Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9589

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
C/10/552244 / FA RK 18-4518
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing afgewezen. Artikel 1:253a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/552244 / FA RK 18-4518

Beschikking van 23 augustus 2018 betreffende vervangende toestemming ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW)

in de zaak van:

[naam verzoekster] , de vrouw,

wonende te [woonplaats verzoekster] , [adres verzoekster] ,

advocaat mr. P.A. van Hecke te Rotterdam,

t e g e n

[naam verweerder] , de man,

wonende te [woonplaats verweerder] , [adres verweerder] ,

advocaat mr. N.J. Glen-Boedhram te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 juni 2018;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de man, ingekomen op 10 augustus 2018;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 14 augustus 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 augustus 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door de heer [naam vertegenwoordiger] .

1.3.

Namens de vrouw is ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 10 juli 2008.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2008 te [geboorteplaats minderjarige 1] ;

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2016 te [geboorteplaats minderjarige 2] .

2.3.

De vrouw is de moeder van de minderjarige:

[naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2005 te [geboorteplaats minderjarige 3] .

2.4.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.5.

Partijen zijn nog gehuwd met elkaar. Zij hebben hun affectieve eerder verbroken en hebben zich vervolgens weer verzoend. Partijen zijn nu feitelijk uit elkaar. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Tussen partijen bestaan geen afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling). De man ziet [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] op onregelmatige basis.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoek tot verhuizing

3.1.1.

De vrouw verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar een woning binnen een straal van maximaal 15 kilometer hemelsbreed gerekend vanaf het trainingscomplex van Ajax (De Toekomst) aan de [adres] Amsterdam te verhuizen.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Subsidiair verzoekt hij, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vervangende toestemming tot verhuizing alleen wordt verleend onder de voorwaarde dat de vrouw een haal- en brengplicht wordt opgelegd en dat de minderjarigen op de afgesproken tijden worden gebracht en gehaald in Capelle aan den IJssel op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat de vrouw de zorgregeling niet of niet tijdig nakomt met een maximum van € 25.000,-.

3.1.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarigen wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder toestemming dient te krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarigen weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

3.1.4.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarigen hoofdverblijfplaats hebben in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarigen elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

3.1.5.

Voorop staat dat beide partijen het er over eens zijn dat [naam minderjarige 1] dit seizoen bij Ajax voetbalt. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat de overstap van [naam minderjarige 1] van Sparta naar de Ajax de enige aanleiding is voor de voorgenomen verhuizing van Capelle aan den IJssel naar de omgeving van Amsterdam.

De stellingen van de vrouw, inhoudende dat een verhuizing gewenst is door Ajax, volgens het hoofd opleidingen van Ajax de beste uitgangspositie geeft en door de man akkoord is bevonden, zijn door de man gemotiveerd betwist. Gelet op de schooltijden van [naam minderjarige 1] is het praktisch mogelijk om heen en weer te reizen vanuit Capelle aan den IJssel naar het trainingscomplex van Ajax. Daarbij is door de vrouw niet weersproken dat de man bereid is om het halen en brengen van [naam minderjarige 1] te verdelen, dat vriendjes uit de buurt ook heen en weer reizen, waardoor er bijvoorbeeld gecarpoold kan worden en dat Ajax bereid is een taxi te regelen voor [naam minderjarige 1] . De noodzaak voor de voorgenomen verhuizing is, gelet hierop, niet vast komen te staan.

3.1.6.

Dat een verhuizing in het belang van [naam minderjarige 1] is, is evenmin vast komen te staan. [naam minderjarige 1] is nog jong. Dat hij bij Ajax is binnengehaald en daar dit jaar mag voetballen, betekent niet dat hij daar de komende jaren voetbalt. Zoals de raad ter zitting aanhaalde, is de voetbalwereld grillig, en dat geldt ook voor de ontwikkeling van een jeugdige voetbalspeler binnen die voetbalwereld. Indien [naam minderjarige 1] nog een keer van club wisselt, wat zich zomaar voor zou kunnen doen, is handhaving van zijn huidige uitvalsbasis vooralsnog meer in zijn belang dan een verhuizing om feitelijk dichtbij de betreffende club te wonen, waarvan thans nog ongewis is of hij hier de komende jaren blijft voetballen. Ter zitting heeft de man onweersproken aangegeven dat met Ajax is besproken dat [naam minderjarige 1] na een periode wellicht weer naar Sparta zou kunnen terugkeren.

Daarbij spelen de belangen van [naam minderjarige 2] bovendien ook een rol. De vrouw heeft niet dan wel onvoldoende gesteld hoe het contact tussen de man en [naam minderjarige 2] wordt geborgd indien zij met beide kinderen verhuist.

De vrouw heeft daarnaast ook niet gesteld wat een verhuizing voor het sociale leven van [naam minderjarige 1] betekent. Door de man is aangegeven dat het gedrag van [naam minderjarige 1] op school te wensen overlaat en zijn weerslag heeft op zijn schoolresultaten. Door de vrouw zijn deze aspecten, hoewel van belang, buiten beschouwing gelaten bij haar voornemen te verhuizen en zij heeft dan ook deze zorgen van de man onvoldoende weersproken.

De raad heeft er op gewezen dat het gedrag van [naam minderjarige 1] zijn oorsprong vindt in de ruimte die de ouders hiervoor geven, door niet goed met elkaar te communiceren. De rechtbank geeft partijen in overweging hieraan aandacht te geven en er in het belang van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] voor te zorgen dat hun onderlinge communicatie wordt verbeterd.

3.1.7.

Het gebrek aan (goede) communicatie uit zich ook in de uitvoering van de zorgregeling. Partijen zijn geen vaste zorgregeling overeengekomen. Hoewel de vrouw stelt dat zij hier voorstander van is, is er geen concreet voorstel gedaan. Bij een verhuizing zal het nodige veranderen aangezien partijen nu op korte afstand van elkaar wonen. Het ligt op de weg van de vrouw om concrete alternatieven aan te bieden als compensatie voor de vermindering van de mogelijkheden tot contact met de man, hetgeen zij heeft nagelaten. Het contact tussen de minderjarigen en de man is niet voldoende gewaarborgd.

Dit geldt temeer gelet op het door de raad ter zitting uitgebrachte advies, die de opvoedingssituatie en -omgeving van de minderjarigen ‘instabiel’ noemt. Het is aan partijen als ouders om een veilige en stabiele situatie voor de minderjarigen te creëren, ook indien zij niet langer partners zijn. Hierbij is continuïteit volgens de raad belangrijk. Partijen zouden in het belang van de minderjarigen handelen door met elkaar in gesprek te gaan en duidelijke afspraken te maken over en voor de minderjarigen.

3.1.8.

Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing afgewezen.

3.1.9.

Aangezien de vrouw geen vervangende toestemming krijgt om te verhuizen, wordt aan het subsidiaire verzoek van de man niet toegekomen.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek van de vrouw af;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.W. Kuip, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.C.A.T. Frima en mr. I.J. Pieters, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Smulders op 23 augustus 2018.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.