Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9399

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
10/750314-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van mensensmokkel. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensensmokkel van 21 vreemdelingen. Oplegging van een gevangenisstraf van 32 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750314-15

Datum uitspraak: 12 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

opgegeven adres [adres] , [woonplaats] [land] ,

raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte opzettelijk mensen heeft gesmokkeld. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de vreemdelingen in de laadruimte van de vrachtauto. Voorts kan niet worden vastgesteld dat sprake was van winstbejag.

4.1.2.

Beoordeling

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het strafdossier zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

Op 11 december 2015 omstreeks 11.45 uur werd een uitreiscontrole uitgevoerd op de voertuigen op het terrein van Stena Line in Hoek van Holland die de overtocht naar Groot-Brittannië zouden maken. In de laadruimte van het voertuig waarvan de verdachte de bijrijder was en de medeverdachte de bestuurder, zijn tussen een lading autobanden éénentwintig vreemdelingen aangetroffen die, naar later bleek, allen de Iraakse nationaliteit hadden.

Wetenschap

De verdachte heeft verklaard dat hij op 8 december 2015 als bijrijder, met zijn medeverdachte als bestuurder, vanuit Groot-Brittannië naar Duitsland is gereisd om daar autobanden in te kopen. In de ochtend van 10 december 2015 zijn de verdachten vertrokken naar Hoek van Holland voor de terugtocht. De reden hiervoor was dat ze beter konden rusten tijdens een overtocht via Hoek van Holland dan tijdens een overtocht via Calais. Omdat de navigatie het niet goed deed zijn zij volgens de verdachte verkeerd gereden en zijn ze later in Hoek van Holland aangekomen dan gepland. De verdachte heeft verklaard niets te weten over de in de vrachtwagen aangetroffen vreemdelingen.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende. Op de bij de verdachten aangetroffen TomTom is op 10 december 2015 het adres [adres] in België ingevoerd. Blijkens de ritreconstructie die op basis van de analyse van de tachograaf is gemaakt, zijn zij die ochtend rond 9.03 uur vertrokken vanuit de omgeving van Keulen (Duitsland) en heeft de vrachtwagen rond 11.30 uur enige tijd stilgestaan op een parkeerplaats bij Groot-Bijgaarden (België). Daarna is de vrachtwagen in de richting van de Frans-Belgische grens gereden en heeft daar 52 minuten stilgestaan op een parkeerplaats op Frans grondgebied. Vervolgens is de vrachtwagen weggereden en heeft nabij de Frans-Belgische grens op Belgisch grondgebied eveneens enkele langdurige stops gemaakt. De tachograaf vermeldt de stilstand op een parkeerplaats aan de Mannkensvere Zuid (1 uur en 51 minuten), bij de Duinkerkelaan (29 minuten) en om 18.31 uur bij de Duinkerkekeiweg (2 uur en 45 minuten). Pas daarna zijn de verdachten naar Nederland gereden. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de verdachten gedurende zeven uren in de omgeving van Calais en Duinkerke op verschillende tijdstippen en plekken geruime tijd met hun voertuig hebben stilgestaan.

Door een aantal van de in de vrachtwagen aangetroffen vreemdelingen is eenduidig verklaard dat zij in de avond van 10 december 2015 in de omgeving van Calais en Duinkerke in een vrachtwagen zijn gestapt met het doel om de overtocht naar Groot-Brittannië te maken. Zij verklaren dat zij hiervoor een geldbedrag hebben betaald aan een Afghaanse reisagent, of dat zij bij aankomst in Groot Brittannië een geldbedrag zouden betalen.

De rechtbank constateert dat het hier ging om een op het oog zakelijk transport, maar met zeer ongebruikelijke reisbewegingen op de terugweg. Deze reisbewegingen vanuit Duitsland naar de Frans/Belgische grens, waar het voertuig gedurende zeven uren op verschillende plekken langdurig heeft stilgestaan, en vervolgens via België naar Hoek van Holland, passen op geen enkele wijze bij een logisch te verwachten (handels)route tussen Duitsland en Groot-Brittannië, met een overtocht vanuit Hoek van Holland. Ondanks het feit dat de verdachten in de directe omgeving van Duinkerke diverse mogelijkheden hadden om een ferry terug naar Groot-Brittannië te nemen, kozen zij er bewust voor om na de stops in deze regio alsnog hun reis te vervolgen richting de – overigens duurdere – ferry vanuit Hoek van Holland. Bovendien hebben de verdachten geen verklaring gegeven voor het feit dat op 10 december 2015, de dag van hun vertrek vanuit Duitsland, een adres in de omgeving van Duinkerke is ingevoerd in de TomTom.

Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte is de meest logische aanname dat hij samen met zijn medeverdachte vanuit (de omgeving van) Duitsland naar de omgeving van Calais/Duinkerke is gereisd om de vreemdelingen aldaar op te halen en vervolgens via Hoek van Holland naar Groot-Brittannië te vervoeren. Een andere aannemelijke verklaring voor deze gedragingen is niet gegeven. De verklaring van de verdachte dat hij niets wist van de vreemdelingen in de vrachtwagen, acht de rechtbank gelet op deze zeer onlogische en kostbare reisbewegingen ongeloofwaardig.

Gelet op de omstandigheden waaronder de 21 vreemdelingen in de vrachtauto zijn aangetroffen en de zeer ongebruikelijke reisbewegingen, kan het dus niet anders dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van vreemdelingen in de vrachtwagen. Dat de gesmokkelden hebben verklaard dat zij de verdachte niet hebben gezien, doet aan het voorgaande niet af.

Winstbejag

Van winstbejag is sprake indien het handelen van de dader is ingegeven door een gerichtheid op verrijking, waarbij het niet noodzakelijk hoeft te gaan om een op geld waardeerbaar voordeel en evenmin bepalend is of het beoogde voordeel daadwerkelijk is behaald. Voldoende is dat de dader op verrijking is uit geweest. Door meerdere vreemdelingen is verklaard dat zij, al dan niet door tussenkomst van een Afghaanse reisagent, hebben moeten betalen voor het vervoer met de vrachtwagen. Van ideële motieven aan de zijde van de verdachte die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat het handelen van de verdachte erop gericht was om zichzelf te verrijken.

Medeplegen

Mede in aanmerking genomen dat zowel de verdachte als de medeverdachte heeft verklaard dat zij samen hun reis gemaakt hebben en zij gedurende voornoemde reis vanuit Duitsland naar Hoek van Holland continu samen zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Bovendien zijn de gesmokkelde vreemdelingen in contact gekomen met onbekend gebleven personen die betrokken zijn geweest bij het vervoer van de vreemdelingen naar de plek in de omgeving van Duinkerke en Calais, alwaar de vreemdelingen in de vrachtwagen zijn gestapt. De verdachten hebben vervolgens met deze vrachtwagen de weg naar Hoek van Holland vervolgd. Dat levert een nauwe en bewuste samenwerking op tussen de verdachten en deze mededaders, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee wordt het tenlastegelegde medeplegen bewezen geacht.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank passeert het betoog van de verdediging en acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 8 december 2015 tot en met 11 december 2015 te Hoek van Holland, althans in Nederland en Groot-Brittannië en Frankrijk en België en Duitsland in de uitoefening van enig ambt of beroep, te weten zijn beroep van eigenaar van een bandenbedrijf, tezamen en in vereniging met anderen, 21 (eenentwintig) personen met de Iraakse nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door, en

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/een andere lidstaat van de Europese Unie

of die ander daartoe gelegenheid en middelen heeft verschaft terwijl hij, verdachte en zijn mededaders (telkens) wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang of die doorreis en dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader,

- bovengenoemde personen in een vrachtwagen vervoerd van Frankrijk / België naar Nederland en door Nederland, en

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië (aldus) het verblijf in Nederland en het transport en de doorreis door Nederland van die bovengenoemde personen georganiseerd en gefaciliteerd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de voortgezette handeling van

mensensmokkel, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep en terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd

en

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, en die ander daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep en terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan smokkel van éénentwintig vreemdelingen met de Iraakse nationaliteit, door hen in de laadruimte van een vrachtwagen te vervoeren vanuit de omgeving van Calais en Duinkerke naar Hoek van Holland met als bestemming Groot-Brittannië. Mensensmokkel doorkruist het overheidsbeleid aangaande bestrijding van wederrechtelijke doorreis door Nederland en draagt bij aan het in stand houden van een illegaal circuit dat allerhande maatschappelijke ongewenste effecten met zich brengt. De vreemdelingen zijn bovendien vervoerd onder gevaarlijke omstandigheden die grote risico’s voor hen hebben meegebracht, namelijk tussen opgestapelde en niet gezekerde autobanden en zonder enige veiligheidsvoorziening.

De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat de vreemdelingen zijn vervoerd in een beperkte ruimte van een vrachtwagen die al grotendeels beladen was, waarin zij vele uren hebben moeten doorbrengen. De rechtbank acht deze omstandigheden mensonwaardig.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte rechtspersoon in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Een specifieke regel daaromtrent kan volgens de Hoge Raad niet worden gegeven. Wel is bepaald dat de inverzekeringstelling van een verdachte en de betekening van een inleidende dagvaarding als een dergelijke handeling moeten worden aangemerkt. Het eerste verhoor van de verdachte kan als een dergelijke handeling gelden, maar daar mag volgens de Hoge Raad van worden afgeweken (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

In de onderhavige zaak vond het verhoor van de verdachte plaats op 11 december 2015, de inverzekeringstelling vond op dezelfde dag plaats. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte gezien deze omstandigheden aan dit verhoor in redelijkheid de verwachting mocht ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Op die datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Tussen 11 december 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim twee jaar en negen maanden. Nu in deze zaak wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van 36 maanden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van 32 maanden opleggen.

8 Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis, die eerder bij bevel is geschorst, op te heffen.

De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet en stelt zich op het standpunt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis (conform het bevel tot schorsing) dient te eindigen bij de einduitspraak.

De rechtbank oordeelt als volgt. De grond die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag ligt is het vluchtgevaar. Deze grond kan komen te vervallen, aangezien de verdachte een vaste woon- of verblijfplaats heeft opgegeven in Groot-Brittannië. Voorts heeft de verdachte zich aan alle schorsingsvoorwaarden gehouden en is de verdachte op de zitting verschenen, zodat kan worden aangenomen dat de verdachte zich niet aan verdere oproepen van justitie zal onttrekken. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis zal dan ook worden toegewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 56, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. S.N. Abdoelkadir en D.Y.A. van Meersbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 8 december 2015 tot en met 11 december 2015 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland en/of Groot-Brittannië en/of Frankrijk en/of België en/of Duitsland (al dan niet) in de uitoefening van enig ambt of beroep, te weten zijn beroep van chauffeur en/of eigenaar van een bandenbedrijf, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, 21 (eenentwintig), althans één of meer perso(o)n(en) met de Iraakse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland

en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die ander (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- bovengenoemde personen in een vrachtwagen vervoerd van Frankrijk / Duitsland / België naar Nederland en/of door Nederland, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië (aldus) het verblijf in Nederland en/of het transport en de doorreis door Nederland van die bovengenoemde pers(o)n(en) georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd;