Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9796

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
10/965060-18 (UTL-12018020047)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de uitlevering naar de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar ondanks het beroep op een (dreigende) flagrante schending van de artikelen 2, 3 en 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/965060-18 (UTL-12018020047)

Datum uitspraak: 8 november 2018

Uitspraak

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten tot uitlevering van:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Procedure

De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) hebben bij geschrift van 11 juli 2018 aan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon gedaan en stukken daartoe overgelegd.

De minister van Justitie en Veiligheid heeft bij brief van 19 juli 2018 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering 31 juli 2018, op dezelfde datum ter griffie ontvangen, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 25 oktober 2018 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:

- de officier van justitie, mr. H.J.J. Talsma;

- de opgeëiste persoon, bijgestaan door de tolk mevrouw K.van Wezel, alsmede zijn raadsvrouw, mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw hebben zich tegen de verzochte uitlevering verzet, subsidiair verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie nadere informatie bij de VS op te kunnen laten vragen en meer subsidiair verzocht bij toewijzing van het verzoek de minister te adviseren niet tot uitlevering over te gaan.

2 Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feit omschreven in het verzoek tot uitlevering van de autoriteiten van de VS d.d. 11 juli 2018 onder dossiernummer 047/18. Het omschreven feit ziet op samenzwering met betrekking tot witwassen. Van dit verzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht.

3 Toepasselijk verdrag en wetsartikelen

Van toepassing zijn:

- het uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika (trb. 1980, 111), zoals herzien in het Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, nr. 299) (hierna: het Verdrag). Verwijzingen in deze uitspraak naar artikelen bij dit Verdrag zijn verwijzingen naar artikelen uit de bijlage bij voornoemd instrument, bevattende de integrale tekst van het Verdrag;

- de artikelen 47, 48, 49, 140, 420bis, 420ter en 420quater Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr);

- de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet (hierna: UW).

4 Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

5 Beoordeling en bespreking van de verweren

5.1.

Genoegzaamheid stukken

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat een volledig beeld van de thans lopende verdenkingen tegen de opgeëiste persoon ontbreekt. Het indictment (tenlastelegging) zelf is niet aanwezig. Er is discrepantie tussen de beëdigde verklaringen en de mail met informatie die verstrekt is over hoe vaak de opgeëiste persoon in contact is geweest met de undercover officer. In strijd met artikel 9 lid 3 onder b van het Verdrag ontbreekt het bewijsmateriaal dat de aanhouding zou rechtvaardigen. De raadsvrouw verzoekt de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken aan te vullen.

5.1.2.

Oordeel rechtbank

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Het Verdrag eist in geval van vervolgingsuitlevering dat wordt overgelegd “het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte staat, de aanhouding en de dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen, indien het feit in die staat zou zijn gepleegd” (artikel 9 lid 3 onder b Verdrag).

Aan deze eis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949). Dat bewijsmateriaal kan onder andere al blijken uit een affidavit (beëdigde verklaring) waarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571). De bewijsmiddelen waarop het affidavit is gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218).

De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt en waarop die verdenking is gebaseerd. Dat de door de raadsvrouw genoemde stukken hier ontbreken doet daar niet aan af. De rechtbank acht deze aanvullende stukken niet nodig voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek en zal aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek afwijzen.

5.2.

Specialiteitsbeginsel

5.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de verdenking conspiracy te veel ruimte open laat om op een later moment nieuwe feiten toe te voegen. Er zouden, volgens de raadsvrouw, ook daadwerkelijk aanwijzingen zijn dat er andere verdenkingen tegen de opgeëiste persoon lopen dan waarvoor de uitlevering is gevraagd. De opgeëiste persoon wordt door de VS beschouwd als een key financial facilitator en iemand die betrokken is bij internationale witwas- en drugssmokkelorganisatie. In het affidavit wordt echter maar één feitelijke transactie in december 2014 genoemd. Daarnaast blijkt uit een nog lopende strafzaak in Nederland dat de autoriteiten in de VS de opgeëiste persoon van meer verdenken dan in het uitleveringsverzoek is weergegeven. Die Nederlandse strafzaak is begonnen met actuele informatie afkomstig van de autoriteiten in de VS. Tot slot hebben de autoriteiten in de VS geen bevestiging gegeven dat er geen andere verdenkingen lopen tegen de opgeëiste persoon. Gezien bovenstaande argumenten wordt gesteld dat het specialiteitsbeginsel niet geëerbiedigd wordt.

5.2.2.

Oordeel rechtbank

Als uitgangspunt geldt dat bij de beoordeling van een op een uitleveringsverdrag gebaseerd uitleveringsverzoek in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de VS na eerdere uitleveringen het specialiteitsbeginsel heeft geschonden.

Voor zover het begrip conspiracy al de mogelijkheid openlaat om andere of nieuwe feiten of omstandigheden toe te voegen, is de rechtbank van oordeel dat dit de uitlevering niet hoeft te beletten, zolang de kern daarvan het witwassen betreft als omschreven in het uitleveringsverzoek. Daarbij hoeft de verdenking niet beperkt te blijven tot die ene transactie in december 2014, nu deze in het verzoek als voorbeeld wordt gegeven van een van de manieren waarop de opgeëiste persoon betrokken zou zijn bij het witwassen van de opbrengsten van de “organization” van [naam] . Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verworpen.

5.3.

Dubbele strafbaarheid

5.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. De raadsvrouw stelt dat er geen exacte afbakening van de verdenking is en dat conspiracy slechts beperkt strafbaar is in Nederland. Bovendien blijkt uit de overgelegde informatie niet dat de opgeëiste persoon meerdere transacties heeft gepleegd. Om van conspiracy te spreken moet er sprake zijn van een organisatie die het oogmerk heeft meerdere misdrijven te plegen. In het uitleveringsverzoek wordt maar over een eenmalige transactie gesproken. Daarnaast moet er ook sprake zijn van deelneming aan een gestructureerd samenwerkingsverband. Dit blijkt niet uit de overgelegde informatie.

Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens het niet voldoen aan artikel 9 van het Verdrag en/of het ontbreken van de dubbele strafbaarheid.

Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken met de onderliggende stukken aan te vullen.

5.3.2.

Oordeel rechtbank

Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen (ECLI:NL:HR:1999:ZD1591). Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt. Uitlevering vanwege deelneming aan een criminele organisatie kan bijvoorbeeld slechts toelaatbaar worden verklaard voor zover de feiten waarop de organisatie het oogmerk heeft, strafbaar zijn gesteld bij de wetten van de verzoekende staat en zij volgens die van de aangezochte staat eenzelfde inbreuk op de rechtsorde strafbaar is, zie hiervoor HR 18 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE2114).

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Nederlands recht strafbaar, te weten: deelname aan een criminele organisatie met onder meer als doel witwassen en/of enige vorm van deelneming aan witwassen, strafbaar gesteld bij de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr in verbinding met de artikelen 47, 48, 49 en/of 140 Sr. Voor die feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde criteria. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Omdat de rechtbank geen noodzaak ziet om alsnog nadere onderliggende stukken op te vragen wordt ook het aanhoudingsverzoek afgewezen.

5.4.

Beroep op artikel 6 EVRM

5.4.1.

Standpunt verdediging

Volgens de raadsvrouw kan op grond van onder andere jurisprudentie van de Hoge Raad van 4 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1426) aangenomen worden dat in onderhavige zaak sprake is van dreiging van een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, EVRM. Er is sprake van een flagrante schending indien bewijs afkomstig van “entrapment” (uitlokking) niet wordt uitgesloten. In onderhavige zaak zijn voldoende aanwijzingen aanwezig voor entrapment. De undercover officer reached out naar de opgeëiste persoon en van een essentially passive manner was geen sprake, omdat er meerdere vervolghandelingen door de Drug Enforcement Administration (DEA) met het geld zijn gedaan.

Daarnaast ontbreekt volgens de raadsvrouw een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM omdat de opgeëiste persoon zelf moet aantonen dat hij door de opsporingsdiensten van de VS zou zijn uitgelokt. In Europa ligt die bewijslast bij de aanklager. De bewijslast ligt dus anders dan het EHRM juist acht.

Ook dreigt er een schending van artikel 6 EVRM op het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van de eigen strafzaak. De strafzaak in Nederland tegen de opgeëiste persoon loopt nog steeds. Aanwezigheid daarbij is niet mogelijk wanneer de opgeëiste persoon aan de VS wordt uitgeleverd.

Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de minister het advies te geven garanties te vragen aan de VS die zien op het gebruik van bewijs afkomst van de undercover officer en de DEA-agenten en pas met de uitlevering in te stemmen nadat de Nederlandse strafzaak onherroepelijk is geworden.

5.4.2.

Oordeel rechtbank

In zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, heeft de Hoge Raad het toetsingskader geschetst inzake de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de uitleveringsrechter en anderzijds de Minister van Justitie en Veiligheid wat betreft een beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende en/of voltooide inbreuk op de fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend.

De hoge raad heeft hierin onder meer het volgende overwogen:

"(i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.

(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.”

(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:

( a) de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens dat

( b) hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.”

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank, om vast te stellen of zij ter zake tot oordelen geroepen is, eerst vast te stellen of van voornoemde uitzonderingssituatie sprake is.

Het standpunt van de raadsvrouw komt er op neer dat zij stelt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM terwijl daar tevens geen effectief rechtsmiddel tegen open staat. Met betrekking tot die dreigende schending doet zij een appel op de rechtbank zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraken van de Hoge Raad van 9 december 2014 (bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2014:3540) is daarvoor geen ruimte, en de rechtbank zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden.

Dat dit anders ligt in een zaak waar sprake is van entrapment, zoals door de raadsvrouw is bepleit, volgt de rechtbank niet. Daarbij verdient opmerking dat wanneer sprake zou zijn van entrapment dit nog niet zonder meebrengt dat sprake is van een flagrante schending van artikel 6, eerste lid, EVRM. Voor het aannemen van een dergelijke inbreuk gelden immers zeer strenge eisen (EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., NJ 2013/36, par. 259 en 260). Hetgeen de raadsvrouw omtrent entrapment heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende.

De rechtbank is evenmin van oordeel dat de uitlevering ertoe zal leiden dat de opgeëiste persoon het recht zal worden ontnomen om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak in Nederland. De officier van justitie heeft op de zitting medegedeeld voornemens te zijn de Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon te seponeren wegens onvoldoende nationaal belang. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de opgeëiste persoon na uitlevering aan de VS niet langer in Nederland zal worden vervolgd zodat dit evenmin het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM oplevert.

De raadsvrouw heeft verder geen argumenten naar voren gebracht waaruit dit kan worden opgemaakt, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken.

Omdat de rechtbank niet aanneemt dat nu al vaststaat dat sprake is van een dreigende inbreuk, als hiervoor uiteengezet, kan de vraag of ter zake sprake is van een effectief rechtsmiddel onbesproken blijven. Ten overvloede merkt de rechtbank echter op dat het eerdergenoemde vertrouwensbeginsel óók met zich brengt dat moet worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar vervolgens een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR. Dat de verdediging bij de beoordeling van de al dan niet toelaatbaarheid van entrapment bij de bewijsgaring een andere bewijspositie heeft dan in Nederland gebruikelijk is, doet aan het genoemde uitgangspunt niet af. Het is immers niet aannemelijk geworden dat een dergelijk verweer in de VS niet kan worden gehonoreerd.

Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat op grond van hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, niet is komen vast te staan dat de jegens de opgeëiste persoon het risico dreigt van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en evenmin dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. De verweren van de raadsvrouw ter zake worden dan ook verworpen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in het aangevoerde evenmin grond om in een advies aan de Minister als bedoeld in artikel 30, tweede lid, UW, in het kader van het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, aan de verzoekende Staat garanties te vragen om de door de raadsvrouw verwachte dreigende schending te voorkomen.

5.5

Beroep op de artikelen 2 en 3 EVRM

5.5.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er concrete bezwaren zijn ten aanzien van de detentiecentra waar de opgeëiste persoon zou kunnen gaan verblijven indien hij wordt uitgeleverd. De detentieomstandigheden in de Amerikaanse detentiefaciliteiten: New York Metropolitan Correctional Center (hierna: MCC) of the Brooklyn Metropolitan Detention Center (hierna: MDC) zouden een reële kans op inhumane behandeling opleveren. Dit heeft tot gevolg dat bij uitlevering een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. De raadsvrouw verwijst hiervoor naar een aantal rapporten, krantenartikelen en jurisprudentie.

Daarnaast heeft de opgeëiste persoon zelf in een brief verklaard dat hij vreest voor zijn leven wanneer hij wordt uitgeleverd. Volgens de raadsvrouw zijn er aanwijzingen dat zijn vrees reëel is. Er is sprake van een acute dreiging op het leven van de opgeëiste persoon. Dit wordt beschermd onder artikel 2 EVRM. Er is geen effectief rechtsmiddel tegen deze dreigende schending.

5.5.2.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat - zoals in het voorgaande reeds is overwogen - bij de beoordeling dient te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit de artikelen 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer de artikelen 2 en 3 EVRM voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat van een voltooide schending van artikel 2 en of 3 van het EVRM geen sprake is en zulks is overigens ook niet aangevoerd.

Hetgeen is aangevoerd omtrent een dreigende schending van de artikelen 2 en 3 van het EVRM kan wel aanleiding vormen om eventuele opvattingen kenbaar te maken in het advies aan de Minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.

De rechtbank merkt in dat verband op dat zij er - gelet op het bericht van de consulaire afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 24 oktober 2018 met betrekking tot de detentiecentra MCC en MDC - van uitgaat dat de minister van Justitie en Veiligheid bekend is met daarin genoemde omstandigheden en deze in zijn overwegingen over de toelating van de uitlevering zal meenemen. De rechtbank zal de Minister daarom niet adviseren de uitlevering pas toelaatbaar te verklaren nadat de door de raadsvrouw verzochte garanties zijn afgegeven. Dat verzoek wordt afgewezen.

Met betrekking tot het dreigende levensgevaar voor de opgeëiste persoon (dreigende schending van artikel 2 EVRM) overweegt de rechtbank dat enkel de verwachtingen van de opgeëiste persoon daaromtrent, onvoldoende concreet en substantieel zijn. De rechtbank merkt bovendien op dat de VS hebben toegezegd in te staan voor de persoonlijke veiligheid van de opgeëiste persoon indien hij wordt uitgeleverd. Daar doet niet aan af dat de raadsvrouw in dat geval vreest dat de opgeëiste persoon om redenen van zijn eigen veiligheid in continue eenzame opsluiting wordt geplaatst, wat volgens haar weer een dreigende schending van artikel 3 EVRM oplevert. Ook dit verweer wordt verworpen.

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding de Minister te adviseren garanties hieromtrent van de VS te vragen. Dat verzoek wordt eveneens afgewezen.

6 Slotsom

Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

7 Verzoek schorsing uitleveringsdetentie

7.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen, althans op te schorten totdat de officier van justitie in kennis is gesteld van de beslissing van de Minister.

7.2.

Beoordeling

Gelet op de mate waarin de opgeëiste persoon zich verzet tegen de verzochte uitlevering en de door hem kenbaar gemaakte angst daarvoor in combinatie met het ontbreken van een sterke band met Nederland, acht de rechtbank de kans op onttrekking daaraan reëel. De rechtbank is er daarom niet van overtuigd dat de opgeëiste persoon op het door hem opgegeven adres in Nederland en ter beschikking van justitie zal blijven.

Bij de afweging van de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon tegen de belangen bij voortzetting van de uitleveringsdetentie, waaronder het belang bij nakoming van de verdragsverplichtingen jegens de VS, genieten die laatste naar het oordeel van de rechtbank voorrang.

Het verzoek tot schorsing dan wel opschorting van de uitleveringsdetentie wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ), ter strafvervolging van het feit omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek;

WIJST AF het verzoek tot schorsing dan wel opschorting van de uitleveringsdetentie.

Deze beslissing is genomen door:

mr. B.E. Dijkers, voorzitter,

mrs. C.G. van de Grampel en M.W.J. van Elsdingen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 8 november 2018.