Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9601

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
10/994501-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het afsteken van zwaar illegaal vuurwerk (mortierbommen) en het in bezit hebben van illegaal (zelfgemaakt) vuurwerk. GS 12 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/9 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994501-18

Datum uitspraak: 23 november 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. P.C.E. van den Hoek, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen vuurwerk in bezit zal hebben en/of zal afsteken, met een proeftijd van 3 jaar;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde bijzondere voorwaarde.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 2)

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering (feit 1)

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte zelf geen mortierbommen tot ontploffing heeft gebracht en dat de rol van de verdachte bij het afsteken van de mortierbommen door de medeverdachte van onvoldoende gewicht was om te oordelen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. Het medeplegen kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden.

4.2.2.

Beoordeling

Anders dan de raadsvrouw oordeelt de rechtbank dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het afsteken van de mortierbommen. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat de verdachte de medeverdachte heeft geholpen de mortierstellage uit de bestelbus te tillen en dat de verdachte de elektronische ontsteking ten behoeve van het ontsteken van de mortierbommen heeft verzorgd

Op grond van deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, zodat medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat de verdachte niet degene is geweest die op de knop heeft gedrukt om de mortierbommen daadwerkelijk te ontsteken, doet daaraan niets af. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 1 januari 2018 te Spijkenisse, nabij de Kikkerveen, tezamen en in vereniging met een ander, als degene die anders dan beroepshalve vuurwerk tot ontbranding heeft gebracht, opzettelijk handelingen heeft verricht waarvan hij en zijn mededader wisten dat

daardoor gevaren konden optreden voor mens en milieu, aangezien hij tezamen met zijn mededader, meerdere mortierbommen (shells) tot ontbranding heeft gebracht vanuit een mortierstellage die niet aan de veiligheidseisen voldeed en vanuit een mortierstellage die was geplaatst in een steeg in de directe nabijheid van woningen, terwijl meerdere personen zich tijdens dat tot ontbranding brengen op enkele meters van die mortierstellage bevonden;

2.

hij op 31 december 2017 en 1 januari 2018 te Spijkenisse, in een woning gelegen aan de Kikkerveen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten, drie stuks knalvuurwerk (één stuk cobra 6 en twee stuks Flash Banger no. 4) en zelfgemaakt en bewerkt vuurwerk ( een zonnewiel), heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 primair.

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

2

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft tijdens de jaarwisseling samen met zijn zwager zwaar illegaal vuurwerk afgestoken. Zij hebben, zonder voldoende veiligheidsmaatregelen te hebben genomen en zonder te beschikken over de daarvoor benodigde deskundigheid, met een zelfgebouwde mortierstellage mortierbommen afgeschoten. ’Het afschieten vond plaats op de openbare weg, nota bene midden in een woonwijk, in het bijzijn van verschillende omstanders, onder wie ook jonge kinderen. Door zo te handelen heeft de verdachte onaanvaardbare veiligheidsrisico’s genomen. Uit de verklaring van de medeverdachte leidt de rechtbank af dat dit geen incident was, maar dat verdachte samen met hem in de afgelopen jaren al eerder jaren illegaal zwaar vuurwerk heeft afgestoken.

Daarnaast heeft de verdachte (zelfgemaakt) illegaal vuurwerk in zijn woning voorhanden gehad. De verdachte heeft, gezien de reële kans op ontploffingsgevaar, met het opslaan van het vuurwerk in een woning midden in een woonwijk zijn buren alsmede hun woningen en andere goederen in gevaar gebracht. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en heeft zich enkel laten leiden door zijn passie voor vuurwerk. De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2018, waaruit blijkt dat aan de verdachte eerder een transactie is opgelegd voor een soortgelijk strafbaar feit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat evenwel, gelet op het zeer gevaarzettende handelen van de verdachte, geen aanleiding.

De rechtbank zal - conform de vordering van de officier van justitie - een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank ziet, gelet op de passie van de verdachte voor (het afsteken) van vuurwerk, aanleiding om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de verdachte gedurende de proeftijd geen vuurwerk in bezit zal hebben of afsteken. De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, deze bijzondere voorwaarde niet dadelijk uitvoerbaar verklaren. De rechtbank overweegt daartoe dat de wettelijke bepalingen omtrent de dadelijke uitvoerbaarheid niet voorzien in de mogelijkheid om voor de onderhavige bewezenverklaarde feiten bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1.2.2 en 1.2.7 van het Vuurwerkbesluit.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal geen vuurwerk in bezit hebben en/of afsteken.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. C.H. van Breevoort-de Bruin en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Witteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 31 december 2017 en/of 1 januari 2018 te Spijkenisse, op/nabij de Kikkerveen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als degene die anders dan beroepshalve vuurwerk tot ontbranding bracht, opzettelijk handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten waarvan hij en/of

zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat

daardoor gevaren konden optreden voor mens en/of milieu, aangezien hij al dan niet tezamen met zijn mededader, meerdere mortierbommen (shells) tot ontbranding heeft gebracht vanuit een

mortierstellage die niet aan de veiligheidseisen voldeed en/of vanuit een mortierstellage die was geplaatst in een steeg in de directe

nabijheid van woningen, terwijl meerdere personen zich tijdens dat tot

ontbranding brengen op enkele meters van die mortierstellage bevonden:

Subsidiair

hij op of omstreeks 31 december 2017 en/of 1 januari 2018 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten een of meer mortierbom(men) (shell(s)), tot ontbranding heeft gebracht;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2017 en/of 1 januari 2018 te Spijkenisse, in een woning gelegen op/aan de Kikkerveen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten, drie stuks knalvuurwerk (cobra 6 en/of Flash Banger no. 4) en/of een of meer stuks zelfgemaakt en/of bewerkt vuurwerk (vuurpijlen en/of

zonnewiel), heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.