Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:923

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
VI-zaaknummer:99-000467-37 / parketnummers 10/681126-14 en 10/742106-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering v.i.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 2

VI-zaaknummer: 99-000467-37

Parketnummers: 10-681126-14 en 10-742106-14

Datum uitspraak: 6 februari 2018

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

Bergweg 306A , 3032 BB Rotterdam ,

wonende te op het adres [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. C.M. Emeis, advocaat te Den Haag.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 mei 2015, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is op 6 oktober 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Als bijzondere voorwaarden zijn bij het wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 5 oktober 2017 gesteld:

- dat de veroordeelde zich binnen 1 werkdag meldt bij BoumanGGZ reclassering. Marconistraat 2, 3029 AK, Rotterdam;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen en opdrachten die de reclassering hem in het kader van deze meldplicht geeft;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek en/of ander controlemiddel;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Forensische polikliniek van Palier GGZ althans van een soortgelijke deskundige of zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/zorginstelling aan te geven, teneinde hem te behandelen voor zijn middelengebruik en persoonlijkheidsproblematiek. Hij dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar zullen worden gegeven.

- dat hij gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten de F-RIBW van De Blink, althans in een soortgelijke instelling, en dat hij zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

- de veroordeelde dient zijn medewerking te verlenen aan en een actieve inspanning te verrichten voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding:

- de veroordeelde dient een open, gemotiveerde en meewerkende houding te tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling;

- de veroordeelde dient openheid van zaken te tonen ten aanzien van zijn financiële situatie en hij dient zich in te spannen om zijn financiën op orde te krijgen, zolang de reclassering dit nodig acht.

De proeftijd is ingegaan op 6 oktober 2017 en zal eindigen op 6 april 2019.

De proeftijd bedraagt 547 dagen.

Vordering

Op 29 december 2017 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, wegens het niet naleven van voormelde voorwaarden.

Bij de vordering zijn overgelegd twee ‘voortgangsverslagen toezicht aan opdrachtgever’ van Bouman GGZ (hierna de reclassering) van 28 december 2017 en - in aanvulling daarop - van 18 januari 2018, opgemaakt door K.C.C. de Roode.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 23 januari 2018. De officier van justitie mr. H. van Wijk en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman zijn gehoord. Voorts zijn K.C.C de Roode en J.J. Martina, beiden als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, als deskundigen gehoord.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De raadsman heeft primair betoogd dat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor een kortere periode dient te worden toegewezen. De raadsman heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat bij het wijzigingsbesluit van 5 oktober 2017 de voorwaarde tot opname in een zorginstelling voor klinische behandeling is komen te vervallen. De in plaats daarvan opgenomen voorwaarde tot verblijf in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, te weten F‑RIBW De Blink, is evenmin geschikt voor de veroordeelde, omdat daar een strikt regiem wordt gehanteerd dat (mede) gericht is op de resocialisatie van terbeschikkinggestelden.

Beoordeling

De rapporten van de reclassering houden het volgende in.

Het voortgangsverslag van 28 december 2017 houdt het volgende in .

Op 27 november 2017 heeft de veroordeelde een waarschuwing ontvangen wegens softdrugsgebruik op 17 november 2017. Een urinecontrole van 17 december 2017 was wederom positief ten aanzien van softdrugs en ook op 23 december 2017 scoorde hij afwijkend op THC (softdrugs). De urine van 23 december moet nog verder door het laboratorium getest worden. Wegens ziekte van de vaste toezichthouder is besloten om het verlof in te trekken totdat de vaste toezichthouder weer aan het werk is. Later die dag is de toezichthouder door de veroordeelde geïnformeerd dat hij de woonvorm zal verlaten en dat hij niet meer wenst mee te werken aan het traject begeleid wonen. De veroordeelde is op de hoogte gesteld van de gevolgen van zijn besluit, namelijk dat hij in detentie zal worden geplaatst.

De reclassering heeft de veroordeelde erop gewezen dat het traject zoals aangeboden bij De Blink, niet afwijkt van trajecten bij andere forensische zorgaanbieders, zoals Bouman en Bavo-Europoort.

De reclassering ziet geen mogelijkheden om het toezicht te vervolgen. De veroordeelde heeft aangegeven zich niet aan de huidige voorwaarden te kunnen en willen houden. Hiermee is de opdracht voor de reclassering onuitvoerbaar. In overleg met de Centrale voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling is dan ook besloten een advies herroeping v.i. op te stellen.

Het voortgangsverslag van 18 januari 2018 houdt het volgende in.

De veroordeelde had toegezegd om zich op 29 december 2017 bij de politie te melden, maar heeft dat pas op 2 januari 2018 gedaan en is daarna aangehouden. De veroordeelde is aangemeld voor een ambulante behandeling bij Fivoor. Gezien de lange wachtlijst, is deze behandeling nog niet opgestart. Op 5 februari 2018 is er een intake ingepland bij Fivoor. Fivoor behandelt mensen met een psychiatrische aandoening die met justitie in aanraking zijn gekomen of dreigen te komen. Daarnaast behandelt Fivoor mensen die zulke intensieve/hooggespecialiseerde behandeling nodig hebben dat ze niet op hun plaats zijn in de reguliere GGZ.

De veroordeelde woont thans, tijdelijk, afwisselend bij zijn broer in Rotterdam en zijn zus in Sliedrecht. Wanneer zijn broer - een gescheiden man met gedeeld ouderschap - de kinderen heeft, gaat de veroordeelde naar zijn zus. Op dit moment staat hij niet ingeschreven in de basisregistratie personen. De veroordeelde hoopt in maart de huurwoning van een vriend over te kunnen nemen, maar hij heeft hierover nog geen contact gehad met de verhuurder. De veroordeelde heeft werk gevonden als kabellegger bij [naam bedrijf] , waar hij op basis van een 0-uren contract werkt.

Op dit moment is er sprake van een instabiele situatie op het gebied van wonen, werk en inkomen. Er is geen sprake van structurele begeleiding/behandeling van de veroordeelde. De reclassering onderschrijft dan ook de conclusie van De Blink dat de kans op delictgedrag onder deze omstandigheden groot is.

De deskundige De Roode heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij verklaard dat de veroordeelde een man is die graag de regie in eigen handen heeft, ook wanneer het forensisch kader hem daar geen ruimte voor biedt. Hij vindt de huidige voorwaarden te zwaar. Hij wil het liefst alleen toezicht hebben zonder voorwaarden, zodat hij zich alleen bij de reclassering hoeft te melden om te laten zien hoe het met hem gaat. Uit de voortijdig afgebroken opname in de FPK alsook het voortijdige vertrek bij F-RIBW De Blink blijkt dat de veroordeelde ver gaat om zijn zin te krijgen.

Op dit moment heeft de veroordeelde geen stabiel inkomen, geen stabiele huisvesting, is er geen sprake van controle op middelengebruik noch van begeleiding en behandeling. De ambulante behandeling is nog niet gestart. Gezien deze omstandigheden en zijn softdrugsgebruik, is het risico groot dat de veroordeelde zal terugvallen in delictgedrag.

Wanneer de veroordeelde alsnog bereid is om zich aan de voorwaarden te houden en als hij alsnog wil meewerken aan een traject begeleid wonen, zal hij eerst op de wachtlijst moeten worden geplaatst.

De deskundige Martina heeft op de terechtzitting verklaard dat zij in eerste instantie de toezichthouder van de veroordeelde was. Bij aanvang van het toezicht ging het goed, maar op het moment dat de veroordeelde zijn zin niet kreeg ontstonden er botsingen tussen hen.

Zij heeft het toezicht moeten overdragen aan haar collega De Roode.

De veroordeelde heeft zijn ongenoegen geuit over zijn traject bij De Blink. Hij wil niet resocialiseren in een appartement van de Blink (De Boeg). De veroordeelde voelt zich niet op zijn plek bij De Blink. Hij wordt daar als patiënt behandeld, terwijl hij geen behandeling nodig heeft.

De rechtbank overweegt het volgende.

Aan de rechtbank ligt uitsluitend ter beoordeling voor of de veroordeelde de voorwaarden die aan zijn invrijheidstelling verbonden zijn, heeft nageleefd. In de voorwaarden die aan de invrijheidstelling van de veroordeelde verbonden zijn, staat expliciet opgenomen dat veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten de F-RIBW van De Blink, althans in een soortgelijke instelling, en dat hij zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde deze voorwaarde verwijtbaar niet heeft nageleefd, nu hij de instelling heeft verlaten. De omstandigheid dat de veroordeelde het niet eens is met deze voorwaarde en de instelling niet passend acht, maakt dat niet anders. De rechtbank zal om die reden de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, te weten 120 dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Beslissing
De rechtbank:

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, groot 120 (honderdtwintig) dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Deze beslissing is genomen door mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. S. Riege en A. Greve-Kortrijk, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.