Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9534

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
ROT 18/5216
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Beroep wegens niet tijdig beslissing op bezwaar inzake aanwijzing parkeergarages en parkeerterreinen als economische activiteit die plaatsvindt in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet. Toepassing aan art. 7:10 lid 4, onderdeel c, Awb kan niet worden gegevens na afloop van de beslistermijn.

Wat verweerder heeft aangevoerd over de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen kan hier niet aan afdoen, aangezien de bestuursrechter ambtshalve dient na te gaan of tijdig bezwaar is gemaakt en of het beroep wegens niet tijdig beslissen ontvankelijk is, zodat aan een kennelijke verschrijving in het beroepschrift met betrekking tot enig tijdstip niet die gevolgen kunnen worden verbonden die verweerder daaraan wenst te verbinden.

Evenmin kan verweerder worden gevolgd in zijn stelling dat de ingebrekestelling onredelijk laat heeft plaatsgevonden. Tussen de afloop van de beslistermijn en de ingebrekestelling ligt minder dan zeven weken, welke periode naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet onredelijk lang is, zodat zich niet de situatie voordoet als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:701) de beslistermijn afliep zes weken na de daarin genoemde uitspraak van 21 oktober 2015 en de ingebrekestelling op 7 januari 2016 niet onredelijk laat is geacht. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3226) wordt een langere termijn dan enkele weken (namelijk tussen twaalf weken na 30 augustus 2017 en 5 juli 2018) niet onredelijk lang bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/5216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Q-Park Operations Netherlands B.V. rechtsopvolgster van Q-Park Operations Netherlands II B.V., te Maastricht, eiseres,

gemachtigden: mr. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en mr. O.L. van der Pol,

en

de gemeenteraad van Veenendaal, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. R.G.J. Gehring.

Procesverloop

Bij brief van 5 oktober 2018 (ontvangen op 8 oktober 2018) heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaarschrift van 9 maart 2018 (ontvangen op 12 maart 2018), gericht tegen het besluit van verweerder van 25 januari 2018 (bekendgemaakt op 29 januari 2018) waarbij de exploitatie van parkeergarages en parkeerterreinen zijn aangewezen als economische activiteit die plaatsvindt in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de reeds verbeurde dwangsommen vast te stellen, verweerder een termijn van twee weken te stellen om alsnog een besluit bekend te maken en daaraan een dwangsom te verbinden van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van de artikel 8:55b gelezen in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

3. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de beslissing op bezwaar diende te worden genomen aanving op 13 maart 2018 en behoudens verdaging en verder uitstel, nu een commissie is ingesteld als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb, afliep op 4 juni 2018. Omdat verweerder bij brief van 26 april 2018 eiseres heeft bericht de beslissing op bezwaar met zes weken te verdagen, liep deze termijn door tot en met 16 juli 2018. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij brief van 30 augustus 2018 (ontvangen op 31 augustus 2018) verweerder in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, waarbij is aangegeven dat verweerder dwangsommen verbeurt indien niet binnen twee weken alsnog een beslissing op bezwaar wordt genomen.

4. Bij brief van 11 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (het college) eiseres bericht dat in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie aanvullend onderzoek wordt gedaan, dat het definitieve onderzoeksrapport eind september of uiterlijk begin oktober 2018 aan de gemeente zal worden verzonden, dat eiseres indachtig artikel 7:9 van de Awb op de uitkomsten van het onderzoek zal mogen reageren, dat verweerder eind november 2018 een beslissing op bezwaar zal nemen en dat tot die tijd de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar wordt verdaagd. In die brief is eiseres voorts verzocht in te stemmen met deze proceduregang en aan de verstuurde ingebrekestelling geen gevolgen te verbinden. Eiseres heeft het college bij brief van 25 september 2018 bericht niet akkoord te gaan met het verzoek geen gevolgen te verbinden aan de ingebrekestelling.

5. De rechtbank stelt vast dat de brief van het college van 11 september 2018 is verzonden na afloop van de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar. Naar zij in een vergelijkbare zaak eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4580, met verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3476, en 21 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:936) is na afloop van genoemde termijn geen uitstel met toepassing van artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, meer mogelijk. Nu eiseres bovendien uitdrukkelijk niet heeft ingestemd met verder uitstel en ook geen sprake is van omstandigheden die met die instemming op één lijnen moeten worden gesteld, is ook geen uitstel mogelijk op grond van artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder a of b, van de Awb.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk gegrond, omdat verweerder niet binnen twee weken te rekenen vanaf 31 augustus 2018 (de ontvangst van de ingebrekestelling) op het bezwaar heeft beslist.

7. Wat verweerder in zijn verweerschrift van 22 oktober 2018 en brief van 29 oktober 2018 heeft aangevoerd over de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen kan hier niet aan afdoen, aangezien de bestuursrechter ambtshalve dient na te gaan of tijdig bezwaar is gemaakt en of het beroep wegens niet tijdig beslissen ontvankelijk is, zodat aan een kennelijke verschrijving in het beroepschrift met betrekking tot enig tijdstip niet die gevolgen kunnen worden verbonden die verweerder daaraan wenst te verbinden. Ook de door verweerder naar voren gebrachte omstandigheid dat een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien die omstandigheid in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb al is verdisconteerd in de initiële beslistermijn.

8. Evenmin kan verweerder worden gevolgd in zijn stelling dat de ingebrekestelling onredelijk laat heeft plaatsgevonden. Tussen de afloop van de beslistermijn en de ingebrekestelling ligt minder dan zeven weken, welke periode naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet onredelijk lang is, zodat zich niet de situatie voordoet als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:701) de beslistermijn afliep zes weken na de daarin genoemde uitspraak van 21 oktober 2015 en de ingebrekestelling op 7 januari 2016 niet onredelijk laat is geacht. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3226) wordt een langere termijn dan enkele weken (namelijk tussen twaalf weken na 30 augustus 2017 en 5 juli 2018) niet onredelijk lang bevonden.

9. De rechtbank stelt verder vast dat tussen de afloop van de beslistermijn en het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen minder dan drie maanden liggen en ziet in de omstandigheden van het geval, waaronder de correspondentie die tussen partijen heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de ingebrekestelling, geen aanleiding om het indienen van het beroepschrift onredelijk laat te achten (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3607, en de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2144).

10. De rechtbank zal, gelet op het verzoek van eiseres om de op grond van artikel 4:17 van de Awb reeds verbeurde dwangsommen vast te stellen, toepassing geven aan artikel 8:55c van de Awb. Omdat de termijn van artikel 4:17, derde lid, van de Awb aanving op 31 augustus 2018 en inmiddels ruimschoots 42 dagen nadien zijn verstreken, zal de rechtbank de door verweerder verbeurde dwangsommen vaststellen op het maximale bedrag van € 1.260,-.

11. De rechtbank ziet aanleiding verweerder een termijn te stellen om alsnog op het bezwaar van eiseres te beslissen. De rechtbank stelt die termijn met inachtneming van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb op twee weken, welke termijn voor verweerder haalbaar moet zijn, dit ook gelet op de mededeling van verweerder dat de te nemen beslissing is geagendeerd op de raadsvergadering van 22 november 2018. Gelet op het tweede lid van die bepaling ziet de rechtbank aanleiding daaraan de dwangsom te verbinden, zoals door eiseres is verzocht.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres;

- stelt de dwangsom die verweerder heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen vast op € 1.260,-;

- bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog een besluit neemt op het bezwaar van eiseres en dat, indien of zolang verweerder daar niet aan voldoet, verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 15.000,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 338,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van

mr. dr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 21 november 2018.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Bijlage

De Algemene wet bestuursrecht luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling.

5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.

6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

b. de aanvrager geen belanghebbende is, of

c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

(…)

Artikel 6:2

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

(…)

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Artikel 6:12

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Artikel 7:10

1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

4. Verder uitstel is mogelijk voor zover:

a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,

b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of

c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

Artikel 8:55b

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.

(…)

Artikel 8:55c

Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=611c&g=2018-11-19&z=2018-11-19) en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=611g&g=2018-11-19&z=2018-11-19) zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:55d

1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

2. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De artikelen 611c (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=611c&g=2018-11-19&z=2018-11-19) en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=611g&g=2018-11-19&z=2018-11-19) zijn van overeenkomstige toepassing.

3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.”