Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9423

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
C/10/543720 / FA RK 18-717
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek toestemming verhuizing afgewezen. Noodzaak voor verhuizing van de vrouw met de minderjarigen voornamelijk gelegen in belang van vriend van vrouw. Door verhuizing spontane contacten tussen man en minderjarigen niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/543720 / FA RK 18-717

Beschikking van 16 mei 2018 betreffende vervangende toestemming ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[naam verzoekster] , de vrouw,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

advocaat mr. A.C.M. den Ridder-van der Meijden te Gorinchem,

t e g e n

[naam verweerder] , de man,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

advocaat mr. A. Bijl te Leerdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 januari 2018;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 3 april

2018;

- de correspondentie, waaronder:

 de F9 formulieren met bijlagen, gedateerd 29 januari 2018, 1 maart 2018 en

11 april 2018, van de zijde van de vrouw.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 april 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Den Ridder-van der Meijden;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Bijl;

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [naam vertegenwoordigster] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2011 te [geboorteplaats minderjarige 1] ;

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 2] .

2.2.

De man heeft de minderjarigen erkend.

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Partijen hebben op 11 februari 2016 een ouderschapsplan opgesteld. Hierin is, voor zover in deze procedure van belang, geregeld dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat de minderjarigen, in het kader van een zorgregeling, onder meer om de week van vrijdag tussen 18:00 uur en 18:30 uur tot zondag 19:00 uur bij de man verblijven.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoek tot verhuizing

3.1.1.

De vrouw verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Wijk bij Duurstede te verhuizen.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige(n) wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder toestemming dient te krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige(n) weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige(n) hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige(n) elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

3.1.4.

De vrouw stelt dat de ouder bij wie de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben, de kans moet krijgen om elders een gezinsleven op te bouwen. Zij heeft al enige jaren een relatie met de heer [naam] . Sedert twee jaar woont [naam] bij haar en de minderjarigen in Gorinchem. Hij reist dagelijks van en naar zijn werk in Bunnik, hetgeen hem zwaar valt vanwege de reistijd die daarmee is gemoeid. Omdat de woning, die de vrouw huurt van haar moeder, is verkocht, dient zij deze per 1 juli 2018 met haar gezin te hebben verlaten. Een verhuizing naar de regio Utrecht is een logische stap, temeer daar [naam] in de regio Utrecht zijn familie en vrienden heeft wonen en de vrouw daar inmiddels ook haar contacten heeft opgebouwd. Volgens de vrouw heeft de verhuizing geen invloed op het contact tussen de man en de kinderen, gelet op voornoemde zorgverdeling in het ouderschapsplan. Behoudens die weekendregeling onthoudt de man zich van verdere betrokkenheid in het leven van de kinderen, aldus de vrouw.

3.1.5.

De man heeft zijn zorgen geuit over de verzorging van de kinderen door de vrouw en betwist dat hij in geringe mate betrokken is in het leven van de kinderen. De man vreest dat de verhuizing voor de kinderen zal leiden tot afstand tussen de ouders en tussen hem en de minderjarigen hetgeen onder meer tot gevolg zal hebben dat de kinderen niet spontaan bij hem langs kunnen komen. Aangezien de kinderen ouder worden, worden zij steeds zelfstandiger en ontstaan er meer mogelijkheden om een grotere rol in het leven van de kinderen in te nemen. De man wil dit ook graag en een verhuizing naar Wijk bij Duurstede zal dit naar zijn idee verhinderen.

3.1.6.

De raad heeft geadviseerd het verzoek van de vrouw af te wijzen, omdat de verzochte verhuizing niet in het belang van de minderjarigen is. De raad heeft bij dit advies de uiterst broze onderlinge verhouding tussen partijen meegewogen.

3.1.7.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat een verhuizing van haar met de kinderen naar Wijk bij Duurstede noodzakelijk is en in het belang van de kinderen moet worden geacht. Gebleken is dat de noodzaak voor een verhuizing naar Wijk bij Duurstede voornamelijk gelegen is in het belang van [naam] bij een verminderde reistijd en het contact met zijn familie en vrienden. De rechtbank is van oordeel dat het verkorten van de afstand woon-werkverkeer van [naam] en het contact met zijn familie en vrienden, geen noodzaak tot verhuizing oplevert. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de vrouw een zwaarwegend belang heeft om zich te vestigen in Wijk bij Duurstede. Daarbij overweegt de rechtbank dat aan de vrouw kan worden toegegeven dat het uiteraard prettig is om in de nabijheid van vrienden te wonen, maar gelet op de afstand tussen Gorinchem en de regio Utrecht moet het goed mogelijk zijn voor haar om die contacten in stand te houden, ook als zij in Gorinchem woont. Dat de woonsituatie van de vrouw en [naam] noopt tot een verhuizing naar Wijk bij Duurstede is evenmin aannemelijk geworden. De vrouw weet al langere tijd dat zij haar huidige woning dient te verlaten. Zij heeft zich, zo is ter zitting naar voren gekomen, niet georiënteerd op de woningmarkt in Gorinchem. Overigens heeft [naam] zich evenmin georiënteerd op een baan in de nabije omgeving van Gorinchem.

Daarbij komt dat een verhuizing naar Wijk bij Duurstede naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang is van de minderjarigen. Zij zullen bij een verhuizing worden weggehaald uit de leefomgeving waarin zij geboren en getogen zijn en waarin zij hun vader, zijn familie, hun vriendjes en hun school hebben. De minderjarigen zijn nu 7 en 5 jaar oud. Naarmate zij ouder worden en zij meer spontane contacten kunnen hebben met hun vader en zijn familie, bijvoorbeeld na schooltijd, zal dit door de afstand die de verhuizing teweegbrengt niet meer mogelijk zijn. De extra weekenden, waarin de man de minderjarigen bij zich mag hebben, die de vrouw ter compensatie van dit gemis heeft aangeboden, wegen niet op tegen de spontane contacten die de minderjarigen met de man kunnen hebben als ze in Gorinchem blijven wonen. Ook de verstoorde communicatie tussen partijen zal flexibele contacten op afstand in de weg staan. Tot slot zal het, bij een verhuizing naar Wijk bij Duurstede, voor de man minder makkelijk zijn om in het leven van de minderjarigen betrokken te zijn, bijvoorbeeld in de avond bij (sport) activiteiten van de minderjarigen. Dit is niet in het belang van de minderjarigen.

Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.

3.2.

Vervangende toestemming tot inschrijving op een andere basisschool

3.2.1.

De vrouw verzoekt vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen in te schrijven op een basisschool in Wijk bij Duurstede.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

De rechtbank wijst het verzoek af daar het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing wordt afgewezen en de vrouw bij dit verzoek geen belang meer heeft.

3.3.

Zorgregeling

3.3.1.

De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) te bepalen waarbij hij de minderjarigen het ene weekend van donderdag 18:30 uur tot maandag 18:30 uur bij zich heeft en het andere weekend van zondagavond na het eten 18:30 uur tot dinsdagochtend. Het halen en brengen dient tussen partijen te worden verdeeld.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

De raad heeft ter zitting aangegeven dat door de manier waarop partijen met elkaar omgaan, de minderjarigen uit balans zullen raken. Het is in het belang van de minderjarigen dat partijen in mediation hun onderlinge communicatie gaan verbeteren. De wijze waarop partijen nu met elkaar communiceren heeft het grote risico dat de minderjarigen beschadigd uit hun jeugd komen. Partijen dienen een rolmodel voor hun kinderen te zijn en hen te laten zien hoe je conflicten oplost in plaats van een voorbeeld te laten zien van verharding van strijd. Voordat tot een uitbreiding van de zorgregeling kan worden overgegaan, dient eerst de communicatie tussen partijen te worden verbeterd.

3.4.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen een mediationtraject in te gaan om te trachten hun onderlinge communicatie te verbeteren en overeenstemming te bereiken over de zorgregeling.

3.4.1.

De rechtbank zal in afwachting van het resultaat hiervan de beslissing op dit punt aanhouden tot na te melden pro forma datum.

3.4.2.

De man heeft ter zitting verzocht om in afwachting van het mediationtraject een voorlopige zorgregeling te bepalen waarbij hij meer contact heeft met de minderjarigen dan nu, bijvoorbeeld door de zorgregeling al op donderdagavond te laten aanvangen of de minderjarigen op maandagochtend naar school te brengen.

De vrouw heeft zich ter zitting niet met dit verzoek kunnen verenigen. Zij wil een eventuele uitbreiding van de zorgregeling in het mediationtraject bespreken.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals de raad eveneens heeft aangegeven, eerst de communicatie tussen partijen dient te worden verbeterd voordat tot een uitbreiding van de zorgregeling kan worden gekomen.

3.5.

Proceskosten

3.5.1.

Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt thans ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Wijk bij Duurstede te verhuizen;

4.2.

wijst af het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen in te schrijven op een basisschool in Wijk bij Duurstede;

4.3.

bepaalt dat de behandeling van de zaak betreffende de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot 1 augustus 2018 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten omtrent de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke wijze volgens partijen moet worden voort geprocedeerd;

4.3.1.

bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Dijkhuizen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. C.A. Schreuder en mr. E. Huls, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.J.P.M. Hulsman op 16 mei 2018.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.