Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9328

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
C/10/548771 / HA ZA 18-409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling notariële samenlevingsovereenkomst na verbreking affectieve relatie. Partijen zijn al bijna drie jaar uit elkaar. Rechtbank gelast verkoop van de gemeenschappelijke woning aan een derde.

Geen toedeling woning aan gedaagde, die nog steeds niet weet of hij eiser kan uitkopen. Ter bevordering vlotte verkoop gelast de rechtbank dat gedaagde de woning over negen maanden

moet verlaten, ook als de woning dan nog niet is verkocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/548771 / HA ZA 18-409

Vonnis van 24 oktober 2018

in de zaak van

[eiser ] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. S.C. Dikkers te Rotterdam,

tegen

[gedaagde ] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.

Partijen zullen hierna [eiser ] en [gedaagde ] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 10 september 2018.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben samengewoond uit hoofde van een affectieve relatie. Partijen hebben op 14 oktober 2000 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer bepaald, samengevat en voor zover van belang, dat:

- de kosten van de gemeenschappelijke huishouding naar rato van inkomen gedragen worden (art. 2 lid 1 en 2) en dat een daaruit voortvloeiende vordering op de andere partij vervalt bij het einde van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt (hierna ook te noemen: het vervalbeding);

- de toen aanwezige inboedel gemeenschappelijk aan partijen toebehoort, ieder voor de onverdeelde helft (art. 5 lid 1);

- de overeenkomst eindigt door blijvende verbreking van de samenleving (art. 15 lid 1 sub);

- de overeenkomst niet eindigt als één van partijen vanwege werk of studie elders verblijft (art. 15 lid 3).

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning op het adres [adres] (hierna ook te noemen: de woning). De woning is bezwaard met een hypothecaire geldlening van (oorspronkelijk) € 267.957,22 bij de Rabobank. Aan deze lening is een levensverzekering verbonden.

2.3.

[eiser ] woonde en werkte in de periode 2013-2015 in Bussel. Daarna is hij weer in Nederland gaan samenwonen met [gedaagde ] (die niet mee naar Brussel was verhuisd). Deze samenwoning heeft toen nog circa drie maanden geduurd. [eiser ] heeft de samenlevingsovereenkomst opgezegd bij e-mailbericht van 3 januari 2016. Sinds (omstreeks) deze datum woont alleen [gedaagde ] in de woning.

2.4.

In opdracht van [eiser ] heeft een makelaar de woning getaxeerd. Volgens het rapport van deze makelaar (de dato 12 mei 2016) had de woning op dat moment een marktwaarde van € 310.000,- en werd de woning “slordig gebruikt.

3 De vorderingen in conventie

3.1.

[eiser ] vordert in conventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat te bepalen dat:

1. de gezamenlijke woning aan de [adres] dient te worden verkocht;

2. van de verkoopopbrengst [gedaagde ] een bedrag van € 8.848,71 zal ontvangen en [eiser ] € 25.286,90 en vervolgens beide partijen de helft van het restant;

3. het opgebouwde kapitaal ter zake de aan de hypotheek verbonden levensverzekering aan ieder der partijen voor de helft toekomt;

4. [gedaagde ] zijn medewerking dient te verlenen binnen 48 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis ‘aan [gedaagde ] ’ (de rechtbank leest: aan verkoop en levering van de woning aan een derde), en alles wat is vereist voor de verkoop en levering aan een derde van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] , en al datgene te verrichten hetgeen noodzakelijk is om te geraken tot een verkoop van voornoemde woning meer specifiek doch niet uitputtend:

a) het in de verkoop zetten van de woning bij makelaar STARK Real Estate & Relocation Services te Den Haag, dan wel een andere door de rechtbank te benoemen makelaar;

b) het advies van de makelaar, in het bijzonder met betrekking tot de vraag- en laatprijs op te volgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de woning zo spoedig mogelijk verkocht zal worden;

c) het tekenen van de verkoopovereenkomst, één en ander met inachtneming en conform de richtlijnen en instructies van de genoemde makelaar;

d) de nodige medewerking te verlenen en toegang te verschaffen aan de makelaar met potentiële kopers;

e) in geval van verkoop het ondertekenen van de akte van levering ten overstaan van een notaris;

één en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) voor iedere handeling die [gedaagde ] met inachtneming van het vorenstaande niet of niet tijdig verricht, e.e.a. met een maximum van € 10.000,-;

5. nadat de onder 4 verzochte termijn is verstreken zonder dat de bedoelde medewerking behoorlijk is verleend en het maximum aan dwangsommen is bereikt, het in deze zaak te wijzen vonnis in de plaats treedt van alle door [gedaagde ] te verrichten (rechts) handelingen zoals vermeld sub 4 om tot verkoop van de woning te komen;

6. primair

[gedaagde ] te veroordelen om uiterlijk binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis deze woning, gelegen aan de [adres] , te ontruimen en de woning onder afgifte van de sleutels ter beschikking van de makelaar te

stellen, zulks met machtiging aan [eiser ] om, indien [gedaagde ] in gebreke blijft aan deze ontruiming te voldoen, de ontruiming zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde ] ;

subsidiair

[gedaagde ] te veroordelen om uiterlijk binnen één week voordat de koper de woning geleverd krijgt deze woning, gelegen aan de [adres] , te ontruimen en de woning - onder afgifte van de sleutels - ter beschikking van de makelaar te stellen, zulks met machtiging aan [eiser ] om, indien [gedaagde ] in gebreke blijft aan deze ontruiming te voldoen, de ontruiming zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde ] ;

7. [gedaagde ] te veroordelen om voor wat betreft de woonlasten tot de verkoop en levering van de woning telkens maandelijks bij vooruitbetaling en voor de eerste van de maand alle aan deze woning verbonden lasten te voldoen, te weten de hypotheek, de levensverzekering, gas- en elektra, water en gemeentelijke heffingen, bij gebreke waarvan [eiser ] een

vordering verkrijgt op [gedaagde ] ter grootte van de niet betaalde woonlasten, welke verrekend zullen worden op het moment van verkoop en levering van de voormelde gezamenlijke woning;

8. te bepalen dat [gedaagde ] [eiser ] tot op heden een bedrag dient te betalen uit hoofde van gebruiksvergoeding van de gezamenlijke woning van € 17.000,-, te vermeerderen met een bedrag van € 1.000,- voor elke maand dat [gedaagde ] de woning bewoont;

9. [gedaagde ] , in het geval hij de woning heeft verlaten, de erfstukken van [eiser ] dient achter te laten, geheel en onbeschadigd, ten behoeve van [eiser ] , dan wel op het moment dat [gedaagde ] nog gebruik maakt van voormelde woning voormelde goederen op eerste verzoek van [eiser ] aan [eiser ] ter beschikking te stellen, volledig en onbeschadigd, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) dat [gedaagde ] aan het vorenstaande niet (geheel) meewerkt, dan wel dat een of meerdere goed(eren)

beschadigd is (zijn), dan wel teniet is (zijn) gegaan;

10. [gedaagde ] uit hoofde van onverschuldigde betaling aan [eiser ] een bedrag dient terug te betalen van € 18.134,14;

11. [gedaagde ] een totaalbedrag van € 13.585,00 ten onrechte heeft onttrokken van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen en dat uit dien hoofde [gedaagde ] een bedrag van € 6.792,50 dient te betalen;

een en ander met veroordeling van [gedaagde ] in de kosten van het geding, alsmede in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door [gedaagde ] zijn voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, en daarbij het nasalaris advocaat te begroten op € 131,-, te verhogen met € 68,- indien [gedaagde ] niet binnen veertien dagen aan het vonnis voldoet en betekening daarvan plaatsvindt.

3.2.

[gedaagde ] voert verweer in conventie.

3.3.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

4 De vorderingen reconventie

4.1.

In reconventie vordert [gedaagde ] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. aTen aanzien van de gemeenschappelijke woning (het registergoed):

primair: [gedaagde ] gelegenheid te bieden om zijn mogelijkheden te onderzoeken het registergoed en het saldo op de aan de hypotheek gekoppelde opbouwspaarrekening toegedeeld te krijgen, uiteraard onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde ] die toedeling zal kunnen financieren met overname hypotheekschuld en ontslag aansprakelijkheid van [eiser ] uit de hypotheekverplichtingen en uitkering van het aan [eiser ] toekomende uitkoopbedrag, op de wijze zoals door [gedaagde ] onder punt 46 hiervoor is voorgesteld;

subsidiair: te bepalen dat de verdeling van het registergoed voor de duur van drie jaar althans een minimale duur van zes maanden zal worden uitgesloten, zulks op voet van het bepaalde in artikel 3:178 lid 3 BW in samenhang met het bepaalde in artikel 14 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst en voorts met inachtneming van hetgeen door [gedaagde ] onder punt 49 is aangegeven;

meer subsidiair: te bepalen dat het registergoed zal moeten worden verkocht, op de wijze zoals door [gedaagde ] onder punt 50 hiervoor is voorgesteld althans de (wijze van) verdeling van het registergoed in goede justitie vast te stellen;

bTen aanzien van de verdeling van het saldo op de opbouwspaarrekening [rekeningnummer] :

primair: te bepalen dat partijen na toedeling van de woning aan [gedaagde ] althans het opheffen van de verpanding na verkoop van de woning zullen overgaan tot het laten uitkeren van het spaarbedrag, met opgave aan de bank dat aan [eiser ] de helft van het saldo op 1 januari 2016, zijnde de helft van € 76.698,-, zijnde € 38.349,- zal worden uitgekeerd en het restant - derhalve de andere helft van het saldo op 1 januari 2018 vermeerderd met de na 1 januari 2016 opgebouwde waarde van de opbouwspaarrekening - aan [gedaagde ] zal worden uitgekeerd.

subsidiair, voor het geval de rechtbank zou uitgaan van de waarde van de opbouwspaarrekening per datum levering woning aan [gedaagde ] of een derde: te bepalen dat [gedaagde ] ex artikel 7 lid 1 en 2 een vordering op [eiser ] heeft ter grootte van de helft van alle door [gedaagde ] na 1 januari 2016 betaalde inlegbedragen op de opbouwspaarrekening, concreet zijnde een bedrag van € 3.128,70 te vermeerderen met de helft van alle door [gedaagde ] vanaf 1 juli 2018 tot datum levering nog te betalen termijnen ad € 208,58 per maand (dit bedrag werd in de dagvaarding gesteld op € 258,58 per maand maar [gedaagde ] heeft dit bedrag ter comparitie gecorrigeerd/ verlaagd);

cten aanzien van de betaling van de woonlasten:

primair te bepalen dat de lasten als verbonden aan de eigendom en de financiering van het registergoed (bruto hypotheekrente, de gemeentelijke heffingen, waterschapslasten en gebruikerslasten) voor de periode vanaf 1 januari 2016 door alleen de man (de rechtbank begrijpt: [gedaagde ] ) gedragen worden zonder dat [gedaagde ] aan [eiser ] een gebruiksvergoeding verschuldigd zal zijn, subsidiair dat [gedaagde ] vanaf 1 januari 2016 aan [eiser ] een gebruiksvergoeding verschuldigd is maximaal gelijk aan de helft van

de door [gedaagde ] voor de woning betaalde lasten.

d [eiser ] te veroordelen om aan [gedaagde ] op voet van het bepaalde in artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst te betalen alle door [gedaagde ] na verbreking samenleving voldane premies voor de overlijdensrisicoverzekering waarvoor [eiser ] als begunstigde is aangemerkt, zijnde een bedrag van € 1.440,-, te vermeerderen met alle door [gedaagde ] vanaf 1 juli 20] 8 tot datum levering nog te betalen premies ad € 48,- per maand;

eaan [gedaagde ] van de inboedel toe te delen het Raymond Well horloge, de diamanten ring, de computer met daarop de persoonlijke bestanden van [gedaagde ] , de Sparta E- bike, een (normale) fiets en zijn persoonlijke financiële administratie met inbegrip van alle afschriften van de (mede) op naam van [gedaagde ] gestelde bankrekeningen en [eiser ] te veroordelen deze zaken binnen veertien dagen na betekening vonnis aan [gedaagde ] in goede staat ter hand te stellen;

f [eiser ] te veroordelen ten aanzien van de auto Seat Toledo met kenteken [kenteken] primair een bedrag van € 9.545,- aan [gedaagde ] te vergoeden althans subsidiair aan [gedaagde ] een bedrag van € 1.500,- te voldoen met toedeling van de auto aan [eiser ] ;

g. voorwaardelijk in reconventie, uitsluitend voor het geval de Rechtbank zou oordelen

dat [gedaagde ] een hogere gebruiksvergoeding verschuldigd zou zijn dan onder II c

aangegeven: [eiser ] te veroordelen de helft van alle vanaf 1 januari 2016 door

[gedaagde ] betaalde en nog te betalen hypotheekrente en overige eigenaarslasten aan [gedaagde ] te voldoen zal moeten vergoeden zijnde:

- een bedrag van € 5.344,- aan hypotheekrente te vermeerderen met de helft van alle door [gedaagde ] vanaf 1 juli 2018 tot datum levering nog te betalen hypotheekrentetermijnen ad € 356,25 per maand en voorts

- een bedrag van € 2.589,27 aan overige eigenaarslasten, te vermeerderen met de helft van alle door [gedaagde ] vanaf 1 juli 201 8 tot datum levering nog te betalen overige eigenaarslasten.

h. voorwaardelijk in reconventie, uitsluitend voor het geval de door [eiser ] gevorderde vergoedingsrechten op enigerlei wijze zouden worden gehonoreerd:

op basis van de verhouding van het netto-inkomen van [eiser ] ad € 7.400,- per

maand afgezet tegen het netto-inkomen van [gedaagde ] ad € 1.500,- per maand het aandeel van [eiser ] in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding in de jaren 2013 -

2015 zal vaststellen en [eiser ] te veroordelen het te weinig betaalde bedrag na te betalen althans de helft van het te weinig betaalde bedrag aan [gedaagde ] te voldoen, en partijen met het oog daarop zo nodig eerst nog in staat te stellen zich dienaangaande bij akte nader uit te laten.

III) in conventie en in reconventie: primair [eiser ] te veroordelen in de kosten van de

Procedure; subsidiair te bepalen dat ieder van partijen de eigen kosten van rechtsbijstand zal dragen.

4.2.

[eiser ] voert verweer in reconventie.

4.3.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

5 De beoordeling in conventie en reconventie

5.1.

Voor zover partijen gezamenlijk eigenaar zijn van enig goed zijn zij deelgenoten. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).

5.2.

Over de vorderingen van [eiser ] (in conventie) wordt als volgt geoordeeld.

vordering 1

5.3.

De rechtbank zal partijen gelasten de woning te verkopen aan een derde. Partijen zijn al circa 2 ¾ jaar uit elkaar en niemand behoeft in een onverdeelde gemeenschap te blijven zitten. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van [gedaagde ] (ingenomen in zijn conclusie van antwoord in conventie van 11 juli 2018) dat hij wenst te onderzoeken of hij [eiser ] kan uitkopen. [gedaagde ] heeft ter comparitie erkend dat hij, in ieder geval thans, niet in staat is een hypothecaire geldlening te verkrijgen. Dit komt inmiddels voor zijn risico, overigens daargelaten of [gedaagde ] [eiser ] kán uitkopen. De woning heeft, naar valt aan te nemen, een zeer substantiële overwaarde. De hypothecaire geldlening bedraagt volgens opgave van [gedaagde ] thans nog maar € 95.000,-, de waarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde polis is € 76.195,- per 1 januari 2016 en de huidige verkoopwaarde van de woning wordt door [eiser ] geraamd op minimaal € 400.000,-. Die waarde komt min of meer aannemelijk voor, bij een getaxeerde waarde van de woning van

€ 310.000,- medio 2016 en de hausse op de huizenmarkt. Het inkomen van [eiser ] is circa vijf keer zo hoog is als dat van [gedaagde ] (€ 7.500,- netto per maand tegenover € 1.500,- netto per maand). Één en ander wijst er nog niet op dat [gedaagde ] [eiser ] kan uitkopen. In dit oordeel zijn de gezondheidsomstandigheden van [gedaagde ] meegewogen. Dat betekent overigens niet dat aan deze omstandigheden geen enkel gewicht toekomt, zoals hierna zal blijken.

vordering 2

5.4.

[eiser ] stelt dat de aanschaf van de woning deels is gefinancierd met een depotstorting van hem van € 25.286,- en met een depotstorting van [gedaagde ] van € 8.848,71. [eiser ] vordert worden dat hem uit de overwaarde € 25.286,- zal worden toegedeeld en aan [gedaagde ] € 8.848,71, waarna de rest bij helfte verdeeld kan worden. Deze vordering zal worden afgewezen. [eiser ] heeft ter comparitie erkend dat hij niet kan bewijzen dat hij zijn € 25.286,90 in depot heeft gestort. [eiser ] heeft (slechts) gesteld dat hij dit bedrag op een en/of rekening van partijen heeft gestort. Dit is echter niet voldoende om toewijzing van de vordering te rechtvaardigen. Er valt niet uit te sluiten dat het geld voor andere doeleinden is aangewend. Beslist zal worden dat beide partijen recht hebben op de helft van de overwaarde (behoudens het navolgende). [eiser ] heeft op dit onderdeel ook geen concreet bewijsaanbod gedaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen (indien [eiser ] dit bewijs al zou willen leveren, nu hij erkent dat hij dat niet kan).

vordering 3

5.5.

[eiser ] vordert te bepalen dat het opgebouwde kapitaal in de - aan de hypothecaire geldlening verbonden - levensverzekering aan ieder der partijen voor de helft toekomt.

5.6.

[gedaagde ] voert als verweer aan dat hij als enige de premies op de desbetreffende verzekering heeft betaald vanaf 1 januari 2016 (ad € 208,58 per maand). [gedaagde ] stelt dat de waarde van de polis € 76.689,- bedroeg op 1 januari 2016. [gedaagde ] vordert te bepalen dat de helft van € 76.689,- aan [eiser ] wordt toegedeeld en dat het meerdere (dus inclusief de waardevermeerdering vanaf 1 januari 2016) aan hem wordt toegedeeld.

5.7.

Bij verdeling van een gemeenschappelijk goed dient te worden uitgegaan van de waarde daarvan op het moment van verdeling, dit tenzij de redelijkheid en billijkheid tot een andere peildatum nopen of tenzij anderszins is overeengekomen tussen partijen. In dit geval nopen de redelijkheid en billijkheid tot een andere peildatum, namelijk 1 januari 2016. [gedaagde ] heeft als enige de waardevermeerdering van de polis vanaf 1 januari 2016 bewerkstelligd. Dit heeft [eiser ] ter comparitie erkend. Ook heeft [eiser ] ter comparitie erkend dat de polis op 1 januari 2016 € 76.689,- waard was. Aan [eiser ] zal de helft van dit bedrag worden toegedeeld (€ 38.344,50) en aan [gedaagde ] het meerdere.

5.8.

[eiser ] stelt bij nader inzien (antwoord in reconventie sub 13) dat de opbrengst van de polis contractueel in mindering moet strekken op de hypothecaire geldlening (als verpand aan de bank, begrijpt de rechtbank). Dit maakt het oordeel niet (wezenlijk) anders. Als deze stelling juist is zal de overwaarde van de woning navenant toenemen. Alsdan komt uit de overwaarde toe: € 38.344,50 aan [eiser ] en aan [gedaagde ] het meerdere van de polisuitkering, waarna het restant van de overwaarde bij helfte verdeeld moet worden.

vordering 4, 5 en 6

5.9.

Nu de rechtbank partijen tot verkoop van de woning gelast, zijn partijen gehouden medewerking te verlenen aan het verrichten van alle rechtshandelingen die daarvoor nodig zijn (zoals: inschakelen makelaar, ondertekenen verkoopovereenkomst en medewerking verlenen aan het passeren van de notariële akte).

[eiser ] stelt dat [gedaagde ] al geruime tijd weigert medewerking te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde, onder meer (maar zeker niet uitputtend) omdat:

- aan [gedaagde ] al diverse malen een passende huurwoning is aangeboden, maar dat hij deze stuk voor stuk heeft afgewezen;

- [gedaagde ] een taxatie onmogelijk heeft gemaakt door kort daarvoor met een overdosis slaapmiddelen in bed te gaan liggen;

- de woning niet op orde wordt gehouden.

Als behoorlijk onderbouwd en onvoldoende weersproken gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze stellingen. De rechtbank zal bepalen dat, zo nodig, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de eventueel onwillige deelgenoot. Een dwangsom is alsdan overbodig, althans voor wat betreft de te verrichten rechtshandelingen.

5.10.

Ook zal de rechtbank bepalen, ter bevordering van een vlotte verkoop, dat [gedaagde ] uiterlijk negen maanden na betekening van het onderhavige vonnis de woning dient te verlaten, ongeacht of die woning dan al verkocht is of niet. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat [gedaagde ] niet dwars zal gaan liggen, bijvoorbeeld door de makelaar en gegadigden niet tot de woning toe te laten. Een kortere ontruimingstermijn dan negen maanden komt, gelet op de gezondheidstoestand van [gedaagde ] , niet billijk voor.

Aan [gedaagde ] zal ook een dwangsom worden opgelegd om te bevorderen dat hij in deze periode van 9 maanden zijn medewerking verleent aan de feitelijke handelingen die nodig zijn voor verkoop, zoals het toelaten tot de woning van de makelaar met gegadigden en het huis genoegzaam op orde houden. Uit het onder de Feiten aangehaalde taxatierapport volgt dat [gedaagde ] dit laatste thans niet doet.

5.11.

[eiser ] stelt een verkoopmakelaar uit Den Haag voor. De rechtbank onderschrijft het bezwaar van [gedaagde ] dat, nu het om een Rotterdamse woning gaat, beter een Rotterdamse makelaar kan worden ingeschakeld, als zijnde beter bekend met de plaatselijke markt. De rechtbank zal de door [gedaagde ] genoemde makelaar als verkoopmakelaar aanwijzen (een makelaar van Van Kleef Makelaars). Nu het gaat om verkoop van de woning aan een derde en beide partijen baat hebben bij een zo hoog mogelijke opbrengst (anders dan bij een taxatie omdat de één de ander wil uitkopen) valt redelijkerwijze niet te vrezen voor partijdigheid van deze makelaar.

vorderingen 7 en 8

5.12.

[eiser ] mist als deelgenoot het (mede) gebruik van de woning. Om die reden heeft hij recht op een gebruiksvergoeding van [gedaagde ] . Anderzijds heeft [gedaagde ] een vordering op [eiser ] omdat [gedaagde ] als enige de eigenaarslasten betaalt (zij het dat vorderingen uit dien hoofde volgens de samenlevingsovereenkomst na het volgende jaar vervallen), terwijl [eiser ] als mede-eigenaar ook zou moeten meebetalen. Partijen hebben over en weer het recht om deze vorderingen met elkaar te verrekenen, welke vorderingen de rechtbank in billijkheid begroot als even hoog. Per saldo zijn partijen elkaar dan niets verschuldigd. De gebruikerslasten van de woning zijn uit de aard der zaak voor rekening van alleen [gedaagde ] . Aldus zal worden beslist. Niet zal worden beslist dat [eiser ] een vordering heeft op [gedaagde ] voor zover [gedaagde ] verzuimt de woonlasten de voldoen. Hoofdelijk schuldenaren hebben slechts een verhaalsrecht jegens elkaar voor zover zij zelf meer dan hun aandeel voldaan hebben. [eiser ] heeft niet meer dan zijn aandeel voldaan. Mocht de aansprakelijkheid voor deze schulden niet hoofdelijk zijn maar slechts voor gelijke delen dan heeft [eiser ] helemaal geen verhaalsrecht.

vordering 9

5.13.

De vordering dat [gedaagde ] aan aantal ‘erfstukken’ aan [eiser ] moet afgeven, zal worden afgewezen. [eiser ] miskent dat de inboedel volgens de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk eigendom van partijen is. De erfstukken zijn daarvan niet uitgezonderd. Als [eiser ] die consequentie niet had gewenst, had hij in zoverre de samenlevingsovereenkomst niet moeten sluiten.

Uit de stellingen van [eiser ] valt niet af te leiden dat hij per saldo onderbedeeld is bij de verdeling van de inboedel. Volledig inzicht in waarde en samenstelling van de inboedel is niet verschaft. Evenmin is duidelijk wie van partijen welke inboedelgoederen in bezit heeft.

Bovendien is de vordering te onbepaald, nu niet in het petitum wordt vermeld om welke erfstukken het gaat. Bij een eventuele veroordeling dient voldoende duidelijk te zijn om welke goederen het gaat en dat is het niet. [eiser ] beroept zich op zijn productie 7, bevattende een opsomming van de goederen die [eiser ] nog wenst te verkrijgen. Daarop staan ook goederen als bijvoorbeeld een Hilti-boor en Afrikaanse manden uit 1995. Die goederen zijn niet zonder meer te beschouwen als erfstukken.

vordering 10

5.14.

[eiser ] vordert van [gedaagde ] € 18.134,14 uit hoofde van onverschuldigde betaling. [eiser ] stelt daartoe dat hij in 2013-2015 niet bij [gedaagde ] woonde maar in Brussel, waar hij toen werkte. Toen heeft [eiser ] in totaal € 11.550,- aan [gedaagde ] betaald, zijnde € 350,- per maand als bijdrage in de kosten van de huishouding), vermeerderd met de volledige vaste lasten van de woning + de ziektekostenpolis van [gedaagde ] , samen € 6.598,84. Deze bedragen waren volgens [eiser ] niet verschuldigd omdat de samenlevingsovereenkomst in zijn optiek toen niet van toepassing was.

5.15.

Deze vordering zal worden afgewezen. [eiser ] miskent dat de samenlevingsovereenkomst in deze periode wel van toepassing was: de samenlevingsovereenkomst eindigt niet als één van partijen vanwege werk of studie elders verblijft (art. 15 lid 3). Tussen partijen staat vast dat [eiser ] na terugkomst uit Brussel nog enige maanden met [gedaagde ] heeft samengewoond, dus er was geen sprake van een definitieve verbreking van de relatie toen [eiser ] in Brussel ging wonen.

Volgens de samenlevingsovereenkomst moet [eiser ] naar rato van beider inkomen bijdragen aan de huishoudelijke kosten. Aangezien het inkomen van [eiser ] veel hoger is dan dat van [gedaagde ] diende [eiser ] sowieso het grootste deel van deze kosten te dragen.

vordering 11

5.16.

[eiser ] vordert van [gedaagde ] € 6.792,50, als zijnde de helft van € 13.585,-. [eiser ] stelt daartoe dat aan [gedaagde ] opgelegde belastingaanslagen ter hoogte van € 13.585,- vanaf een gemeenschappelijke rekening van partijen werden betaald terwijl [eiser ] zijn belastingaanslagen van een eigen rekening betaalde.

5.17.

[gedaagde ] voert verweer. Onder meer beroept [gedaagde ] zich op het vervalbeding.

5.18.

Deze vordering zal worden afgewezen. [eiser ] stelt niet dat, en waarom, de belastingaanslagen buiten de huishoudelijke kosten zouden kunnen vallen die, zoals gezegd, (niet bij helfte maar) naar rato inkomen verrekend moeten worden. En dan moet [eiser ] , met zijn veel hogere inkomen, het overgrote deel betalen. [eiser ] rekent dat deel niet voor. Evenmin is [eiser ] nader onderbouwd teruggekomen op het beroep van [gedaagde ] op het vervalbeding. In zoverre is zijn vordering onvoldoende onderbouwd en moet ook worden aangenomen dat [eiser ] (grotendeels) te laat is met zijn vordering.

5.19.

[eiser ] stelt voorts dat [gedaagde ] een bedrag van € 20.439,-, dan wel de helft daarvan, aan hem moet vergoeden, dit omdat het vermogen van [gedaagde ] met dit bedrag is toegenomen en [gedaagde ] volgens [eiser ] dit bedrag niet zelf gespaard kan hebben vanwege het geringe inkomen van [gedaagde ] . [eiser ] houdt het er voor dat dit geld van ‘de gemeenschap’ afkomstig is.

5.20.

Deze ‘vordering’ zal worden afgewezen. De stelling van [eiser ] sluit onvoldoende uit dat [gedaagde ] het bedrag gespaard kan hebben en is aldus onvoldoende onderbouwd. Nu [eiser ] 5 maal zo veel verdient als [gedaagde ] zal de bijdrage van [gedaagde ] aan de huishoudelijke kosten relatief slechts gering zijn geweest. Dan kan er best spaarruimte zijn geweest bij [gedaagde ] , daargelaten of [gedaagde ] al niet eerder vermogen kan hebben opgebouwd. Bovendien ontbreekt in het petitum van [eiser ] op dit onderdeel een vordering. In wezen ligt er dus geen vordering voor waar beslist op moet worden.

5.21.

Over de vorderingen van [gedaagde ] (in reconventie) wordt als volgt geoordeeld.

5.22.

De rechtbank neemt haar oordelen in conventie hier over. Dat betekent dat over de volgende vorderingen van [gedaagde ] al een oordeel is gegeven: de vorderingen onder II sub a, b, c, g en h. Dan resteren de vorderingen d, e f.

vordering d

5.23.

[gedaagde ] stelt dat hij ten behoeve van [eiser ] premies voor diens overlijdensrisicoverzekering heeft betaald/ zal betalen (€ 1.440,- voor de periode vanaf 1 januari 2016 plus € 48,- per maand voor de periode vanaf 1 juli 2018) en dat [eiser ] hem dit op grond van artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst moet vergoeden. Deze vordering zal worden afgewezen. De samenlevingsovereenkomst is (in ieder geval) geëindigd op 3 januari 2016, zoals [gedaagde ] zelf al erkent in zijn conclusie van antwoord in conventie (sub 6). [gedaagde ] mag zich dus (nagenoeg) niet meer beroepen op de samenlevingsovereenkomst. Het voert te ver om de vordering van [gedaagde ] ook nog te toetsen aan het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking. Beide partijen hebben verzuimd om een deugdelijke berekening te maken van hun beider aandeel in de huishoudelijke kosten, naar rato van hun beider inkomen. Dan valt niet goed vast te stellen of per saldo sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

vordering e

5.24.

[gedaagde ] vordert van de inboedel aan hem toe te delen het Raymond Well horloge, de diamanten ring, de computer met daarop de persoonlijke bestanden van [gedaagde ] , de Sparta E- bike, een (normale) fiets en zijn persoonlijke financiële administratie met inbegrip van alle afschriften van de (mede) op naam van [gedaagde ] gestelde bankrekeningen.

5.25.

[eiser ] betwist onder meer een aantal van de door [gedaagde ] genoemde goederen, waaronder de administratie van [gedaagde ] , in bezit te hebben.

5.26.

De rechtbank zal de vordering van [gedaagde ] afwijzen. Ook hier heeft te gelden dat de inboedel gemeenschappelijk eigendom is. De rechtbank kan uit de stellingen van [gedaagde ] , net zomin als uit de stellingen van [eiser ] , afleiden dat de andere partij overbedeeld is bij de verdeling van de inboedel. Zonder nadere motivering kan niet worden aangenomen dat [eiser ] de administratie van [gedaagde ] onder zich heeft. Mogelijk kan [gedaagde ] zich tot de bank wenden voor zijn bankafschriften.

vordering f

5.27.

[gedaagde ] vordert [eiser ] te veroordelen tot betaling primair van € 9.545,-, en subsidiair van € 1.500,- ten aanzien van de Seat Toledo. [gedaagde ] stelt dat hij de aanschaf van deze auto heeft bekostigd en subsidiair dat hij in ieder geval recht heeft op de helft van de waarde van de auto op 3 januari 2016. Deze vordering zal worden afgewezen. Een auto is een vervoermiddel. Volgens de definitie in art. 5 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst vallen (ook) vervoermiddelen onder de inboedel. De rechtbank herhaalt het oordeel dat uit de stellingen van [gedaagde ] niet valt af te leiden dat hij is onderbedeeld bij de verdeling van de inboedel.

5.28.

De proceskosten in conventie en reconventie zullen tussen partijen (voormalige partners) worden gecompenseerd.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

gelast partijen tot verkoop aan een derde van de woning aan de [adres] en om een makelaar van Van Kleef Makelaars te Rotterdam opdracht te geven te bemiddelen bij deze verkoop;

6.2.

bepaalt dat dit vonnis, zo nodig, in de plaats treedt van de medewerking van een eventueel onwillige deelgenoot aan het verrichten van alle rechtshandelingen die redelijkerwijze nodig zijn voor verkoop van de woning, zoals het geven van een bemiddelingsopdracht aan de makelaar en het mede ondertekenen van de verkoopovereenkomst en de notariële leveringsakte;

6.3.

bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de netto opbrengst (dus na aftrek van eventuele verkoopkosten) na verkoop van de woning, behoudens het navolgende,

6.4.

gelast partijen tot afkoop van de aan de hypotheek verbonden levensverzekering en deelt van de opbrengst toe: € 38.344,50 aan [eiser ] en het meerdere aan [gedaagde ] en bepaalt, indien en voor zover deze opbrengst in mindering strekt op de hypothecaire geldlening, dat uit de overwaarde van de woning wordt voldaan: aan [eiser ] € 38.344,50 en aan [gedaagde ] het bedrag ter hoogte van het meerdere van de opbrengst van de polis (dus boven € 38.344,50), waarna de rest van de overwaarde bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;

6.5.

gelast [gedaagde ] medewerking te verlenen aan alle feitelijke handelingen die redelijkerwijze nodig zijn om tot verkoop van de woning te komen, waaronder in ieder geval het verschaffen van toegang tot de woning aan de makelaar met potentiële kopers en om de woning dusdanig op orde/ schoon te houden dat gegadigden zich niet laten afschrikken door rommel en/of vervuiling in de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat [gedaagde ] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,-;

6.6.

veroordeelt [gedaagde ] om uiterlijk negen maanden na betekening van dit vonnis de woning, gelegen aan de [adres] , te ontruimen en de woning onder afgifte van de sleutels ter beschikking van de makelaar te stellen, zulks met machtiging aan [eiser ] om, indien [gedaagde ] in gebreke blijft aan deze ontruiming te voldoen, de ontruiming zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde ] ;

6.7.

veroordeelt [gedaagde ] om in de periode totdat hij de woning heeft verlaten, de woonlasten van de woning telkens maandelijks bij vooruitbetaling en voor de eerste van de maand te voldoen, te weten de hypotheek, de levensverzekering, gas- en elektra, water en gemeentelijke heffingen en verder alle andere eigenaars- en gebruikslasten;

6.8.

bepaalt dat partijen ieder de helft van de woonlasten moeten betalen vanaf het moment dat [gedaagde ] de woning heeft verlaten,

6.9.

verklaart het vonnis tot zo ver zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

6.10.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

6.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018.

[2517/2504]