Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
KTN-6888038_18102018
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; Uitlatingen van een politieagent aan de werkgever van eiser. Sprake van inkomstenderving en/of reputatieschade? Strekt de overschreden norm tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van eiser? Is er causaal verband tussen de gedane uitlatingen en de door eiser gestelde schade? Sprake van eigen schuld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0009
NTHR, 2019, afl.2/3, p. 160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 6888038 / CV EXPL 18-2658

uitspraak: 18 oktober 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

[Naam eiser] ,

wonende te Delft,

eiser,

gemachtigde: mr. A.C. Zonneveld,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon, Rechtspersoon met Wettelijke Taak (RTW) POLITIE meer specifiek POLITIE EENHEID ROTTERDAM,

gevestigd te Den Haag, mede kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.T. Bolt.

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk de Politie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 augustus 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek tevens wijziging van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    het tussenvonnis van 4 mei 2018 waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Rotterdam, kamer voor kantonzaken, locatie Dordrecht;

  • -

    het tussenvonnis van 24 mei 2018 waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de aantekening van de griffier dat de comparitie van partijen op 17 september 2018 is gehouden;

  • -

    de overgelegde producties.

Tijdens de zitting op 17 september 2018 heeft [eiser] de eiswijziging - waartegen de Politie bij conclusie van dupliek bezwaar had aangetekend - ingetrokken en de kantonrechter verzocht de zaak op de bij dagvaarding ingestelde eis te beslissen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was op basis van een op 10 september 2014 tussen hem en [installatiebedrijf] gesloten “Deelovereenkomst Dienstverlening Eneco” werkzaam als onderhoudsmonteur ten behoeve van Eneco als (feitelijk) opdrachtgever.

2.2.

Op 9 maart 2016 is [eiser] door een politiemedewerker staande gehouden. [eiser] was het niet eens met deze staandehouding en hierover ontstond een discussie tussen hem en de betreffende verbalisant. Het voorval vond plaats tijdens werktijd, terwijl [eiser] werkkleding van Eneco droeg.

2.3.

De betreffende politiemedewerker heeft naar aanleiding van het voorval contact opgenomen met Eneco en gezegd dat het gedrag van [eiser] jegens de Politie geen goede reclame voor Eneco zou zijn. Daarnaast refereerde de politiemedewerker in genoemd gesprek met Eneco aan een soortgelijk incident tussen [eiser] en de Politie dat ongeveer een half jaar eerder had plaatsgevonden.

2.4.

[eiser] is vanaf 16 maart 2016 door Eneco niet meer ingezet als onderhoudsmonteur.

2.5.

Op 21 maart 2016 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de Politie omtrent het voorval. De Politie heeft daarop bij brief van 20 juni 2016 als volgt gereageerd:

Vastgesteld is dat de politiemedewerker ten behoeve van de uitvoering van zijn politietaak, volgens artikel 7 van de Wet politiegegevens, informatie mag verstrekken. Echter in dit geval had de betrokken politiemedewerker moeten volstaan met de vraag of de heer [eiser] werkzaam is bij de Eneco. Alle overige informatie verstrekken is overbodig en niet gepast. Ik bied u daarvoor mijn excuses aan.

In de brief staat verder vermeld dat de klachtbrief en het verzoek tot schadevergoeding zijn doorgestuurd naar de afdeling Schade & Verzekering van de Politie.

2.6.

Op 24 juni 2016 heeft [eiser] een overeenkomst van opdracht gesloten met een nieuwe opdrachtgever, op basis waarvan hij per 27 juni 2016 werkzaamheden is gaan verrichten.

2.7.

Naar aanleiding van een verzoek daartoe door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie, heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 17 november 2016 de door [eiser] geleden schade aan misgelopen inkomsten nader onderbouwd en de Politie verzocht deze schade te vergoeden.

2.8.

Ondanks het desverzocht aanleveren van nadere stukken door de gemachtigde van [eiser] , is de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie niet overgegaan tot uitkering van enige schadevergoeding.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

A. te verklaren voor recht dat de Politie jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld;

B. de Politie te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem te voldoen een bedrag van € 19.050,52 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

C. de Politie te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem te voldoen een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

D. de Politie te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de politiemedewerker die hem staande had gehouden door het doen van de onder 2.3 genoemde mededelingen jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat de Politie op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de hierdoor aan hem, [eiser] , toegebrachte schade. De schade bestaat uit € 19.050,52 inkomstenderving en € 3.000,- reputatieschade.

3.3.

De conclusie van de Politie strekt primair tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot toewijzing daarvan tot een zodanig lager bedrag dan gevorderd als de kantonrechter juist acht. Hoewel sprake is van onrechtmatig handelen betwist de Politie dat de overtreden norm ertoe strekt de vermogensrechtelijke belangen van [eiser] te beschermen. De Politie betwist voorts het causaal verband tussen de gedane uitlatingen en de gestelde schade alsmede de omvang van de gestelde schade. Ten slotte betoogt zij dat [eiser] de schade vanwege eigen schuld (deels) zelf moet dragen.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bewuste politiemedewerker meer informatie aan Eneco had verstrekt dan in het kader van zijn taakuitvoering noodzakelijk was en dat dit kwalificeert als een onrechtmatige daad. Op grond van artikel 6:170 BW is de Politie in beginsel aansprakelijk voor de daardoor aan [eiser] toegebrachte schade.

4.2.

Voor het eerst ter zitting heeft de Politie betoogd - zonder dit overigens nader te onderbouwen - dat artikel 7 van de Wet Politiegegevens niet strekt ter bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van [eiser] , maar slechts ter bescherming van diens privacy. In het midden kan blijven of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan het in een laat stadium inroepen van deze nieuwe stelling. Ook inhoudelijk hoeft deze stelling niet besproken te worden in verband met het volgende. Volgens het eigen standpunt van de Politie waren de mededelingen van de bewuste politiemedewerker overbodig en ongepast en was de politiemedewerker zijn boekje te buiten gegaan. Aldus handelde de betreffende politiemedewerker naar het oordeel van de kantonrechter tevens in strijd met de jegens [eiser] in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid. Ten overvloede wordt nog aangevuld dat de betreffende politiemedewerker volgens [eiser] daarnaast ook onjuiste mededelingen met betrekking tot een eerdere staandehouding aan Eneco heeft gedaan. Hoewel de Politie dit laatste betwist, heeft zij desgevraagd ter zitting verklaard dat zij dit niet heeft nagevraagd bij de betreffende politiemedewerker, zodat de kantonrechter van de juistheid hiervan als onvoldoende weersproken uitgaat. De door de Politie overtreden zorgvuldigheidsnormen strekken niet alleen ter bescherming van de privacy van [eiser] , maar ook ter bescherming van diens vermogensrechtelijke belangen. Het beroep op de strekking van artikel 7 van de Wet Politiegegevens kan de Politie daarom niet baten.

Causaal verband

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van de uitlatingen van de politiemedewerker aan Eneco door Eneco op non-actief is gesteld en daardoor schade heeft geleden. Ter onderbouwing van het oorzakelijk verband heeft [eiser] het volgende aangevoerd. Op 15 maart 2016 is hij mondeling door [medewerker 1] , de teamcoördinator van Eneco, per direct op non-actief gesteld terwijl hij aan het werk was voor een klant van Eneco. Hij moest meteen zijn spullen, waaronder de bedrijfskleding van Eneco, inleveren. [medewerker 1] gaf volgens [eiser] als reden voor de op non-actiefstelling dat een agent had gebeld over een voorval de week ervoor en dat zijn leidinggevende het niet tolereert dat [eiser] tijdens werktijd twee keer werd aangehouden. Deze gang van zaken wordt bevestigd in de correspondentie die [eiser] aan Eneco stuurde ter verkrijging van een schriftelijke bevestiging van de op non-actiefstelling (Productie R) en in de verklaring van de partner van [eiser] (productie M). Daarnaast beroept [eiser] zich op de verklaringen van [installatiebedrijf] en van Eneco (Productie D respectievelijk H bij dagvaarding). In de verklaring van [installatiebedrijf] d.d. 25 oktober 2016 heeft de heer [medewerker 2] (de contactpersoon van [eiser] bij [installatiebedrijf] ) bevestigd dat “voor het moment waarop besloten werd dat [Naam eiser] niet meer ingezet kon worden, heb ik geen signalen ontvangen dat er verandering zou komen in de werkzaamheden die [Naam eiser] uit kon voeren”. Eneco, de opdrachtgever van [eiser] , heeft in een mailbericht van 5 april 2017 namens Eneco Installatie Bedrijven verklaard dat “dhr [eiser] altijd naar behoren heeft gefunctioneerd tijdens zijn werkzame periode bij Eneco Installatie Bedrijven. Er zijn ook geen incidenten noch aantekeningen gevonden, welke zouden impliceren dat dhr. [eiser] een slechte beoordeling zou krijgen of hebben gekregen. Zijn collega [medewerker 1] was tevreden over zijn functioneren”. [eiser] heeft tevens zijn tijdregistratie voor Eneco S&O werkzaamheden overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] na 15 maart 2016 geen werkzaamheden meer heeft gedeclareerd (Productie O). Voorts heeft [eiser] de door [installatiebedrijf] verstrekte inkooporders en facturen over de maanden april, mei en juni 2016 overgelegd, waaruit blijkt dat de “vergoeding voor geleverde diensten” over de maand april 2016 nul was en over de maanden mei 2016 en juni 2016 minimaal (Productie J).

4.4.

Tegenover dit alles heeft de Politie haar betwisting van het causaal verband onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de hiervoor genoemde producties worden afgeleid dat [eiser] door Eneco op 15 maart 2016 op non-actief is gesteld en dat dit verband houdt met de mededelingen van de politiemedewerker aan Eneco. Uit de bedoelde producties volgt voorts dat [eiser] na 15 maart 2016 niet of nauwelijks meer opdrachten kreeg aangeboden, waardoor zijn omzet minimaal was. Dat [eiser] in mei en juni 2016 nog enkele Toon-werkzaamheden heeft verricht doet aan het voorgaande niet af nu [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij deze opdrachten via een geautomatiseerd systeem van [installatiebedrijf] ontving en er mogelijk in de automatisering iets fout is gegaan. Geconcludeerd kan dan ook worden dat [eiser] als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen van de politiemedewerker aan Eneco schade heeft geleden.

Eigen schuld

4.5.

Het beroep van de Politie op eigen schuld van [eiser] wijst de kantonrechter af. Zelfs als [eiser] zich tijdens de staandehouding tegenover de politiemedewerker ongepast zou hebben gedragen (door te schreeuwen), dan nog mocht [eiser] ervan uitgaan dat de politiemedewerker niet buiten zijn bevoegdheid - onrechtmatige - mededelingen over hem aan zijn opdrachtgever zou doen. Ter zitting heeft de Politie dit ook erkend. Dit betekent dat de door [eiser] geleden schade niet is veroorzaakt door een omstandigheid die aan [eiser] is toe te rekenen, zodat een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW faalt.

Omvang schade

4.6.

[eiser] vordert een bedrag van € 19.050,52 aan misgelopen inkomsten. Ten aanzien van de omvang van het schadebedrag heeft [eiser] gesteld dat hij gedurende een periode van 15 weken - vanaf 15 maart 2016 tot 27 juni 2016 - (nagenoeg) geen werk had en dat zijn gemiddelde weekopbrengst € 1.570,63 bedroeg, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 23.559,45. Daarop dient het bedrag ad € 4.508,93 dat [eiser] in de maanden maart, april, mei en juni 2016 wel heeft ontvangen in mindering te worden gebracht, zodat een schadebedrag van € 19.050,52 resteert, aldus [eiser] . Ter onderbouwing van de gestelde bedragen heeft [eiser] zijn facturen over de periode van november 2014 tot en met juni 2016 die [eiser] via [installatiebedrijf] werkzaam was, overgelegd (Productie I en J bij dagvaarding).

De Politie betwist de omvang van de schade en betoogt dat niet is aangetoond dat de weekopbrengsten geheel kunnen worden toegeschreven aan werkzaamheden die [eiser] voor Eneco verrichtte en evenmin dat [eiser] niet ook inkomsten uit andere bronnen dan [installatiebedrijf] heeft genoten.

4.7.

De kantonrechter overweegt als volgt. Uit hetgeen hierboven onder 4.4 is vastgesteld volgt dat [eiser] op 15 maart 2016 op non-actief is gesteld. Tevens staat vast dat [eiser] op 27 juni 2016 bij een andere opdrachtgever aan het werk is gegaan. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat hij vanaf oktober 2014 geen andere opdrachtgevers naast [installatiebedrijf] had, dat en waarom hij via [installatiebedrijf] enkel voor Eneco werkte en dat [installatiebedrijf] - nadat [eiser] niet meer voor Eneco ingezet kon worden - voor hem ook geen andere opdrachtgevers voor CV-werkzaamheden had. Dit alles is door de Politie niet weersproken, zodat de kantonrechter hiervan uitgaat. Dit betekent dat [eiser] gedurende een periode van 15 weken minder werk had en inkomsten heeft gederfd. Voor het berekenen van de gemiddelde weekopbrengst zal de kantonrechter de inkomsten van het jaar voorafgaand aan de op non-actiefstelling, te weten maart 2015 tot en met februari 2016, tot uitgangspunt nemen. Het totaal aan ontvangen inkomsten (vergoedingen voor geleverde diensten minus kosten) voor die periode bedroeg € 69.178,16. Dit komt neer op een maandbedrag van € 5.764,85 en een gemiddelde weekomzet van € 1.330,35. Uitgaande van een periode van 15 weken aan misgelopen inkomsten bedraagt het totaalbedrag € 19.955,25. Hierop dient in mindering te worden gebracht het bedrag dat [eiser] in de periode van 15 maart 2016 tot 27 juni 2016 aan vergoedingen heeft ontvangen. Ter zitting is onweersproken gesteld dat dit bedrag € 1.076,- bedraagt, hetgeen ook volgt uit de overgelegde door [installatiebedrijf] verstrekte inkooporders (Productie J). Het totale bedrag aan misgelopen inkomsten kan derhalve vastgesteld worden op € 18.879,25, welk bedrag ter zake van geleden materiële schade zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding nu geen eerdere ingangsdatum is gevorderd.

4.8.

[eiser] vordert daarnaast een bedrag van € 3.000,- wegens reputatieschade. Hoewel de wet voorziet in vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, bepaalt artikel 6:106 BW limitatief in welke gevallen ander nadeel voor vergoeding in aanmerking komt. Het is aan [eiser] om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat er sprake is van een van die gevallen. Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat hij in het diepst van zijn ziel is geraakt en aldus in zijn persoon is aangetast, hetgeen een vergoeding van immateriële schade rechtvaardigt. Voor zover [eiser] betoogt dat hij psychische schade heeft geleden door het voorval, heeft hij echter onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit dat geestelijk letsel kan volgen. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. De vordering tot immateriële schadevergoeding is daarom als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar.

4.9.

Ten slotte maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Deze kosten zullen als niet weersproken worden toegewezen en worden vastgesteld overeenkomstig het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief, wat gelet op het hierboven onder 4.7 vastgestelde bedrag neerkomt op

€ 963,79.

4.10.

Bij de gevorderde verklaring voor recht heeft [eiser] - naast de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding - geen zelfstandig belang zodat deze zal worden afgewezen.

4.11.

De Politie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt de Politie om aan [eiser] te voldoen een bedrag aan schadevergoeding van € 18.879,25, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de Politie om aan [eiser] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 963,79;

5.3.

veroordeelt de Politie in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 103,10 aan explootkosten, € 476,- aan griffierecht en € 900,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten à € 300,-);

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. de Heer en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2018.

38139