Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9763

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
560700 / HA RK 18-1248
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Het is de taak van de rechter om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden vast te stellen. In dit geval heeft de rechter het noodzakelijk gevonden om ten behoeve hiervan een nader deskundigenonderzoek te laten uitvoeren. Hoewel vragen gesteld kunnen worden bij het nut van de beslissing tot voortzetting van het deskundigenonderzoek ondanks de ontzegde medewerking van de verzoeker en het namens hem aangekondigde beroep op het inzage- en blokkerings-recht bij de eventuele totstandkoming van een rapport, levert deze – voor de verzoeker onwelgevallige – beslissing op zichzelf geen grond voor wraking op.

Niet is gebleken dat in de door de verzoeker bedoelde akte voor de deskundige relevante informatie is opgenomen. In dat licht bezien is het niet meesturen van deze akte door de rechter aan de deskundige niet zodanig onbegrijpelijk dat dit een zwaarwegende aanwijzing oplevert als hiervoor bedoeld.

De wrakingskamer onderschrijft de stelling van de verzoeker dat de procedure (te) lang duurt. Dit enkele feit levert echter geen aanwijzing op voor enige vooringenomenheid van deze rechter in de onderhavige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 560700 / HA RK 18-1248

Beslissing van 20 november 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. L.J. van Rooijen,

strekkende tot wraking van:

mr. T.M.J. Smits, rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton 1 (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

1.1

De verzoeker is een procedure gestart tegen zijn voormalige werkgever [naam vennootschap] B.V. (hierna: [naam vennootschap] ) ter verkrijging van schadevergoeding wegens een aan hem op 10 oktober 2009 overkomen bedrijfsongeval. Die procedure draagt als kenmerk 4703955 CV EXPL 15-56869.

Bij beschikking van 14 januari 2014 is door de kantonrechter (niet zijnde de gewraakte rechter) bepaald dat de door de verzoeker ervaren klachten het gevolg zijn van dit ongeval.

Bij vonnis van 17 maart 2017 heeft een andere kantonrechter, te weten de thans gewraakte rechter, ambtshalve besloten nader deskundigenonderzoek in te laten stellen naar de invloed van pre-existentiële en predispositionele factoren op de door de verzoeker gestelde schade en de daarmee samenhangende mate van aansprakelijkheid van [naam vennootschap] . Bij akte van 8 maart 2018 heeft de advocaat van de verzoeker te kennen gegeven dat de verzoeker geen medewerking zal verlenen aan het door de rechtbank beoogde deskundigenbericht. Bij vonnis van 27 juli 2018 heeft de rechter een deskundige benoemd en deze bevolen om voornoemd onderzoek te verrichten. Op 6 augustus 2018 is namens de verzoeker opnieuw aan de rechter bericht dat de verzoeker geen medewerking verleent aan het deskundigenonderzoek en dat hij geen toestemming verleent om de op hem betrekking hebbende stukken aan de deskundige te versturen. Dit standpunt is bij brief van 11 september 2018 ook rechtstreeks aan de deskundige kenbaar gemaakt, met daarbij het verzoek om eventuele reeds ontvangen processtukken te retourneren aan de rechtbank en de mededeling dat de verzoeker een beroep op zijn blokkeringsrecht zal doen met betrekking tot een zonder zijn medewerking uit te brengen rapport. Vervolgens heeft de griffier op 4 oktober 2018 namens de rechter een brief verstuurd aan de deskundige, met het verzoek om voorbij te gaan aan hetgeen de (advocaat van de) verzoeker haar bij brief van 11 september 2018 heeft bericht. Op 18 oktober 2018 is ten slotte een door de advocaat van verzoeker ingediend schriftelijk wrakingsverzoek ingekomen ter griffie.

1.2

Het griffiedossier van de hiervoor omschreven procedure is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.

De verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 12 november 2018. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij niet bij de zitting aanwezig zal zijn omdat zij aan haar schriftelijke reactie niets toe te voegen heeft.

1.3

Ter zitting van 14 november 2018, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de verzoeker, zijn advocaat en de advocaat van [naam vennootschap] . De advocaat van de verzoeker heeft aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De hoofdwrakingsgrond, zoals reeds grotendeels uiteengezet in het schriftelijke wrakingsverzoek, luidt als volgt. De door de verzoeker geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval is reeds afdoende vastgesteld door vier eerdere deskundigen. Het door de rechter bevolen nader deskundigenonderzoek is dus niet noodzakelijk. Een dergelijk nieuw onderzoek grijpt bovendien diep in op de persoonlijke levenssfeer van de verzoeker. De verzoeker heeft daarom besloten om niet mee te werken aan nader onderzoek en heeft dit ook te kennen gegeven aan zowel de rechter als de deskundige. De verzoeker heeft hierbij aanvaard dat de rechter uit het niet-meewerken de conclusie trekt die zij geraden acht. De rechter heeft desondanks de voortzetting van het nader onderzoek door een deskundige bevolen, welk onderzoek in de optiek van de verzoeker en zijn advocaat in hun nadeel is. Bovendien maakt zij hiermee een inbreuk op het recht van de verzoeker op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De rechter heeft hiermee welbewust en weloverwogen de rechtspositie van de verzoeker geschonden, waardoor de indruk is ontstaan dat zij bevooroordeeld is.

Daarnaast zijn in het schriftelijke wrakingsverzoek een zestal nevenwrakingsgronden aangevoerd. Deze betreffen (1) het besluit om ambtshalve een deskundige te benoemen, (2) de beslissing om terug te komen op een als bindend geldende uitspraak, (3) de vorm en inhoud van de beslissing naar aanleiding van beiderzijds gedane verzoeken tot het mogen instellen van tussentijds hoger beroep, (4) de vraagstelling aan de deskundige, (5) het verstrekken van een niet compleet procesdossier aan de deskundige en (6) de lange procesduur en inefficiënte procesvoering.

De wrakingskamer heeft ter zitting gevraagd naar de verhouding tussen de nevenwrakingsgronden en de hoofdwrakingsgrond en in het verlengde hiervan de tijdigheid van de nevenwrakingsgronden aan de orde gesteld. Hierop is verklaard dat de nevenwrakingsgronden in beginsel slechts ter illustratie van voornoemde hoofdwrakingsgrond dienen. De rechtbank heeft dit aldus opgevat dat alle genoemde nevenwrakingsgronden ter illustratie van de hoofdwrakingsgrond zijn aangevoerd en dus niet afzonderlijk behoeven te worden behandeld, behalve de volgende (op recentere voorvallen betrekking hebbende) nevenwrakingsgronden: a) het niet meesturen van de akte van 8 maart 2017 door de rechter aan de deskundige en (b) de lange procesduur.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter heeft te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Het wrakingsverzoek ziet op onderwerpen die zijn voorbehouden aan het oordeel van de rechter in hoger beroep en die zich als zodanig niet lenen voor toetsing in een wrakingsprocedure. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid en motivering van dergelijke beslissingen. De beslissingen zijn op inhoudelijke gronden genomen en naar behoren gemotiveerd. Van (de schijn van) partijdigheid is geen sprake.

Wat de hoofdwrakingsgrond betreft heeft de rechter met inachtneming van artikel 21 Rv (waarheidsvinding) terecht een deskundigenonderzoek gelast en voorgezet en daarmee gewaakt over een juiste procesgang. Bij het achterwege blijven van een deskundigenoordeel kan immers niet bepaald worden of er wel of niet sprake is van predispositie en zo ja, voor welk percentage. Er zijn en worden geen rechten van de verzoeker geschonden. Met het inzage- en blokkeringsrecht wordt zijn privacy bovendien voldoende gewaarborgd. Overigens ontgaat de rechter het belang van de verzoeker bij de door zijn advocaat voorgestane route (geen deskundigenonderzoek, maar vonnis).

Daarnaast gaat de rechter in op een tweetal door de verdediging aangevoerde nevenwrakingsronden.

Ten eerste betreft dit het verwijt dat de rechter een onvolledige inventaris aan de deskundige heeft verstuurd, omdat de akte van de verzoeker d.d. 8 maart 2017 daarbij ontbrak. De rechter is van mening dat alle voor het onderzoek relevante stukken naar de deskundige zijn gestuurd. Nu in de akte van 8 maart 2017 in feite slechts is opgenomen dat en waarom de verzoeker niet meewerkt aan het deskundigenonderzoek, heeft de rechter geen aanleiding gezien deze akte aan de deskundige te sturen.

Daarnaast gaat de rechter in op (het gebrek aan) een voortvarende procesgang. Wat dit punt betreft merkt zij op dat de verzoeker reeds excuses zijn aangeboden naar aanleiding van een door hem ingediende klacht ten aanzien hiervan.

3 De beoordeling

3.1

De ontvankelijkheid van het verzoek

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan de verzoeker bekend waren geworden, zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende.

De aanleiding voor het verzoek tot wraking betreft de op 4 oktober 2018 door de griffier van de rechtbank aan de deskundige verstuurde brief om, in weerwil van hetgeen door de advocaat van de verzoeker gemeld is, door te gaan met de uitvoering van het onderzoek.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de verzoeker te kennen gegeven dat hij deze brief waarschijnlijk enkele dagen daarna ontvangen heeft, en dat hij daarna enige tijd nodig had om in deze zaak met een lange voorgeschiedenis een goed onderbouwd wrakingsverzoek op te stellen. Op 18 oktober 2018 is vervolgens het onderhavige wrakingsverzoek ingekomen ter griffie.

Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.

De wrakingskamer is van oordeel dat deze termijn van een korte tijd voor beraad in dit geval niet is overschreden. Er is sprake van een reeds lang lopende procedure waarbij al enige tijd discussie gevoerd werd over een nader uit te voeren deskundigenonderzoek. Deze achtergrond moest goed uiteen worden gezet in het schriftelijk verzoek en daar is enige tijd voor nodig. De tijd die is verstreken is nog acceptabel.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft.

3.2

De wrakingsgronden

Bij de beoordeling van het verzoek maakt de wrakingskamer onderscheid tussen de hoofdwrakingsgrond en een tweetal nevenwrakingsgronden, zoals hiervoor nader uiteen gezet.

De hoofdwrakingsgrond betreft de brief van de rechter aan de deskundige, waaruit blijkt dat zij het nader deskundigenonderzoek wil voortzetten.

De nevenwrakingsgronden betreffen (a) het niet meesturen van de akte van 8 maart 2017 door de rechter aan de deskundige en (b) de lange procesduur. Omdat dit op zichzelf tijdig ingediende en dus ontvankelijke gronden betreffen vat de wrakingskamer deze nevenwrakingsgronden als zelfstandige wrakingsgronden op.

3.3

Inhoudelijke beoordeling

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door de verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.3.1

De hoofdwrakingsgrond

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een

rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op

het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan

tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te

toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of

onjuiste beslissingen.

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat

daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door

vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer is van oordeel dat een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als

volgt.

Het is de taak van de rechter om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden vast te stellen. In dit geval heeft de rechter het noodzakelijk gevonden om ten behoeve hiervan een nader deskundigenonderzoek te laten uitvoeren teneinde de mate van aansprakelijkheid van [naam vennootschap] vast te stellen. Hoewel vragen gesteld kunnen worden bij het nut van de beslissing tot voortzetting van het deskundigenonderzoek ondanks de ontzegde medewerking van de verzoeker en het namens hem aangekondigde beroep op het inzage- en blokkeringsrecht bij de eventuele totstandkoming van een rapport, levert deze – voor de verzoeker onwelgevallige – beslissing op zichzelf geen grond voor wraking op.

Van een zodanige onbegrijpelijkheid van deze beslissing, dat deze door vooringenomenheid moet zijn gegeven, is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Immers, bij gebreke van totstandkoming van een nader deskundigenrapport bestaat de reële kans dat het eindvonnis een voor de verzoeker negatieve beslissing inhoudt, terwijl ook de mogelijkheid op een voor de verzoeker positieve uitkomst van het onderzoek bestaat. Door het deskundigenonderzoek, ondanks het protest van de verzoeker, door te willen zetten is het daarom geenszins ondenkbaar dat de rechter juist (ook) recht heeft willen doen aan de belangen van de verzoeker.

3.3.2

De nevenwrakingsgronden

Aan de door de verzoeker bij de nevenwrakingsgronden aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door de verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van de verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

( a) Het niet meesturen van de akte

Niet is gebleken dat in de door de verzoeker bedoelde akte van 8 maart 2017 voor de deskundige relevante informatie is opgenomen. In dat licht bezien is het niet meesturen van deze akte door de rechter aan de deskundige niet zodanig onbegrijpelijk dat dit een zwaarwegende aanwijzing oplevert als hiervoor bedoeld.

( b) De lange procesduur

De wrakingskamer onderschrijft de stelling van de verzoeker dat de procedure (te) lang duurt. Dit enkele feit levert echter geen aanwijzing op voor enige vooringenomenheid van deze rechter in de onderhavige procedure.

3.4

Conclusie

Geen van de aangevoerde wrakingsgronden levert een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door de verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. T.M.J. Smits.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C. Santema, voorzitter, mr. J.F. Koekebakker en mr. J. van den Bos, rechters, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018 in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier en door hen ondertekend.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-