstrekt zonder toestemming van de patiënt. Met dit belang van geheimhouding, dat ook geldt nadat de patiënt is overleden, mag niet lichtvaardig worden omgesprongen. De geheimhouding beoogt niet alleen de belangen van de patiënt te beschermen maar ook het algemeen (maatschappelijk) belang van de toegankelijkheid van de zorg; een ieder moet zich vrijelijk tot hulpverleners kunnen wenden zonder ervoor beducht te hoeven zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens met derden worden gedeeld. Op het beroepsgeheim kán slechts inbreuk worden gemaakt als de patiënt daartoe zijn/haar toestemming heeft gegeven dan wel indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat door het beroep van de hulpverlener op zijn/haar beroepsgeheim een ander rechtmatig/zwaarwegend belang zou kunnen worden geschaad (HR 20 april 2001, ECLI:HR:2001:AB1210). Als uitzondering op het beroepsgeheim geldt voorts het geval dat op grond van concrete aanwijzingen de toestemming van de patiënt moet worden verondersteld (KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens”). De inbreuk op het beroepsgeheim mag echter niet verder gaan dan het belang van degene die om inzage/afschrift verzoekt rechtvaardigt.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] bij leven van mevrouw [moeder eiser] een deel van het medisch dossier aan haar heeft doen toekomen en dat deze stukken nu in handen zijn van [eiser] . Voorts staat vast dat het dossier van huisarts [huisarts A] (dat de periode 2007-2013 beslaat) nog in bezit is van [gedaagde 2] .

[eiser] stelt dat behoudens het dossier van huisarts [huisarts A] tevens (onder meer) brieven aan specialisten in het door [gedaagde 2] overgelegde dossier ontbreken. [gedaagde 2] betwist dit. Zij voert aan dat de brieven van specialisten zelf door [eiser] aan een collega van [gedaagde 2] zijn verstrekt en daarom niet aan [eiser] zijn overhandigd.

Nu [eiser] niet nader specificeert welke stukken (behoudens de brieven van specialisten) nog zouden ontbreken in het dossier en [gedaagde 2] gemotiveerd betwist dat het verstrekte dossier niet compleet zou zijn, staat vast dat het medisch dossier, behoudens voor zover dat ziet op het dossier van huisarts [huisarts A] , in handen is van [eiser] . Voor zover de vordering van [eiser] ziet op afgifte van andere stukken dan het dossier van huisarts [huisarts A] , zal de vordering worden afgewezen, nu [eiser] daarbij geen belang heeft.

4.3.

De stelling van [eiser] dat mevrouw [moeder eiser] bij leven toestemming aan [eiser] heeft gegeven voor inzage in, dan wel afschrift van haar medisch dossier na overlijden is onvoldoende onderbouwd.

4.4.

Daartoe wordt overwogen dat, voor zover [eiser] zich op de machtigingen uit 2007 en 2015 beroept, deze niet zien op afgifte van het medisch dossier en derhalve zijn stelling dat hij is gemachtigd tot afgifte daarvan niet kunnen onderbouwen. Als onderbouwing kan dan ook alleen worden aangemerkt de machtiging van 21 september 2013 waarin staat vermeld dat mevrouw [moeder eiser] [eiser] machtigt om ‘na [haar] overlijden al [haar] medische gegevens, dossiers alsmede alle hiervoor niet genoemde medische informatie, gegevens en informatie van welke aard dan ook, op te vragen’. Echter niet duidelijk is hoe deze machtiging zich verhoudt tot de overgelegde machtiging van 17 december 2015 die ziet op de medische behandeling en beslissingen dienaangaande maar waarin de machtiging tot het opvragen van het medische dossier niet wordt herhaald. De vraag rijst dan ook of sprake is van een aanvullende machtiging of van een intrekking van de oude machtiging onder afgifte van een nieuwe. Daarbij staat, als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, vast dat mevrouw [moeder eiser] bij leven aan [gedaagde 2] blijk heeft gegeven niet door [eiser] overruled te willen worden en dat [eiser] heeft verhinderd dat zaken met betrekking tot de machtiging met mevrouw [moeder eiser] werd besproken. Deze feiten en omstandigheden maken dat onvoldoende is onderbouwd dat mevrouw [moeder eiser] toestemming heeft gegeven voor afgifte van haar medische dossier aan [eiser] .

4.5.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de stelling van [eiser] dat toestemming mag worden verondersteld. Als onbetwist staat vast dat tussen [eiser] en mevrouw [moeder eiser] sprake was van een nauwe familieband en dat [eiser] intensief betrokken was bij het ziekteproces en de verzorging van mevrouw [moeder eiser] . Deze omstandigheden maken echter niet dat toestemming kan worden verondersteld.

4.6.

Voorts geldt dat indien vast zou staan dat mevrouw [moeder eiser] [eiser] heeft gemachtigd om al haar medische gegevens op te vragen dan wel indien toestemming hiertoe moet worden verondersteld, daaruit nog niet zonder meer volgt dat het gevorderde kan worden toegewezen. Het rechtsgevolg van de toestemming is immers de ontheffing van de behandelaar van de geheimhoudingsplicht, niet een plicht tot afgifte van het medisch dossier. [eiser] heeft niet gesteld wat zijn belang is bij afgifte van het gehele dossier van huisarts [huisarts A] en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende wijze van inzage in (de relevante stukken van) het dossier.

4.7.

Wel is de rechtbank van oordeel dat als regel nabestaanden van een overleden patiënt er een rechtens te respecteren belang bij hebben om in geval van een vermoeden van medisch onjuist of onzorgvuldig handelen een klacht te kunnen indienen tegen een behandelaar van de overleden patiënt, wegens een vermeend door die behandelaar gemaakte medische fout. Dit is naar zijn aard een zwaarwegend belang, ook al zijn de motieven (mede) emotioneel.

4.8.

Het belang van [eiser] is om de kwaliteit van het medisch handelen te laten toetsen door een (tucht)rechter. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit belang in voldoende mate worden gediend door een onafhankelijke (huis)arts het medisch dossier van mevrouw [moeder eiser] te laten inzien, met het verzoek antwoord te geven op concrete vragen van [eiser] ten aanzien van de behandeling van mevrouw [moeder eiser] . Een verdergaand recht op inzage in/afschrift van het medisch dossier na overlijden zou het beroepsgeheim in belangrijke mate kunnen uithollen. Dit komt het algemene belang dat met het medisch beroepsgeheim is gediend, namelijk het waarborgen van de onbelemmerde toegang tot de gezondheidszorg doordat de patiënt weet dat de informatie die hij/zij met zijn/haar hulpverlener binnenskamers wisselt, niet ten goede. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

4.9.

Ten aanzien van de gevorderde dwangsom merkt de rechtbank het volgende op. Gezien hetgeen [gedaagde 2] tijdens de comparitie heeft aangegeven is er geen aanleiding om te vermoeden dat [gedaagde 2] het medische dossier van mevrouw [moeder eiser] niet beschikbaar zal stellen aan een onafhankelijke (huis)arts, temeer nu dit aanbod door [gedaagde 2] zelf is gedaan. Om die reden zal de rechtbank dit deel van de vordering afwijzen.

4.10.

De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten te compenseren op na te melden wijze, nu geen van beide partijen (algeheel) in het (on)gelijk wordt gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat [gedaagde 2] het medisch dossier van mevrouw [moeder eiser] voor zover dat ziet op het dossier van huisarts [huisarts A] (periode 2007-2013), zal overdragen aan een in onderling overleg door partijen aan te wijzen onafhankelijke (huis)arts ter beantwoording van concrete vragen ten aanzien van de behandeling van mevrouw [moeder eiser] ;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen;

5.4.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.1

1 801/3008/2872