Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:971

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
10/691168-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee maal poging zware mishandeling, vanwege het gericht (raak) schieten op de benen van twee personen. De verdachte zwijgt. Betrokkenen verklaren weinig. Buurtagenten herkennen de verdachte van camerabeelden ter plaatse. Bewijsoverwegingen. Een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691168-17

Datum uitspraak: 31 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie, Rotterdam,

raadsman mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair (poging doodslag) en onder 2 impliciet primair (poging doodslag) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 3 en 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering

Op 14 oktober 2017, net na middernacht, heeft er ter hoogte van sporthal [plaats delict] te Rotterdam een schietpartij plaatsgevonden. Bij deze schietpartij is [naam slachtoffer 1] in zijn been en voet geschoten en is [naam slachtoffer 2] in zijn been geschoten.

Namens de verdachte is (ook) ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair en onder

2 impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling) vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat niet vast staat dat het de verdachte is geweest die op de camerabeelden als de schutter is aangewezen. De beelden zijn te vaag en de herkenningen door de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] zijn onbetrouwbaar, aldus de raadsman. Niet duidelijk is aan welke specifieke kenmerken [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] menen de verdachte te herkennen op de beelden en [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben door gezamenlijk de beelden te bekijken elkaar beïnvloed, aldus de raadsman. Verder bewijs dat de verdachte daar ten tijde van de schietpartij aanwezig was ontbreekt. Daar komt bij dat niet is komen vast te staan dat degene die op de beelden door de verbalisanten wordt aangewezen als de schutter, gericht op de onderlichamen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft geschoten. Op de beelden is geen vuurwapen te zien en niet is uit te sluiten dat er meerdere vuurwapens waren, aangezien er op de camera meer dan vijf pilonnen zichtbaar zijn en er dus meer hulzen zijn aangetroffen dan de vijf die zijn onderzocht.

Bovendien wordt er in het dossier door getuigen gesproken over een rasta met een vuurwapen en over een man met een wit trainingspak die een vuurwapen had. [naam slachtoffer 1] loopt

gewoon weg na het treffen met de vermeende verdachte en kan dus niet in zijn been zijn geschoten. Het schieten op [naam slachtoffer 2] staat niet op de camerabeelden en is dus ergens anders gebeurd. Al het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die gericht op de onderlichamen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft geschoten.

De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende camerabeelden van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijk zijn om als basis voor herkenning te dienen. De verschillende betrokkenen bij de schietpartij zijn daarop ook duidelijk zichtbaar. Anders dan de verdediging betoogt, vindt herkenning niet plaats aan de hand van specifieke (gezichts)kenmerken, maar van het gezicht als geheel (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2017:4535).

Uit het dossier volgt dat verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] de verdachte en een aantal andere betrokkenen (her)kennen uit hun dagelijkse werkzaamheden als wijkagent. Verbalisant [naam verbalisant 1] verklaart voorts dat hij de verdachte op donderdag 12 oktober 2017 en vrijdag 13 oktober 2017 nog heeft gezien en hem ook de dag na het incident nog in de wijk is tegengekomen. Verbalisant [naam verbalisant 2] verklaart dat hij de verdachte op vrijdag 13 oktober 2017 nog heeft gezien. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de herkenning van deze verbalisanten van de op de beelden zichtbare persoon, die kort geschoren haar en een baard heeft en gekleed is in een zwarte joggingbroek en trui met donkere achterkant en witte voorkant als de verdachte, voldoende betrouwbaar. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De verdachte was dus ter plaatse ten tijde van het schietincident. Op de beelden is verder te zien dat de verdachte een voorwerp in zijn hand heeft, dat lijkt op een vuurwapen.

De verdachte strekt zijn arm en richt vervolgens op de benen van [naam slachtoffer 1] (camera 12 vanaf 36:14 en camera 13 vanaf 36:48). Verder is op de beelden te zien dat de verdachte het vuurwapen op de benen van [naam slachtoffer 2] richt (camera 12 vanaf 37.21 en camera 13 vanaf 37:46). Vaststaat dat [naam slachtoffer 1] in zijn onderbeen en voet is geschoten en dat [naam slachtoffer 2] in zijn onderbeen is geschoten. Daar hebben ze aangifte van gedaan en dat is vastgesteld. De rechtbank heeft de indruk dat [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] over het incident niet het achterste van hun tong hebben willen laten zien en zal hun verklaringen voor het overige niet gebruiken. De politie heeft aan de hand van de beelden het schietincident goed in kaart gebracht. Er is geen alternatieve lezing aannemelijk geworden. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat er niet zoveel pilonnen als hulzen zijn. Er zijn bijvoorbeeld ook pilonnen gezet over een tiewrap en een stropdas. De veronderstelling van de raadsman dat er 9 hulzen waren vindt dan ook geen steun in het dossier. Verder zijn de gevonden hulzen allemaal uit hetzelfde wapen afkomstig en blijkt uit de beelden van de politie dat de hulzen juist gevonden zijn op de plekken waar de verdachte stond, toen hij richtte op [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] . Getuige [naam getuige] , die heeft verklaard dat man met witte trainingspak heeft geschoten, vergist zich blijkbaar. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in haar verklaring. Zij heeft namelijk verklaard dat degene met het witte trainingspak is gevallen en weer is opgestaan en daarna is gaan schieten. Dat blijkt echter niet uit de camerabeelden. Op die beelden is namelijk te zien dat de man in het witte trainingspak na zijn val is blijven liggen en niet meer is opgestaan. Hij is door andere betrokkenen in een auto getild. Bovendien kan deze getuige het over de verdachte hebben gehad, want hij droeg bovenkleding met een witte voorkant.

De rechtbank houdt het er dan ook voor dat het de verdachte is geweest die gericht kogels op [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft afgevuurd en hen schotwonden heeft toegebracht. Gelet op het feit dat de verdachte gericht op de benen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft geschoten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde is mitsdien wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en het onder

2 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 14 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op die [naam slachtoffer 1] , daarbij treffend en verwondend die [naam slachtoffer 1] in een been, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 14 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op die [naam slachtoffer 2] , daarbij treffend en verwondend die [naam slachtoffer 2] in een been, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 16 oktober 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, type 70, kaliber 7,65 mm br. met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 16 oktober 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 lid 1 onder 3 van die wet, dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen, (namelijk op een aansteker en/of sleutelhanger,) (niet voorzien van merk en/of type/model aanduiding,) kaliber .22lr met daarbij voor dat wapen geschikte munitie

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 impliciet subsidiair

poging tot zware mishandeling;

2 impliciet subsidiair

poging tot zware mishandeling;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft bij een ruzie op de openbare weg tussen twee groepen, op koelbloedige wijze gericht op de benen van de slachtoffers geschoten. De slachtoffers hebben hierbij een schotwond in hun been opgelopen. Eén van de slachtoffers heeft daarnaast nog een schotwond in zijn voet opgelopen. In de woning van de verdachte zijn vervolgens twee vuurwapens aangetroffen, niet zijnde het bij de schietpartij gebruikte vuurwapen, waarvan één met een volle patroonhouder. Dit zijn ernstige, verontrustende feiten.

Vuurwapengeweld is niet alleen voor de mensen die er direct mee geconfronteerd worden angstaanjagend, het heeft ook grote maatschappelijk gevolgen. Het brengt onrust in de maatschappij teweeg en gevoelens van onveiligheid. Vuurwapengeweld zorgt ervoor dat mensen hun vertrouwen in de ander verliezen en brengt het risico met zich dat ook anderen vuurwapens aanschaffen omdat zij denken zich te moeten verdedigen. Het voorhanden hebben en het gebruiken van vuurwapens is dan ook maatschappelijk onaanvaardbaar.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

28 december 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor wapenbezit is veroordeeld.

7.1.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregelen

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 1] : ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit, waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 515,72 aan materiële schade en een vergoeding van € 6.000,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in zijn geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit en waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de gevorderde

€ 515,72 aan geleden materiële schade worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,00 nu de rechtbank de vordering tot dit bedrag voldoende onderbouwd en redelijk vindt.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 oktober 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 3.515,72, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f ven het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 2] : ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit, waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden. De benadeelde partij [naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 2.474,72 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij

[naam benadeelde 2] een vergoeding van € 1.536,00 aan door hem gemaakte proceskosten conform het liquidatietarief kantonrechter (4 punten ad € 384,00).

De gevorderde materiële schade is als volgt opgebouwd:

  1. Trainingspak merk Lacoste € 139,99

  2. Adidas schoenen € 139,95

  3. Beschermhoesje telefoon Galaxy € 7,99

  4. Eigen risico € 368,74

  5. Reiskosten naar ziekenhuis + parkeergeld € 11,48

  6. Reiskosten bedrijfsarts € 13,75

  7. Contributie sportschool € 32,95

  8. Inkomstenverlies € 1.759,87

Totaal € 2.474,72

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] vrijwel in zijn geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde vergoeding voor het trainingspak van € 139,99 en de schoenen van € 139,95 dienen te worden gematigd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade dient te worden gematigd.

Dat [naam benadeelde 2] op 14 oktober 2017 een trainingspak van het merk Lacoste en Adidas schoenen droeg is niet komen vast te staan. De gevorderde kosten van het beschermhoesje van de telefoon Galaxy en de contributie sportschool hebben geen rechtstreekse relatie met het onder 2 ten laste gelegde feit. Voor wat betreft de contributie van de sportschool geldt subsidiair dat het op de weg van de benadeelde partij had gelegen deze schadepost te beperken door zich tijdig ziek te melden daar. Het gevorderde inkomstenverlies is in de visie van de verdediging door [naam benadeelde 2] onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Tot slot is het liquidatietarief niet juist toegepast.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hiervoor onder 4, 5 en 6 opgenomen posten zijn genoegzaam onderbouwd en zullen als niet betwist worden toegewezen. De vordering onder 8 is ook genoegzaam onderbouwd en zal daarom, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. De onder 1 en 2 gevorderde schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op € 50,00 voor het trainingspak en € 50,00 voor de schoenen. De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal in het overige gedeelte van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de gegrondheid van dit deel van de vordering binnen dit strafproces onvoldoende is komen vast te staan. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade zal als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen nu dit bedrag de rechtbank ook overigens niet ongegrond voorkomt.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij

[naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden begroot op € 400,00 (2 punten conform liquidatietarief kantonrechters) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 5.253,84 aan kosten, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld en de benadeelde partij [naam benadeelde 2] wordt in het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk verklaard.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie..

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 impliciet primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, onder 2 impliciet subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 3.515,72 (zegge: drieduizendvijfhonderdenvijftien euro en tweeënzeventig eurocent), bestaande uit € 515,72 aan materiële schade en

€ 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 3.515,72 (zegge: drieduizendvijfhonderdenvijftien euro en tweeënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 3.515,72 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 5.253,84 (zegge: vijfduizendtweehonderd-drieënvijftig euro en vierentachtig eurocent), bestaande uit € 2.2053,84 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 400,00 (zegge: vierhonderd euro) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 5.253,84 (zegge: vijfduizendtweehonderd-drieënvijftig euro en vierentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 5.253,84 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Buizer, voorzitter,

en mrs. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en W.J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op die [naam slachtoffer 1] , daarbij/daarmee treffend en/of verwondend die [naam slachtoffer 1] in een been, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op die [naam slachtoffer 2] , daarbij/daarmee treffend en/of verwondend die [naam slachtoffer 2] in een been, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2017 tot en met 16 oktober 2017, in elk geval op of omstreeks 16 oktober 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, type 70, kaliber 7,65 mm br. met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2017 tot en met 16 oktober 2017, in elk geval op of omstreeks 16 oktober 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 lid 1 onder 3 van die wet, dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen, (namelijk op een aansteker en/of sleutelhanger,) (niet voorzien van merk en/of type/model aanduiding,) kaliber .22lr met daarbij voor dat wapen geschikte munitie

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie