Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9277

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 825
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW MK, Waterfrontaffaire, strafontslag technisch beheerder, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/825

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2018 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. van Arkel.

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 19 januari 2018 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2].

Overwegingen

1.1

Eiser was sinds 1 september 2000 in dienst bij de gemeente Rotterdam. Per 1 februari 2008 is hij geplaatst bij het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam in de functie van Projectmanager A Technisch Beheer. Sinds 1 juni 2014 is hij in de functie van Projectmanager Technisch Beheer, Project- en programmamanagement, Project of progr manager D, FSK 12, geplaatst bij de afdeling Vastgoed van het cluster Stadsontwikkeling.

1.2

Eiser was als Projectmanager Technisch Beheer verantwoordelijk voor het technisch beheer van (onder meer) het object Boompjeskade 10-14 Rotterdam (het gebouw).

Eiser verstrekte vanuit zijn functie met betrekking tot het gebouw opdrachten voor bouwkundige werkzaamheden, werkzaamheden voor brandpreventie en werkzaamheden inzake de klimaat- en luchtbehandelingsinstallatie aan [onderneming] ([naam onderneming]). Dit is een rechtspersoon van [naam 3] Het gebouw werd verhuurd aan [naam 4].

1.2

Naar aanleiding van vragen binnen de afdeling Vastgoed over de omvang van onderhoudskosten aan het gebouw is in 2015 een onderzoek opgestart. De resultaten van dit eerste (interne) onderzoek gaven aanleiding tot uitvoering van een feitenreconstructie met betrekking tot de verhuur van het gebouw en daaraan gerelateerde onderhoudswerkzaamheden die in de periode juni 2010 tot eind 2015 hebben plaatsgevonden en de facturering, betaling en de controle hierop. De eerste bevindingen zijn neergelegd in het Concern Auditing verslag van 22 april 2016. Vervolgens heeft (extern) onderzoeksbureau SBV Forensics (SBV) onderzoek verricht naar mogelijke onregelmatigheden inzake huur/verhuur, diverse verbouwingen en onderhoud van het gebouw. Door onderzoeksbureau Crawford is nader destructief bouwkundig onderzoek gedaan. In zijn rapport van 24 juni 2016 concludeert Crawford dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het grootste deel van alle door [naam onderneming] gefactureerde en door de afdeling Vastgoed betaalde werkzaamheden in de periode 2010-2015 niet is uitgevoerd. Van de € 8.691.138,- aan ingediende facturen is daadwerkelijk voor circa € 270.000,- aan werkzaamheden uitgevoerd.

1.3

Naast het feitenonderzoek heeft verweerder ook besloten tot persoonsgericht onderzoek naar het handelen van (onder andere) eiser met betrekking tot het gebouw. Bij brief van 31 mei 2016 is eiser hierover geïnformeerd. Tevens is eiser geschorst en is hem een toegangsontzegging opgelegd. De resultaten van het persoonsgerichte onderzoek naar eiser zijn neergelegd in een rapport van SBV van 4 oktober 2016. Op 14 november 2016 vond een verantwoordingsgesprek met eiser plaats.

1.4

Bij brief van 31 januari 2017 heeft verweerder het voornemen geuit eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Op 9 februari 2017 heeft eiser zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder procesverloop.

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim vanwege de volgende gedragingen:

  1. Eisers handelen ter zake van de opdrachtverstrekking en de betalingsstroom waarbij in strijd met (interne) regelgeving en zonder onderzoek en verificatie is gehandeld. [naam onderneming] heeft in de periode 2012-2015 voor een bedrag van in totaal 8,8 miljoen euro (inclusief btw) aan de gemeente Rotterdam gefactureerd voor vermeend verrichte werkzaamheden, terwijl uit bouwkundig onderzoek van Crawford volgt dat voor
    € 270.000,- euro (inclusief btw) daadwerkelijk aan werkzaamheden is verricht.

  2. Eisers handelen ten aanzien van het voorbereiden van de vaststellingsovereenkomst. Het is gebleken dat eiser onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en heeft laten opnemen in de vaststellingsovereenkomst.

  3. Eisers handelen ten aanzien van de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Hij heeft de inhoud van de vaststellingsovereenkomst genegeerd, dan wel er niet op gestuurd, met name wat betreft de verplichtingen aan de zijde van de huurder.

  4. Het verstrekken van onjuiste en onvolledige informatie, intern en extern.

  5. Het antedateren van een prestatieverklaring.

  6. Het handelen buiten eisers mandaat en bevoegdheid.

  7. Het niet (tijdig) signaleren en/of niet escaleren van bij hem bekende relevante informatie ten aanzien van het object Boompjeskade.

  8. Belangenverstrengeling.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 16 augustus 2017, het primaire besluit gehandhaafd.

4. Het betoog van eiser dat hem het volledige rapport van SBV, dus ook de persoonsgerichte onderzoeken die betrekking hebben op zijn collega’s, ter kennisname ter beschikking had moeten worden gesteld slaagt niet. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat die documenten zien op collega’s en niet ten grondslag liggen aan het besluit om eiser te ontslaan. Bovendien zou het verspreiden van het volledige rapport inbreuk maken op de privacy van collega’s. Aan het bestreden besluit ligt een persoonsgericht onderzoek toegespitst op eiser ten grondslag.

5. Dat de familie [naam 5] niet is gehoord in het kader van het onderzoek naar eiser maakt, anders dan hij heeft aangevoerd, het onderzoek niet onzorgvuldig. Verweerder heeft uitgebreid onderzoek laten uitvoeren en het ontslagbesluit gebaseerd op een gedegen rapport.

6. Eiser betwist de onder 2 vermelde gedragingen niet, maar betoogt dat geen sprake is van plichtsverzuim. Hij stelt dat de gedragingen hem vanwege verschillende omstandigheden – onder meer een hoge werkdruk, onbekendheid met de status van het ingewikkelde gebouw, gebrekkige informatievoorziening en gebrek aan controle – niet verweten kunnen worden. Dit betoog faalt.

6.1

Eiser was verantwoordelijk voor het technisch beheer van het gebouw en heeft de gemeente Rotterdam actief benadeeld door de huurder en aannemer te faciliteren bij hun onrechtmatige handelingen die tot grootschalige fraude hebben geleid. Verweerder heeft de gedragingen van eiser – gelet op de aard ervan – dan ook terecht als zeer ernstig plichtsverzuim aangemerkt. De door eiser genoemde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft erkend dat de situatie bij de afdeling Vastgoed niet optimaal was en dat sprake was van een hoge werkdruk, maar dat vormt geen rechtvaardiging voor het plichtsverzuim waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij welbewust heeft gehandeld. De integriteit en betrouwbaarheid van een gemeenteambtenaar dienen boven iedere twijfel verheven te zijn. Werkdruk kan niet als excuus gelden voor het bewust overtreden van integriteitsnormen. Daarbij komt dat veel van de gedragingen geen verband houden met de door eiser genoemde omstandigheden. Van eiser mocht verwacht worden dat hij offertes of facturen niet opknipt dan wel laat opknippen om binnen zijn mandaat en de aanbestedingsgrens te blijven, ongeacht wat andere collega’s doen, dat hij facturen niet goedkeurt als een deugdelijke onderbouwing ontbreekt, dat hij een prestatieverklaring niet antedateert en dat hij geen onjuiste of onvolledige informatie verstrekt. Verweerder betwist uitdrukkelijk dat de geschetste handelingen - waaronder het afwijken van de inkoopprocedures - gebruikelijk waren binnen de afdeling en eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De door eiser in beroep overgelegde crediteurenlijst toont evenmin aan dat antedateren binnen de gemeente Rotterdam gebruikelijk is. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht bevat de lijst met name spoedreparaties met kleinere bedragen die achteraf worden gefactureerd en steekproefsgewijs worden gecontroleerd.

Voorts is van belang dat eiser zeer regelmatig contact had met [naam 3] en dat hij naar eigen zeggen regelmatig in het gebouw kwam, zodat hij op de hoogte was van de situatie. Dat hij desondanks niet aan de bel heeft getrokken bij zijn leidinggevenden, mag eiser zwaar worden aangerekend. Zelfs als zijn handelen zichtbaar was voor collega’s en leidinggevenden doet dit niet af aan de onjuistheid daarvan en eisers eigen verantwoordelijkheid hierin. Overigens heeft verweerder na onderzoek ook andere functionarissen die bij het gebouw (de zogeheten Waterfront-affaire) betrokken zijn geweest en plichtsverzuim hebben gepleegd gestraft.

7. De toerekenbaarheid van dit plichtsverzuim aan eiser is niet in geschil. Verweerder was dan ook bevoegd hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.

8. Eiser betoogt dat hij ten onrechte de zwaarst mogelijke sanctie opgelegd heeft gekregen. Dit betoog faalt.

8.1

De rechtbank acht de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van dit plichtsverzuim en overweegt daartoe als volgt.

Eiser was een ervaren projectmanager die zijn functie al sinds 2008 vervulde. In deze functie was hij verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van alle onderhoudswerkzaamheden met betrekking tot het gebouw. Eiser had veelvuldig contact met [naam 3]. Het valt eiser zwaar aan te rekenen dat hij geen actie heeft ondernomen toen hem duidelijk werd dat steeds meer facturen werden betaald voor niet uitgevoerde werkzaamheden. Dat hij zich onder druk gezet voelde omdat [naam 3] hem niet met rust liet, kan daaraan niet afdoen. Eiser wist dat er steeds meer facturen werden ingediend zonder dat daarvoor een deugdelijke onderbouwing was. Eiser heeft de fraude van [naam onderneming] met verschillende actieve handelingen gefaciliteerd. Zo bleef hij ten onrechte opdrachten verstrekken en facturen goedkeuren, heeft hij [naam 3] geïnformeerd over de aanbestedingsregels en geholpen deze te omzeilen door facturen te laten opknippen. Als gevolg daarvan heeft de gemeente financiële en imagoschade geleden. Het gaat om een veelvoud aan handelingen en nalaten gedurende een lange periode. Uit het voorgaande volgt dat eiser stelselmatig niet integer heeft gehandeld. Het plichtsverzuim is dermate ernstig dat het oplegging van de zwaarst mogelijke sanctie rechtvaardigt.

9. De stelling van eiser dat niet alle andere betrokken ambtenaren zijn ontslagen betekent niet dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft toegelicht dat aan nog 2 collega’s de disciplinaire straf van ontslag is opgelegd en dat het bij de overige collega’s die disciplinair zijn bestraft gaat om andere en minder omvangrijke verweten gedragingen dan die eiser ten laste zijn gelegd. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet welke aspecten meegewogen zijn. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. M. Munsterman en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 9 november 2018.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.