Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9414

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
FT EA 18/1425 - 1426
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzen verzoek moratorium.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [Nummers]

uitspraakdatum: 2 oktober 2018

[naam] ,

[adres 1]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 31 augustus 2018, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 31 augustus 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 oktober 2018.

Ter zitting van 2 oktober 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij advocatenkantoor Janssen Wassenaar (hierna: advocaat);

De heer mr. G. Meijerink, werkzaam bij Bazuin & Partners heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift is aangegeven dat (de gemachtigde van) verweerster niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 3 november 2017 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij de afgelopen maanden niet heeft kunnen werken in verband met gezondheidsproblemen. Per 1 september 2018 heeft hij een fulltime baan. Verder is gebleken dat verzoeker op 25 september 2018 de huur van oktober 2018 heeft voldaan. De advocaat van verzoeker benadrukt dat verzoeker de lopende huur kan voldoen. Op 31 augustus 2018 heeft verzoeker een oriëntatiegesprek gevoerd met een medewerker van de Kredietbank Rotterdam.

3 Het verweer

De gemachtigde van verweerster heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat verzoeker reeds in 2014/2015 een huurachterstand heeft laten ontstaan als gevolg waarvan een ontruiming was ingepland, welke uiteindelijk niet is doorgegaan. In april 2017 ontstond er opnieuw een huurachterstand, waarna de gemachtigde van verweerster heeft aangekondigd tot de ontruiming over te gaan. Een dag voor de ontruiming nam de advocaat van verzoeker contact op met verweerster. Er zou een inbraak hebben plaatsgevonden in de woning van verzoeker. Er werd toegezegd dat verzoeker € 2.500,- zou voldoen, alsmede een extra maandelijkse aflossing van € 1.000,- naast de lopende huurpenningen. Verweerster is daarmee akkoord gegaan, maar in maart 2018 is de regeling komen te vervallen omdat verzoeker de regeling niet correct nakwam. De gemachtigde van verweerster benadrukt dat het zeer moeilijk was om met verzoeker in contact te komen om eventueel tot een constructieve oplossing te zoeken. Opnieuw werd een ontruiming ingepland. Teneinde de ontruiming te voorkomen heeft op 26 april 2018 een huisbezoek plaatsgevonden, waar werd geconstateerd dat niemand in het gehuurde aanwezig was en de brievenbus was gevuld met post. Een dag voor de ontruiming heeft verzoeker contact opgenomen met verweerster. Verzoeker zou een aanbetaling doen van € 500,-, een nader te bepalen aanbetaling doen eind juni 2018 én de huur van juli 2018 tijdig voldoen. Verzoeker heeft slechts de aanbetaling van € 500,- voldaan. De afgelopen maanden heeft verzoeker de huur niet voldaan. De huurachterstand is na het ontruimingsvonnis van 3 november 2017 ruim verdubbeld. De huurachterstand zonder rente en kosten bedraagt momenteel € 5.496,85. Gelet op het voorgaande heeft verweerster er in het geheel geen vertrouwen in dat een minnelijke schuldregeling heden enig effect zal hebben. Om die reden verzoekt de gemachtigde van verweerster het verzoekschrift tot het treffen van een moratorium af te wijzen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 3 november 2017 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 31 juli 2018 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 4 september 2018 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 3 november 2017 ten uitvoer kan leggen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster verzoeker verschillende kansen heeft geboden de huurachterstand in te lopen. Verzoeker heeft deze kansen onvoldoende aangegrepen. Belangrijk is dat verzoeker nu uiteindelijk hulp van de Kredietbank Rotterdam heeft ingeschakeld en na lange tijd weer fulltime aan het werk is. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank benadrukt dat het nu aan verzoeker is om actief mee te werken aan het traject van de Kredietbank Rotterdam, fulltime te blijven werken en de huur correct te blijven betalen, om zo een oplossing voor zijn schuldenproblematiek te bereiken.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde, dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan, op te nemen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 3 november 2017 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.