Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9313

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
KTN-7157973_18102018
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Verweerster niet verschenen. Belanghebbenden? Ontvankelijkheid? Onbevoegd, want door één bestuurder, gedane opzegging arbeidsovereenkomst, die niet bekrachtigd is, heeft geen rechtsgevolg. Arbeidsovereenkomst is blijven voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/9
AR-Updates.nl 2018-1281
JONDR 2018/1305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

zaaknummer: 7157973 VZ VERZ 18-19339

uitspraak: 18 oktober 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.P. van Veenendaal, te Den Haag,

tegen

de stichting

Stichting Ondersteuning Fractie PVV Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

niet verschenen,

en

[X.] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

en

de gemeenteraadsfractie van de Partij voor de Vrijheid te Rotterdam

belanghebbenden,

gemachtigde mr. A.J.A. van Dijk, te Almere.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “De Stichting”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] , tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met bijlagen, ontvangen op 17 augustus 2018;

  • -

    de aanvullende bijlagen van [verzoekster] , ontvangen op 20 en 21 september 2018.

  • -

    een verweerschrift, met bijlagen, ontvangen van [X.] en de gemeenteraadsfractie van de Partij voor de Vrijheid te Rotterdam (hierna: de gemeenteraadsfractie).

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Veenendaal. Aan haar zijde zijn tevens verschenen de heren [S.] en [M. ] , bestuurders van De Stichting. Tevens is verschenen de heer [X.] , lid van de gemeenteraadsfractie, bijgestaan door mr. Van Dijk. De verschenen partijen hebben hun standpunten nader doen toelichten.

1.3

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten.

2.1

Op 16 april 2018 is De Stichting opgericht. Blijkens artikel 2 van de oprichtingsakte heeft De Stichting als doel:

“het geven van ondersteuning aan en begeleiden van het apparaat dat ondersteuning geeft aan diegene(n) die namens de politieke partij “PVV Rotterdam” zitting neemt/nemen in de gemeenteraad Rotterdam.”

In de akte is in artikel 9 - voor zover van belang - bepaald:

“1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting.

2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan twee gezamenlijk handelende bestuurders.

3. (…)

4. Het bestuur kan volmacht verlenen aan één of meer bestuurders, alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.”

Uit de slotverklaring van de oprichtingsakte blijkt dat De Stichting drie bestuurders heeft, te weten [X.] , [S.] en [M. ] , allen voornoemd, in de functies van respectievelijk voorzitter, penningmeester secretaris.

2.2

Op grond van een arbeidsovereenkomst, gesloten tussen [verzoekster] en De Stichting, laatstgenoemde vertegenwoordigd door [X.] , daartoe gevolmachtigd door [S.] en [M. ] , is [verzoekster] bij De Stichting in dienst getreden voor 32 uur per week van 1 juni 2018 tot 31 maart 2022. Daarbij is bepaald dat de eerste maand na indiensttreding geldt als proeftijd.

2.3

Op 19 juni 2018 is deze arbeidsovereenkomst met [verzoekster] door [X.] namens De Stichting onder verwijzing naar de proeftijd wegens ongeschiktheid voor de functie per direct mondeling en schriftelijk opgezegd.

2.4

Bij e-mailbericht van 29 juni 2018 heeft [verzoekster] de rechtsgeldigheid van de opzegging bestreden en zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van haar werk.

2.5

Hierop is afwijzend gereageerd door [X.] bij brief van 5 juli 2018.

2.6

Bij brief van 31 juli 2018 is namens [verzoekster] - verkort weergegeven - gesteld dat [X.] onbevoegd is overgegaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd en dat daardoor geen sprake is van een geldig ontslagbesluit. Verzocht is om [verzoekster] toe te laten tot haar werk en haar loon te betalen vanaf 19 juni 2018, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zijn aangekondigd. Hieraan is geen gevolg gegeven.

3 De standpunten van partijen

3.1

[verzoekster] verzoekt - na wijziging van het verzoek ter zitting - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

bij wijze van voorlopige voorziening De Stichting te veroordelen bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om voor de duur van de procedure haar loon door te betalen vanaf 19 juni 2018; en voorts:

primair

  1. de opzegging te vernietigen.

  2. De Stichting te verplichten binnen 24 uur na betekening van deze beschikking [verzoekster] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden (ingevolge de

arbeidsovereenkomst), onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag

dat werkgever in gebreke blijft;

3. De Stichting te verplichten binnen 24 uur na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] te voldoen het achterstallig salaris, de vakantiebijslag en overige emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging;

4. een verklaring voor recht te geven dat [X.] onbevoegd was om [verzoekster] in de proeftijd te ontslaan nu er geen volmacht of instemming (of een geldig

bestuursbesluit) was van de overige bestuurders;

5. een verklaring voor recht te geven dat [verzoekster] nog steeds een rechtsgeldige

arbeidsovereenkomst heeft met De Stichting;

6. een verklaring voor recht te geven dat [verzoekster] recht heeft op loon en wettelijke

verhoging daarover;

7. De Stichting te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

subsidiair, indien de opzegging niet wordt vernietigd dan wel een ontbinding volgt:

De Stichting te veroordelen tot betaling van een billijkheidsvergoeding aan [verzoekster] van € 50.000,00 dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag voor (een deel van) de misgelopen inkomsten van de arbeidsovereenkomst alsmede de reputatieschade (en daardoor financiële schade) die [verzoekster] publiekelijk heeft geleden en lijdt.

3.2

Aan de verzoeken legt [verzoekster] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - ten grondslag dat geen geldig bestuursbesluit ten grondslag ligt aan de opzegging van haar arbeidsovereenkomst, omdat [X.] niet daartoe gevolmachtigd was en hij daartoe dus onbevoegd is geweest, zodat er geen sprake is van een geldige opzegging. De overige twee bestuurders hebben aangegeven de opzegging niet te zullen bekrachtigen. Daarom dient de opzegging te worden vernietigd, aldus [verzoekster] .

3.3

De Stichting voert geen verweer.

3.4

[X.] en de gemeenteraadsfractie voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen met verwijzing van [verzoekster] in de proceskosten.

3.5

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de verzoeken nader besproken.

4. De beoordeling van het verzoek in het licht van de ter zitting verschenen [X.] en de gemeenteraadsfractie.

4.1

Als ‘belanghebbenden’ zijn verschenen (1) [X.] en (2) de gemeenteraadsfractie.

4.2

De gemeenteraadsfractie is niet als een (rechts)persoon aan te merken en kan dan ook niet ontvangen worden als zelfstandige partij.

4.3

Iedere belanghebbende kan blijkens de eerste zin van artikel 282 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verweerschrift indienen. De vraag rijst echter of [X.] als ‘belanghebbende’ in de zin van voormeld artikel kan worden aangemerkt.

4.4

Wie tot de ‘belanghebbenden’ zijn te rekenen moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opgekomen of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007/45).

4.5

Bij brief van 3 augustus 2018 aan De Stichting heeft [X.] kenbaar gemaakt dat hij met directe ingang aftreedt als bestuurder van De stichting. Bij brief van 3 augustus 2018 heeft de gemeenteraadsfractie bij monde van haar voorzitter [X.] aan De Stichting kenbaar gemaakt met directe ingang af te zien van ondersteuning door De Stichting. Met deze beide brieven distantieert [X.] zich zodanig van De Stichting dat hij geen, althans onvoldoende rechtstreeks belang meer heeft bij de uitkomst van deze procedure, zodat ook hij niet als belanghebbende wordt aangemerkt.

5 De beoordeling van het verzoek voor zover gericht tegen de Stichting

5.1

De kantonrechter heeft vastgesteld dat De Stichting na daartoe deugdelijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting is verschenen en evenmin een verweerschrift heeft ingediend of anderszins blijk heeft gegeven zich te willen verweren tegen het verzoek van [verzoekster] .

Aanleiding om De Stichting bij exploot nogmaals op te roepen was er niet omdat de beide bestuurders van De Stichting ter zitting aan de zijde van [verzoekster] verschenen en daarmee blijk gaven met de oproep bekend te zijn.

5.2

Het verzoek zal dan ook worden toegewezen bij gebrek aan betwisting, behoudens voor zover het verzoek de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

5.3

Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] op 19 juni 2018 door [X.] namens De Stichting onder verwijzing naar de proeftijd wegens ongeschiktheid voor de functie per direct mondeling en schriftelijk is opgezegd. Vaststaat tevens dat De Stichting slechts vertegenwoordigd kan worden door het bestuur dan wel door tenminste twee bestuurders en dat van een volmacht aan [X.] of een bekrachtiging achteraf niet is gebleken. [X.] was dus niet bevoegd De Stichting ter zake de ontslagaanzegging te vertegenwoordigen. De opzegging op 19 juni 2018 van [X.] sorteert dan ook geen rechtsgevolg en de arbeidsovereenkomst tussen partijen is blijven voortduren. Bij vernietiging van de opzegging - voor zover dat al aan de orde kan komen - heeft [verzoekster] geen belang. Dit verzoek wordt om deze reden afgewezen.

5.4

De overige verzoeken komen voor toewijzing in aanmerking, behalve de uitbetaling van vakantiebijslag, want die zal later tot uitbetaling komen nu de arbeidsovereenkomst voortduurt, en de verzochte voorlopige voorziening voor de duur van het geding. Omdat hieronder in de hoofdzaak wordt beslist, waarmee de procedure in eerste instantie wordt beëindigd, is er geen aanleiding om deze voorziening te treffen. Deze wordt dan ook afgewezen.

5.5

De Stichting wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Die worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 119,00 aan verschotten en € 600,00 aan gemachtigdensalaris.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt De Stichting om [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden (ingevolge de arbeidsovereenkomst), onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft;

veroordeelt De Stichting om binnen 24 uur na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] te voldoen haar achterstallige salaris met emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de data waarop het salaris uitbetaald had moeten worden tot aan de dag van algehele voldoening en met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

verklaart voor recht dat [X.] onbevoegd was om [verzoekster] in de proeftijd te ontslaan nu er geen volmacht of instemming (of een geldig bestuursbesluit) was van de overige bestuurders;

verklaart voor recht dat [verzoekster] nog steeds een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst heeft met De Stichting;

verklaart voor recht dat [verzoekster] recht heeft op loon en wettelijke verhoging daarover;

veroordeelt De Stichting in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 119,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465