Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9460

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
ROT 18/2124
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2020:660, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing en ontslag op grond van redenen van gewichtige aard. Beroep gegrond. Zou gaan om onaanvaardbare manier van communicatie en bejegening van een docent. Dit blijkt onvoldoende concreet en eiseres is er niet op aangesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2019/950
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/2124

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres],

gemachtigde: mr. M.A.G. Lamers,

en

Stichting Onderwijsgroep Galilei, verweerster,

gemachtigde: mr. S. Ouwens.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2017 (primair besluit I) is eiseres met ingang van 19 september 2017 bij wijze van ordemaatregel geschorst. Gedurende de schorsing is haar de toegang tot alle terreinen en de gebouwen van verweerster ontzegd.

Bij besluit van 12 oktober 2017 (primair besluit II) heeft verweerster aan eiseres per 1 november 2017 ontslag verleend op grond van redenen van gewichtige aard en een aanbod gedaan tot het vergoeden van kosten van een outplacementtraject.

Bij besluit van 9 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend waarop eiseres heeft gereageerd en aanvullende stukken heeft ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [persoon 1] ([persoon 1]), [persoon 2] ([persoon 2]), [persoon 3] ([persoon 3]) en [persoon 4].

Overwegingen

1.1.

Met ingang van 1 augustus 2001 is eiseres bij (de rechtsvoorganger van) verweerster aangesteld als docent bij scholengemeenschap [bedrijf] te Hellevoetsluis. Eiseres heeft in de loop der jaren les gegeven in de vakken Engels en Nederlands, European International Orientation (EIO) en Anglia. Half december 2006 is eiseres benoemd als LD‑docent en vanaf juni 2006 is eiseres lid geworden van de Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) van verweerster als vertegenwoordiger vanuit het personeel. Eiseres is jarenlang tevens mentor geweest, laatstelijk tot begin december 2016, van een VWO-2 klas.

1.2.

In oktober 2016 en december 2016 zijn er naaste familieleden van eiseres overleden. Op 31 januari 2017 heeft eiseres zich voor de derde keer binnen een maand ziekgemeld, mede als gevolg van (achteraf gebleken) diabetes en omdat er een burn-out dreigde. Eiseres ondervond problemen met de late inroostering en de frequente wijziging van de roosters, met de inroostering van de gastlessen van een docente uit Groot‑Brittannië en met tekortschietende faciliteiten.
Op 2 juni 2017 vond een functioneringsgesprek plaats tussen eiseres en haar teamleider [persoon 3]. In het verslag van het functioneringsgesprek staat onder andere dat eiseres al jaren laat zien resultaat te leveren en voldoende basis te leggen voor de doorstroming naar de bovenbouw. De uitkomst van de leerlingenenquête over eiseres is blijkens het verslag zeer positief.
Op 21 juni 2017 werd de verdeling van de lessen bekend voor het schooljaar 2017/2018. Eiseres was daarover teleurgesteld omdat er een wijziging bleek van haar takenpakket. Dit besprak eiseres op 22 juni 2017 met de interim rector [persoon 2]. In haar e-mail van 29 juni 2017 aan [persoon 2] geeft eiseres aan dat zij het op prijs stelt dat hij zo snel inging op haar verzoek om een gesprek en dat zij het een verhelderend gesprek vond. Eisers heeft goed duidelijk kunnen maken wat haar dwars zat en heeft zich veroorloofd om in niet verhullende termen te spreken; dat dit kon, geeft blijk van vertrouwen. Eiseres zal de feedback onthouden en niet in de wind slaan en hoopt op een goede samenwerking voor volgend schooljaar en daarna.
Op 30 juni 2017 heeft eiseres zich volledig hersteld gemeld.

1.3.

Eiseres is op 3 juli 2017 uitgenodigd voor een gesprek op 7 juli 2017 met de waarnemend bestuurder [persoon 1]. In het gesprek op 7 juli 2017 kreeg eiseres een voorstel tot beëindiging van haar dienstverband op neutrale gronden per 1 oktober 2017 met een beëindigingsvergoeding van € 15.000,- bruto. Als reden voor de beëindiging is gegeven dat eiseres de afgelopen jaren zeer vele conflicten heeft gehad met collega’s, leerlingen en ouders, veroorzaakt door haar houding, gedrag en communicatie. Verschillende collega’s, onder wie de rector en de teamleider, wilden niet meer met eiseres samenwerken. Eiseres ging niet op dit aanbod in.

1.4.

Nadat het voornemen tot schorsing op 17 augustus 2017 was geuit en eiseres haar zienswijze daarop naar voren had gebracht, is primair besluit I genomen. Nadat het voornemen tot ontslag op 26 september 2017 was geuit en eiseres afzag van de mogelijkheid om haar zienswijze daarop naar voren te brengen, is primair besluit II genomen.

De primaire besluiten zijn, na bezwaar, bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Aan het ontslag legt verweerster ten grondslag dat er redenen zijn van gewichtige aard als bedoeld in artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO Voortgezet Onderwijs 2016-2017 (CAO VO), die gelegen zijn in een onoverbrugbaar verschil van inzicht over het uitvoeren van de functie en/of een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Verweerster ziet in de wijze van communicatie en bejegening van eiseres, zich onder meer uitend in intimiderend, kwetsend en op punten aanvallend e-mailverkeer, een onverenigbaarheid met de werkwijze en samenwerking die van een goed werknemer in het onderwijs mag worden verwacht. Volgens verweerster heeft eiseres ouders ongepast gekwalificeerd nadat er klachten waren gekomen. Verder heeft eiseres geen reflecterend vermogen omdat ze niet inziet dat ze, ondanks dat ze heeft aangegeven dat ze een vrij strakke pen hanteert, bij herhaling een grens overschrijdt. Op de hoorzitting gaf eiseres er geen blijk van zich dit voldoende te realiseren en toonde zij evenmin de bereidheid om dit gedrag te veranderen. De bezwaar- en beroepscommissie Onderwijsgroep Galilei betreurt het dat eiseres voorafgaand aan het voorstel van 7 juli 2017 niet duidelijk is gewezen op de gevolgen van haar gedragingen, maar heeft hierin geen reden gezien te adviseren tot gegrondverklaring van het bezwaar. Terugkeer van eiseres acht verweerster niet reëel omdat van haar niet kan worden gevergd dat zij de weerstand die tegen een werknemer breed wordt gedragen “breekt”. Een goede samenwerking is volgens verweerster van evident belang om te kunnen zorgen voor een veilig schoolklimaat en voortzetting van het dienstverband zou dat doel in gevaar brengen.

De stelling van eiseres dat het ontslag uit de duim is gezogen en is ingegeven door politieke redenen verband houdende met de gang van zaken bij de GMR, volgt verweerster niet. Verweerster ziet in de opstelling van eiseres na 7 juli 2017 in ieder geval een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.

Bevoegdheid

3. Ter zitting heeft verweerster door het overleggen van de Statuten en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel aangetoond dat de Stichting Onderwijsgroep Galilei een eenhoofdige bestuurder heeft in de persoon van [persoon 1] en dat er geen sprake is van mandaat, zodat hij bevoegd is tot het nemen van zowel de primaire besluiten als het bestreden besluit.

Het ontslag

4. Volgens eiseres zijn er geen redenen van gewichtige aard om tot ontslag over te gaan. Eiseres wijst naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), waarin is bepaald dat redenen van gewichtige aard in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van betrokkene en diens directe werksituatie en dat deze ontslaggrond ook kan worden toegepast wanneer er sprake is van een impasse die redelijkerwijs slechts kan worden doorbroken door beëindiging van de dienstbetrekking. Eiseres voert aan dat zij in alle jaren dat ze bij [bedrijf] heeft gewerkt nooit enige klacht heeft gehad over de wijze waarop ze haar functie heeft uitgeoefend. Haar functionerings- en beoordelingsdossier en de overige stukken waarnaar eiseres verwijst, waren lovend dan wel bevatten geen kritiek. Evenmin is er volgens eiseres sprake van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie, omdat er geen conflicten zijn of zijn geweest. Eiseres herkent de stelling van verweerster niet dat in verband met incidenten in afgelopen jaren gesprekken met haar gevoerd zijn en steeds naar oplossingen is gezocht. Eiseres vestigt er de aandacht op dat een groot aantal van de verklaringen over de samenwerking met haar pas zijn opgesteld tussen eind augustus 2017 en eind september 2017, nadat eiseres het voorstel van 7 juli 2017 niet had geaccepteerd. Indien er sprake zou zijn van een impasse, wat eiseres ontkent, dan had het volgens eiseres op de weg van verweerster gelegen om tot mediation over te gaan, maar deze mogelijkheid is niet besproken. Het ontslag is voor eiseres volledig uit de lucht komen vallen en is niet voorzienbaar geweest, mede gelet op het positieve functioneringsgesprek van 2 juni 2017.

Deze beroepsgrond slaagt.

4.1.

Op grond van artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO VO kan de werknemer, met inachtneming van het in artikel 10.b.4 bepaalde, ontslag worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Raad van 26 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1966), moeten redenen van gewichtige aard in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van de werknemer en zijn directe werksituatie. Dergelijke redenen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in een in de loop der tijd ontstane impasse die in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en die meebrengt dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verlangd. In dit kader moet worden gewaakt voor een te extensieve uitleg van het begrip “redenen van gewichtige aard”. Beoordeeld dient te worden of inzichtelijk is gemaakt dat voldoende grondslag bestond voor een ontslag op andere gronden, zoals verwoord in het ontslagbesluit (uitspraak van de Raad van 18 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6103).

4.3.

Ter beantwoording van de vraag of verweerster de bevoegdheid toekwam om tot ontslag van eiseres over te gaan op grond van artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO VO dient te worden beoordeeld of verweerster inzichtelijk heeft gemaakt dat er voldoende reden was voor ontslag op de gronden zoals verwoord in het ontslagbesluit.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat verweerster aan het ontslag niet het functioneren van eiseres als docent en haar functioneren binnen de GMR ten grondslag heeft gelegd en dat het functioneren van eiseres op deze vlakken in deze procedure dan ook niet ter discussie staat. Verweerster ziet in de wijze van communicatie en bejegening door eiseres van leidinggevenden, collega’s, leerlingen en ouders een onverenigbaarheid met de werkwijze en samenwerking die van een goed werknemer in het onderwijs mag worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende concreet uit het dossier dat sprake is van een zodanige verschil van inzicht is over deze aspecten van de functievervulling en van een verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting van het dienstverband niet langer kon worden gevergd. Verweerster heeft als onderbouwing van zijn standpunt enkele e-mails uit 2016 en begin 2017 overgelegd, die zijn opgesteld in een periode waarin eiseres aan het re-integreren was. De verklaringen waarop verweerster zich baseert, zijn achteraf opgesteld. In het gesprek over de inroostering met [persoon 2] en uit e-mailcorrespondentie met ouders komt weliswaar het beeld naar voren dat eiseres scherp kan formuleren, wat ze zelf ook toegeeft, doch daar waar minder fraaie kwalificaties door eiseres zijn gebruikt zijn deze niet van het kaliber dat die zonder meer zouden moeten leiden tot ontslag. Daarbij geldt dat het zich in een interne e-mail negatief uitlaten over bepaalde ouders niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met een onbehoorlijke bejegening van deze ouders zelf. Uit het dossier blijkt niet dat verweerster eiseres heeft aangesproken op haar volgens verweerster onaanvaardbare manier van communicatie en bejegening. Ook in het verslag van het functioneringsgesprek van 2 juni 2017, naar eiseres stelt het enige functioneringsgesprek dat met haar is gevoerd in haar periode als docent op het [bedrijf], wordt niets vermeld over eventuele problemen op dit punt. De beschrijving van de communicatie zoals die in primair besluit I is weergegeven, is niet concreet, maar alleen gebaseerd op weergaven van “horen zeggen”. Ook aan de eigen waarneming van [persoon 1] van de communicatie van eiser op de open avond hecht de rechtbank niet de waarde die verweerster daaraan hecht, nu deze niet door objectieve gegevens wordt ondersteund en gezien ook de toelichting die eiseres ter zitting heeft gegeven op de wijze waarop zij ouders en aspirant leerlingen heeft geïnformeerd over het tweetalig onderwijs. Verweerster heeft niet geconcretiseerd waaruit zou volgen dat die toelichting feitelijk onjuist is. Ook hier geldt dat niet is gebleken dat [persoon 1] eiseres destijds heeft aangesproken op haar communicatie op deze avond.

4.5.

Verweerster heeft verder niet duidelijk gemaakt, en dit blijkt ook niet uit het dossier, waarom de situatie juist begin juli 2017 zodanig zou zijn dat het niet mogelijk was om het dienstverband voort te zetten. Er bevinden zich aanwijzingen in het dossier dat de verhoudingen niet altijd optimaal waren, maar die aanwijzingen zijn onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat sprake was van ernstige problemen op het punt van de communicatie en bejegening door eiseres. Eiseres heeft aangetoond dat er ook collega’s en ouders en de teamleider zijn die juist zeer tevreden waren over haar functioneren en daarbij zijn geen opmerkingen gemaakt over de wijze van communicatie van eiseres. Indien sprake zou zijn van een situatie waarin de positie van eiseres niet langer houdbaar was of daarover twijfel bestond, dan had het zonder meer voor de hand gelegen dat dit in het functioneringsgesprek van 2 juni 2017 met eiseres besproken zou zijn. Dat is echter niet gebeurd. Integendeel, de teamleider [persoon 3] heeft in het verslag van het functioneringsgesprek zelfs opgenomen dat verweerster zal proberen ontheffing aan te vragen in verband met de (on)bevoegdheid tot lesgeven van eiseres.

4.6.

Het is de rechtbank verder uit geen enkel stuk of verslag gebleken dat er een ontwikkeling in gang was gezet waarbij eiseres is aangesproken op haar gedrag en communicatie en waarbij haar kansen tot verbetering zijn geboden. Uit het functioneringsgesprek van 2 juni 2017 heeft eiseres allerminst kunnen en moeten begrijpen dat verweerster haar positie binnen de organisatie op korte termijn daarom ernstig zou heroverwegen, in tegendeel zelfs. Eiseres heeft dit evenmin kunnen afleiden uit het gesprek op 22 juni 2017 met [persoon 2]. De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden dat er de afgelopen jaren (meermalen) serieuze problemen zijn geweest op het punt van de communicatie door en samenwerking met eiseres en dat gezocht is naar oplossingen. In het verslag van de hoorzitting in bezwaar heeft verweerster aangegeven dat lang niet alles is vastgelegd in het personeelsdossier omdat de teamleider ervoor heeft gekozen conflicten te mijden. Dat hiervoor is gekozen, dient nu eiseres de stellingen van verweerster uitdrukkelijk heeft weersproken en verweerster deze weerspreking niet met controleerbare gegevens heeft ontkracht, voor risico van verweerster te komen. Op verweerster rust immers de bewijslast om de toepasbaarheid van de gekozen ontslaggrond aannemelijk te maken.

4.7.

Verweersters standpunt dat uit de reactie van eiseres op het ontslag blijkt dat ze geen vermogen tot zelfreflectie heeft, volgt de rechtbank niet. In ieder geval blijkt uit de e‑mail van eiseres van 29 juni 2017, zoals hiervoor weergegeven onder 1.2. iets anders. En voor zover eiseres in bezwaar en beroep volgens verweerster geen vermogen tot zelfreflectie heeft getoond en zich negatief over collega’s heeft uitgelaten, neemt de rechtbank in aanmerking dat de reactie van eiseres in deze fase van de procedure goed te verklaren is als reactie op verweersters voornemen en de primaire besluiten tot schorsing en ontslag. Het staat eiseres vrij om zich daartegen te verdedigen. Het is begrijpelijk dat het eiseres heeft geraakt dat zij na jarenlang op het [bedrijf] plotseling zonder deugdelijke grond is ontslagen en dat zij zich daarover scherp uitlaat. Overigens zijn de door verweerster gekozen bewoordingen in de richting van eiseres ook niet altijd even zakelijk geweest.

Conclusie over het beroep en vervolg van de procedure
5.1. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van redenen van gewichtige aard en dat verweerster eiseres niet heeft mogen schorsen en ontslaan. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 10.b.6, vijfde lid, en artikel 10.b.3. aanhef en onder 12, van de CAO VO te worden vernietigd.

5.2.

Nu verweerster deze gebreken niet kan herstellen, zal de rechtbank op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en de primaire besluiten te herroepen. Dit betekent dat geen sprake is (geweest) van een rechtmatige schorsing, dat aan de aanstelling van eiseres geen einde is gekomen en zij nog steeds in dienst is bij verweerster. Het is aan partijen om te bespreken hoe en waar eiseres haar werkzaamheden kan hervatten. Het standpunt van verweerster dat hij een terugkeer van eiseres niet ziet zitten, neemt niet weg dat zij zich daarvoor gelet op de onrechtmatigheid van het ontslag als goed werkgever heeft in te spannen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onwerkbare situatie. De vergaande stelling van [persoon 1] ter zitting dat niet duidelijk is hoe eiseres zou kunnen terugkeren omdat de veiligheid van de leerlingen in het gedrang komt als eiseres zonder toezicht voor de klas staat, heeft hij desgevraagd niet deugdelijk kunnen onderbouwen en wijst de rechtbank dan ook als ongefundeerd van de hand.

6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerster op te dragen eiseres binnen 48 uur na de uitspraak toe te laten tot haar werkzaamheden. De rechtbank ziet in de Awb geen grondslag voor het geven van een dergelijke opdracht aan verweerster en zal dit verzoek van eiseres daarom niet beoordelen. Dit neemt niet weg dat het in de rede ligt dat verweerster zich inspant om in goed overleg met eiseres nog dit jaar afspraken te maken over de hervatting van de werkzaamheden van eiseres.

Griffierecht en proceskosten

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerster het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerster in de door eiseres gemaakte proceskosten en gaat daarbij voor de kosten in bezwaar uit van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting,

1. punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar tegen de primaire besluiten gegrond, herroept de primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster aan eiseres het betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. M. Munsterman, leden in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 20 november 2018.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.