Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9319

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
C/10/431475 / HA ZA 13-860
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2018:2507), waarin, na getuigenbewijs, is vastgesteld dat van de juistheid van door de werkgever veronderstelde uitleg van werknemersparticipatieplan niet kan worden uitgegaan. Desgevraagd hebben partijen aangegeven de situatie met betrekking tot de certificaten zo te laten totdat zich een Termination Event voordoet en een eindvonnis te wensen. Toewijzing van bepaalde vorderingen c.q. afwijzing van bepaalde vorderingen overeenkomstig de overwegingen en beslissingen in het tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/431475 / HA ZA 13-860

Vonnis van 31 oktober 2018

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de staat Texas, Verenigde Staten van Amerika,

PLANCK INVESTMENTS LP,

gevestigd te Westport, Connecticut, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage,

tegen

1. de stichting

STICHTING TINSEL GROUP,

gevestigd te Rotterdam,

2. de vennootschap naar het recht van Luxemburg

TINSEL GROUP S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

3. de vennootschap naar het recht van Luxemburg

VITOL HOLDING II S.A.,

gevestigd te Munsbach, Luxemburg,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. B. Winters te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Planck en Tinsel c.s. genoemd worden. Wanneer gedaagden (in conventie) afzonderlijk bedoeld zijn worden zij respectievelijk aangeduid als Stichting Tinsel, Tinsel Group, Vitol Holding en [gedaagde 4] .

1 De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 maart 2018 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte uitlating vervolg na tussenvonnis van de zijde van Planck;

  • -

    de akte uitlating vervolg na tussenvonnis van Tinsel c.s.;

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

In het tussenvonnis van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank voorshands geoordeeld dat de uitleg van de Tinsel-structuuur zoals Planck die geeft juist is. Die uitleg komt erop neer dat de (permanente) certificaten Tinsel Group S1 een automatische aanspraak geven op (een evenredig aandeel in) de aan Mike Loya vanaf 2005 in het kader van de werknemersparticipatie toegekende winstrechten. Tinsel c.s. is in het tussenvonnis van 7 oktober 2015 in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen dat bewijsvermoeden.

In dat kader heeft Tinsel c.s. een groot aantal getuigen voorgebracht. In het tussenvonnis van 28 maart 2018 is het door Tinsel c.s. geleverde bewijs gewaardeerd. Geoordeeld is dat Tinsel c.s. niet is geslaagd in het tegenbewijs. De conclusie luidde dan ook dat de 375 Tinsel S1-certificaten van Planck een automatische aanspraak geven op (een evenredig aandeel in) de aan Mike Loya vanaf 2005 in het kader van het werknemersparticipatieplan van Vitol toegekende winstrechten. De daarop gegronde vorderingen van Planck werden dan ook in beginsel toewijsbaar geacht.

2.2.

Bij het tussenvonnis van 7 oktober 2015 is Tinsel c.s. voorts in de gelegenheid gesteld haar stelling te bewijzen dat zij bevoegd was de SHA 2007 eenzijdig te wijzigen, in die zin dat de mogelijkheid van het toekennen van certificaten aan permitted assignees werd afgeschaft.

Ook in dat bewijs is Tinsel c.s. niet geslaagd, zo heeft de rechtbank geoordeeld in het vonnis van 28 maart 2018. Geoordeeld is dat een wijziging van de SHA 2007 die het certificaathouderschap van Planck als permitted assignee afschaft schriftelijk en met instemming van Planck had moeten plaatsvinden. Voor geen van de daarop gerichte besluiten die Tinsel c.s. aan de afschaffing van het permitted assignee-systeem ten grondslag heeft gelegd is toestemming van Planck verkregen. Geen van die besluiten heeft dan ook jegens Planck gelding, zo is onder 3.20 van het vonnis van 28 maart 2018 geoordeeld. Het permitted assignee-systeem is daarmee dan ook voor zover het Planck betreft niet afgeschaft. Het feit dat Planck haar winstrechten heeft behouden is voorts, anders dan door Tinsel werd bepleit, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geoordeeld.

2.3.

Onder 3.24 en 3.25 van het tussenvonnis van 28 maart 2018 heeft de rechtbank besproken wat het een en ander betekent voor de vorderingen van partijen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich erover uit te laten welke route zij wensen te bewandelen, te weten 1) terugkoop van de certificaten door Tinsel c.s. en daarmee samenhangend overleg over de prijs, al dan niet via de daarvoor in de SHA genoemde procedure of door aanwijzing van een deskundige (door de rechtbank), dan wel 2) de situatie zoals deze is te laten voortbestaan zodat Planck de certificaten behoudt totdat zich een Termination Event voordoet.

2.4.

Bij akte hebben zowel Planck als Tinsel c.s. aangegeven dat zij hierover overlegd hebben en dat zij de situatie wensen te laten zoals deze is (optie 2 als bedoeld in r.o. 2.3). en zij verzoeken de rechtbank om een eindvonnis te wijzen.

2.5.

Ten aanzien van de vorderingen onder (j) tot en met (m) die gericht zijn op het aanbieden van de certificaten door Planck aan Tinsel c.s. en het voeren van overleg over de prijs die Tinsel c.s. daarvoor betaalt, geldt dat voor toewijzing daarvan geen plaats is. Partijen zijn het er immers over eens dat zij de huidige status quo zullen handhaven en dat Planck de Tinsel-certificaten behoudt totdat zich een Termination Event voordoet. In zoverre gaat de rechtbank er, op basis van de uitlatingen van Planck in haar laatste akte, vanuit dat zij in dit stadium dat deel van haar vordering niet handhaaft.

2.6.

Planck heeft aangevoerd dat sprake is van een kennelijke verschrijving in rechtsoverweging 3.24.2 van het tussenvonnis van 28 maart 2018, gelet op hetgeen de rechtbank onder 3.13, 3.24.1, 3.24.2 en 3.24.8 van dat tussenvonnis heeft overwogen. Volgens Planck is in 3.24.2 abusievelijk het woord “noch” vermeld terwijl bedoeld is “en”.

2.7.

Rechtsoverweging 3.24.2 waarop Planck doelt luidt:

“3.24.2 De vordering onder (b) ertoe strekkend Tinsel c.s. te veroordelen om alle (rechts)handelingen te verrichten om de aanspraken van Planck verbonden aan de 375 S1- certificaten in het kapitaal van Tinsel te behouden c.q. te herstellen, noch de vordering onder (c) die ertoe strekt Stichting Tinsel te veroordelen bij iedere nieuwe uitgifte door Vitol binnen drie maanden na die uitgifte te besluiten dat ieder van de 375 S1-certificaten van Planck winstdelende certificaten in Vitol reflecteren, is toewijsbaar. Tinsel c.s. hebben onbetwist gesteld dat de aanspraken van Planck gelijk zijn aan de winstrechten voortvloeiend uit 1500 S4-certificaten.

Hier is inderdaad sprake van een verschrijving. Beoogd was te zeggen dat de vorderingen onder (b) en (c) toewijsbaar zijn. Onder 3.24.8 van het tussenvonnis van 28 maart 2018 is ook met zoveel woorden overwogen dat de vorderingen onder (b) en (c) toewijsbaar zijn (om welke reden niet werd toegekomen aan de subsidiaire vorderingen onder (i)).

Ambtshalve merkt de rechtbank op dat in r.o. 3.10, vierde regel van onderen, ten onrechte voor “minder” het woord “niet” staat. Dat dat een vergissing is blijkt uit het vervolg van die zin. Ook dit is een kennelijke verschrijving, de zin moet worden gelezen als: “Dat betekent dat het belang van deze mail wellicht minder groot is dan op basis van de aard van de tekst zou kunnen worden verwacht, doch…”. Rechtsoverwegingen 3.24.2 en 3.10 worden aldus gewijzigd gelezen.

2.8.

De vorderingen onder (b) en (c) zullen gelet op het voorgaande worden toegewezen. Dat geldt ook voor de door Planck ten aanzien van haar vorderingen (b) en (c) gevorderde dwangsommen. Deze worden toegewezen op de in het dictum bepaalde wijze. De rechtbank ziet aanleiding te voorzien in ruime termijnen gelet op de bewerkelijkheid van een en ander.

2.9.

Tinsel c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Dat komt neer op € 3.529,- aan vastrecht, € 363,24 aan explootkosten en
€ 53.984,- aan salaris advocaat, gebaseerd op 14 punten van liquidatietarief VIII ad
€ 3.856,- per punt. In totaal derhalve € 57.876,24. Daarbij komen nog de kosten van de door Planck voorgebrachte getuige ([getuige]) ad USD 10.000,-.

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

2.10.

Planck heeft veroordeling van Stichting Tinsel, Tinsel Group en Vitol Holding gevorderd tot betaling van de redelijke kosten van vaststelling van aansprakelijkheid en schade ter hoogte van € 68.130,33, USD 446.292,62 en GBP 123.150,58 (vordering (q)) respectievelijk € 411.540,- (vordering (r)). Nu de op schadevergoeding gerichte, uiterst subsidiair ingestelde, vordering van Planck gezien de (gedeeltelijke) toewijzing van de primaire vorderingen en hetgeen hiervoor onder 2.3 tot en met 2.7 is overwogen, niet aan de orde is, is er ook geen plaats voor toewijzing van kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. De toe te wijzen vorderingen op contractuele grondslag, die met name zien op uitlegkwesties, hebben geen betrekking op vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze vordering zal worden afgewezen.

2.11.

Voor het overige worden de vorderingen toe- c.q. afgewezen overeenkomstig hetgeen onder 3.24 en 3.25 van het tussenvonnis van 28 maart 2018 is overwogen.

in reconventie

2.12.

In reconventie komt uitsluitend de vordering van Tinsel c.s. onder iii.b voor toewijzing in aanmerking.

2.13.

Nu elk van partijen in reconventie ten dele in het ongelijk is gesteld zullen de proceskosten in reconventie gecompenseerd worden op de in het dictum te bepalen wijze.

3 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

1) verklaart voor recht dat Planck 375 certificaten van aandelen van de klasse S1 in het kapitaal van Tinsel Group houdt en onafgebroken heeft gehouden sinds 5 december 2006, een en ander conform de geldende Shareholder's Agreement en statuten van Tinsel Group en Stichting Tinsel (vordering (a));

2) verklaart voor recht dat de door Tinsel c.s. aan afschaffing van het permitted assignee-systeem ten grondslag gelegde besluiten van 1 januari 2014 en 11 december 2017 jegens Planck niet de gelding hebben die Tinsel c.s. daaraan geeft (vordering (h));

3) veroordeelt Stichting Tinsel, Tinsel Group en Vitol Holding om alle handelingen te verrichten, alle besluiten te nemen en alle betalingen te verrichten tot behoud en/of herstel van alle aanspraken van Planck op winsten sinds 1 januari 2011, waaronder toekomstige winsten, van Tinsel Group, zoals en voor zover deze verbonden zijn aan 375 certificaten van aandelen van de klasse S1 in het kapitaal van Tinsel Group en wel zodanig dat Planck in de toestand wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien de bestreden conversie niet zou hebben plaatsgevonden en alle daarmee verband houdende besluiten en handelingen niet zouden zijn genomen en zouden hebben plaatsgevonden, met vaststelling dat de aanspraken van Planck gelijk zijn aan de winstrechten verbonden aan 1.500 (certificaten van) Tinsel S4-aandelen totdat zich een Termination Event genoemd in artikel 6 van de SHA2007 voordoet (vordering (b)),

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 10.000,- per dag dat enig(e) daartoe vereiste besluit of handeling als voormeld niet binnen zes maanden na betekening van dit vonnis en na het moment dat dat besluit moest worden genomen dan wel die handeling moest worden verricht is verricht respectievelijk genomen, tot een maximum van € 2.500.000,-;

4) veroordeelt Stichting Tinsel bij iedere nieuwe uitgifte van aandelen door Vitol vanaf heden totdat zich een Termination Event voordoet binnen zes maanden na die uitgifte te besluiten dat ieder van de 375 door Planck gehouden S1-certificaten in Tinsel op gelijke wijze als de overige Tinsel S1-certificaten winstdelende aandelen in Vitol zal reflecteren, een en ander conform de inhoud van de geldende Shareholder's Agreement en statuten van Tinsel Group en Stichting Tinsel (vordering (c)),

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag na betekening en na genoemde termijn van zes maanden dat dit besluit na zodanige uitgifte niet is genomen, tot een maximum van € 2.000.000,-;

5) veroordeelt Tinsel c.s. in de aan de zijde van Planck gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 57.876,24 en op USD 10.000,- aan getuigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6) veroordeelt Tinsel c.s. tot vergoeding aan Planck van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Tinsel c.s. niet binnen veertien dagen nadat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris voor de advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

veroordeelt Planck te dulden dat Stichting Tinsel aan Planck de aan Planck toekomende uitkering in verband met het haar toekomende economische belang in 375 Vitol aandelen P2011 en 1500 aandelen D2013 over de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 zal doen op het moment waarop de onderliggende aandelen P2011 en D2013 - tegen die tijd Vitol aandelen P2013 - door Vitol Holding worden ingekocht en ingetrokken (vordering iii.b);

compenseert de proceskosten in reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. W.J. van den Bergh en mr. P. Volker en in het bijzijn van mr. S. Lankhaar, grifier, in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.

1861/106/2504/2221