Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:942

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
14.751 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering schone lei; meerdere verplichtingen niet nagekomen; schuldenaar niet gemotiveerd voor verlenging.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

weigering schone lei

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 2 februari 2018

Bij vonnis van deze rechtbank van 17 november 2014 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam] ,

[adres] ,

[woonplaats] ,

schuldenaar,

bewindvoerder: mr. F.F. Vriend-Vrolijk.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft op 14 augustus 2017 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Op 2 oktober 2017 en op 11 januari 2018 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 19 januari 2018. De waarnemend bewindvoerder, mevrouw H.J.E. Schoonbrood, en schuldenaar, bijgestaan door

mr. U. Karatas, zijn verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

De bewindvoerder heeft in haar eindverslag van 14 augustus 2017 negatief geadviseerd omtrent de verlening van de schone lei. Uit het eindverslag blijkt dat schuldenaar onvoldoende heeft voldaan aan de informatieverplichting. Vanwege het ontbreken van informatiestukken is het de bewindvoerder onbekend of er is voldaan aan de sollicitatieverplichting. Daarnaast is vanwege het ontbreken van informatiestukken niet vast te stellen of schuldenaar vanaf januari 2017 aan zijn afdrachtverplichting heeft voldaan. Ook over de periode voor 2017 is het voor de bewindvoerder onbekend of schuldenaar afloscapaciteit had. Voorts heeft schuldenaar veel nieuwe schulden laten ontstaan voor een totaalbedrag van € 8.565,16. Tenslotte is bij vonnis van 18 april 2017 de voordracht tot de tussentijdse beëindiging van schuldenaar zijn schuldsaneringsregeling afgewezen. In dit vonnis is bepaald dat schuldenaar beschermingsbewind moet aanvragen. Het is de bewindvoerder echter niet bekend of schuldenaar zich onder beschermingsbewind heeft laten stellen zoals de rechtbank hem heeft verplicht.

Uit de laatste stand van zaken van 2 oktober 2017 blijkt dat schuldenaar nog steeds niet voldoende informeert en dat de bewindvoerder na het zesde verslag van 20 juli 2017 geen inlichtingen meer heeft ontvangen van schuldenaar. Daarnaast is schuldenaar zijn verplichting om beschermingsbewind aan te vragen niet nagekomen. Voor wat betreft de sollicitatieverplichting, de nieuwe schulden en de afdrachtverplichting hebben er zich geen wijzigingen plaatsgevonden ten opzichte van het eindverslag van 14 augustus 2017. De bewindvoerder heeft in de laatste stand van zaken van 11 januari 2018 bericht dat er met betrekking tot de informatieverplichting, sollicitatieverplichting en afdrachtverplichting er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van de laatste stand van zaken van

2 oktober 2017. Er zijn wel twee extra nieuwe schulden ontstaan aan de Belastingdienst van € 943,00 en aan GGN Mastering Credit van € 1.303,38 betreffende een achterstand van betaling van premies bij Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. Schuldenaar heeft geen betalingsregeling getroffen voor het afbetalen van deze nieuwe schulden. Daarnaast heeft de bewindvoerder bericht dat zij, ondanks herhaaldelijke verzoeken, geen overzicht van alle nieuwe schulden inclusief eventuele getroffen betalingsregelingen van schuldenaar heeft ontvangen. Tenslotte heeft de bewindvoerder bericht dat schuldenaar nog steeds geen gebruik maakt van het voor hem door de rechtbank verplicht gestelde beschermingsbewind, waardoor zijn financiële positie is verslechterd en onstabieler is geworden. De bewindvoerder heeft haar advies om schuldenaar geen schone lei te verlenen gehandhaafd.

De waarnemend bewindvoerder heeft ter terechtzitting het advies van de bewindvoerder om schuldenaar de schone lei niet te verlenen, gehandhaafd.

Schuldenaar heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de verplichtingen uit zijn schuldsaneringsregeling niet goed na is gekomen omdat hij lange tijd voor zijn zieke moeder heeft gezorgd. Daarnaast heeft schuldenaar verklaard dat hij aanspraak maakt op een schadevergoeding van het Ministerie van Defensie en dat hij verwacht dat deze schadevergoeding binnenkort wordt uitgekeerd. Schuldenaar heeft verklaard dat hij het bedrag wat hij uit deze schadevergoeding zal ontvangen, wil inzetten om zijn schulden zo snel mogelijk af te lossen. Voorts heeft schuldenaar verklaard dat hij, wanneer het echt nodig wordt geacht, bereid is om zichzelf alsnog onder beschermingsbewind te laten stellen. Tenslotte heeft schuldenaar verklaard dat hij in principe wel open staat voor een verlenging van zijn schuldsaneringsregeling, zodat hij zo snel mogelijk alles kan afhandelen.

Mr. Karatas heeft ter terechtzitting gepleit voor een verlenging van de schuldsaneringsregeling van schuldenaar. Mr. Karatas heeft aangevoerd dat de tekortkomingen binnen de schuldsaneringsregeling niet aan schuldenaar te wijten zijn. De tekortkomingen zijn ontstaan doordat schuldenaar zijn moeder heeft moeten verzorgen en door het feit dat schuldenaar zelf last heeft van een posttraumatische stress-stoornis. Vanwege behandeling van deze stoornis is schuldenaar vanaf de aanvangsdatum van zijn schuldsaneringsregeling tot 28 juli 2016 ontheven van zijn sollicitatieverplichting door de rechter-commissaris. Mr. Karatas heeft aangevoerd dat volgens het Pensioenfonds ABP sprake is van een medische eindtoestand en dat daarom niet kan worden vastgesteld of er sprake is van verbetering van de situatie, waardoor het niet duidelijk is of schuldenaar vanaf 28 juli 2016 in staat was om aan zijn sollicitatieverplichting te voldoen. Mr. Karatas heeft daarom voorgesteld om een medische keuring aan te vragen bij de GGD om op die manier met terugwerkende kracht te laten beoordelen of schuldenaar vanaf 28 juli 2016 in staat was om aan zijn sollicitatieverplichting te voldoen. Voorts heeft mr. Karatas aangevoerd dat de schadevergoeding van het Ministerie van Defensie op kort termijn uitgekeerd zal worden en dat de boedel gebaat is met deze betaling aangezien deze uitkering gebruikt zal worden om (een deel van) de schulden af te lossen. Tenslotte heeft mr. Karatas aangevoerd hij beschermingsbewind voor schuldenaar nodig acht, zodat schuldenaar beter begeleid kan worden voor wat betreft het nakomen van de verplichtingen van zijn schuldsaneringsregeling bij een eventuele verlenging.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 102.601,64 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.

Tijdens de behandeling van de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op 11 april 2017, zijn er afspraken gemaakt over een eventuele verlenging van twee jaar van de schuldsaneringsregeling ten einde van de reguliere looptijd, om de toenmalige tekortkomingen te compenseren. Deze afspraken hielden in dat verlenging alleen zou plaatsvinden indien de resterende looptijd van de schuldsaneringsregeling zonder noemenswaardige problemen verder zou verlopen en schuldenaar deze verlenging daardoor zou hebben ‘verdiend’. Daarnaast diende schuldenaar zich zo spoedig mogelijk onder beschermingsbewind te laten stellen. Schuldenaar is deze afspraken echter niet nagekomen. De rechtbank stelt verder vast dat schuldenaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn informatieverplichting. Schuldenaar heeft na 20 juli 2017 geen inlichtingen verstrekt aan de bewindvoerder. Hierdoor kan ook niet worden vastgesteld of schuldenaar aan zijn sollicitatie- en afdrachtverplichting heeft voldaan. Voor de sollicitatieverplichting geldt dat schuldenaar alleen ontheffing had voor de periode van 17 november 2014 tot 28 juli 2016. Schuldenaar heeft verzuimd om aan te tonen dat hij (ook) na deze ontheffingsperiode niet in staat was om te voldoen aan zijn sollicitatieverplichting. Tenslotte heeft schuldenaar veel nieuwe schulden laten ontstaan voor een totaalbedrag van € 10.811,54. Schuldenaar heeft nagelaten om een compleet overzicht van deze nieuwe schulden, inclusief eventuele getroffen betalingsregelingen of betalingsbewijzen, toe te sturen naar de bewindvoerder.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het feit dat schuldenaar zijn zieke moeder heeft verzorgd, niet maakt dat hij de bovengenoemde verplichtingen in de schuldsaneringsregeling niet hoeft na te komen, dan wel dat de tekortkomingen daarin hem niet te verwijten zijn. Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat schuldenaar geen saneringsgezinde houding heeft getoond en niet gemotiveerd leek voor een verlenging van de regeling. Dit blijkt onder meer uit het feit dat schuldenaar zich, alleen als het echt moest, onder beschermingsbewind wou laten stellen. Schuldenaar lijkt vooral te wachten op de mogelijke schadevergoeding die hij van het Ministerie van Defensie verwacht te ontvangen om daarmee zo snel mogelijk zijn schulden af te lossen. Hoewel dit laatste een goed streven is, strekt de voor de rest ongemotiveerde houding van schuldenaar niet met de saneringsgezinde houding die van een schuldenaar in de schuldsaneringsregeling wordt verwacht. Daar komt ook bij dat schuldenaar de bewindvoerder niet naar behoren heeft geïnformeerd over de schadevergoeding en dat het tot op heden niet bekend is wanneer deze schadevergoeding wordt uitgekeerd en wat de hoogte van het uitkeringsbedrag zal zijn.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenaar niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenaar, in elk geval na het verhoor door de rechter-commissaris op 13 november 2015 en de behandeling van de voordracht tot tussentijdse beëindiging op 11 april 2017, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de schuldsaneringsregeling te verlengen. De schone lei zal worden daarom geweigerd.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 17 november 2017;

- stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.293,93.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van

mr. J.L. Lukaart, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.