Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9223

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
C/10/533725 / HA ZA 17-829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade ontstaan tijdens het vervoer van een zending varkensvlees van Apeldoorn naar Hong Kong. De partijen verdeeld houdende vraag over kwalificatie van de overeenkomst als expeditie of gecombineerd vervoer blijft in het midden. Vorderingsgerechtigdheid. CIF-koop. Cognossementsvervoer. Geen schending van artikel 8:63 lid 3 BW. Cessie. Subrogatie. VErDe afzender verrekent een nieuwe partij goederen met de rekening voor het schadetransport van de geadresseerde tegen cessie van de rechten van de geadresseerde onder het cognossement (waaronder de vordering tot vergoeding van de transportschade onder de transportpolis). De schadeverzekeraar van de afzender treedt door subrogatie in de rechten van de afzender. De schadeverzekeraar betoogt dat zij, nu zij gesubrogeerd is in de rechten van de afzender onder de vervoerovereenkomst, daarmee ook de (gecedeerde) rechten van de geadresseerde onder het cognossement kan uitoefenen. Nee. De geadresseerde heeft zijn rechten onder het cognossement pas gecedeerd aan de afzender op 6 juli 2016, toen de subrogatie van de schadeverzekeraar in de rechten van de afzender al had plaatsgevonden (te weten op 28 juni 2016). De schadeverzekeraar verkreeg dus niet de rechten onder het cognossement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/1
NTHR 2019, afl. 1, p. 39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/533725 / HA ZA 17-829

Vonnis van 12 september 2018

in de zaak van

1. de vennootschap en/of rechtspersoon naar buitenlands recht

FIRST MARINE A/S,

gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,

2. de vennootschap en/of rechtspersoon naar buitenlandsrecht

FIRST MARINE INSURANCE A/S,

gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,

eiseressen,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNSWORTH TRANSPORT INTERNATIONAL FORWARDING B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

gedaagde,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam.

Partijen zullen hierna First Marine, First Marine Insurance en UTI genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 maart 2017;

  • -

    het anticipatie-exploit van UTI van 2 augustus 2017;

  • -

    de akte overlegging producties van First Marine c.s., met 10 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 8 producties;

  • -

    de oproepingsbrieven van 15 november 2017;

  • -

    de zittingsagenda van 12 april 2018;

  • -

    de brief van 8 mei 2018 van de advocaat van First Marine c.s. met het expertiserapport van [deskundige] & Associates Ltd.;

  • -

    de op 18 mei 2018 namens de advocaat van UTI overgelegde productie 8 (e-mailcorrespondentie);

  • -

    de comparitieaantekeningen van mr. Van Dijk;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2018;

  • -

    het bericht van partijen van 19 juni 2018 dat zij geen schikking hebben bereikt en vonnis wensen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

First Marine c.s. is de coverholder van de goederentransportverzekeraars van Nowaco A/S uit Denemarken. First Marine Insurance betreft een voormalige handelsnaam van First Marine en bestaat thans niet meer.

2.2.

Nowaco A/S (hierna: Nowaco) heeft omstreeks februari 2016 een lading bevroren varkensvlees (‘frozen pork legs’) verkocht aan Bayern Gourmet Food Co. Ltd. (hierna Bayern Gourmet). Bij factuur van 17 februari 2016 heeft Nowaco daarvoor bij Bayern Gourmet een bedrag van € 24.532,50 ter zake van “Dutch frozen pork legs bone-in” in rekening gebracht en een bedrag van € 32.158,45 ter zake van “Dutch frozen pork legs, 1 D, boneless, skin-on”.

2.3.

Nowaco heeft voor het vervoer van de zending varkensvlees van Apeldoorn naar Hong Kong UTI ingeschakeld. In de booking confirmation is het volgende opgenomen:

“(…)

To : Nowaco

T.a.v. : [persoon]

Herewith we confirm you following booking:

UTI reference : [kenmerk]

Your reference : [kenmerk]

Destination : Hong Kong

Vessel : Hamburg Express

Shipping Line : APL

ETD : 20-02-2016

ETA : 30-03-2016

Number of containers : 1 x 40FT High Cube Reefer

Loading place : Apeldoorn

Loading date : 17-02-2016

Loading time : 13.30 HRS

Remarks : …

If you have any further questions, please do not hesitate to contact me.

Thanks for your booking. (…)”.

2.4.

UTI heeft het wegvervoer van de zending varkensvlees van Apeldoorn naar Rotterdam laten uitvoeren door ETE Transport B.V. (hierna: ETE). De zending varkensvlees is vervoerd in een door APL Co. Pt. Ltd. (hierna: APL) beschikbaar gestelde reefercontainer, die op 16 februari 2016 in opdracht van UTI is opgepikt bij Mainport Reefer Services B.V. en bezorgd bij Nowaco. De reefercontainer is op 17 februari 2016 opgehaald en afgeleverd bij de RWG terminal op de Maasvlakte.

2.5.

Op 20 februari 2016 heeft APL een cognossement uitgegeven met kenmerk [kenmerk] (hierna: het cognossement) voor het vervoer van een container met de zending varkensvlees per ms. Hamburg Express. Op het cognossement staat Nowaco Shipping APS te Denemarken als ‘shipper’ vermeld en Bayern Gourmet te Hong Kong als ‘notify party’ . Ook is de volgende instructie vermeld:

“(…)

Cargo is stowed in a refrigerated container set at the shipper’s requested carrying temperature of (-20) degrees celsius (…)”

2.6.

Tijdens het vervoer van de zending varkensvlees van Apeldoorn naar Hong Kong is schade ontstaan.

2.7.

Nowaco heeft de koopsom van USD 56.690,95 aan Bayern Gourmet gecrediteerd.

De goederentransportverzekeraars hebben vervolgens op 27 juni 2016 de door Nowaco geleden schade vergoed.

2.8.

In een op briefpapier van First A/S gestelde ‘subrogation form’ is de navolgende tekst opgenomen:

Regarding Amount

Settlement of total loss USD 60308.75

Of container no. [kenmerk]

Onboard “Hamburg Express”

B/L no. [kenmerk]

Due to defrosting during transport with APL

We hereby acknowledge receipt of the amount stated above, which you have paid to us and which we accept in settlement of our claim.

We place on record that by virtue of such payment the Underwriters concerned became subrogated to all our rights and remedies in and in respect of the subject-matter insured in accordance with the laws governing the Contract of Insurance.

We also record that they have authority to use our name to the extent necessary effectively to exercise all or any of such rights and remedies; whilst on their part, they will indemnify us against liability for costs, charges and expenses arising in connection with any proceedings which they may take in our name in the exercise of such rights and remedies.”

Op 28 juni 2016 heeft Nowaco het ‘subrogation form’ ondertekend.

2.9.

Bayern Gourmet heeft bij assignment van 6 juli 2016 al haar rechten (“all rights we may have under the above bill of lading against the carrier under the above bill of lading, the vessel owners, its charterers or demise charterers”) onder het cognossement aan Nowaco gecedeerd.

2.10.

First Marine heeft als goederentransportverzekeraar van Nowaco APL bij brief van 1 september 2016 aansprakelijk gesteldvoor de schade die zij aan Nowaco heeft vergoed.

2.11.

De advocaat van de verzekeraars van Nowaco heeft UTI bij brief van 20 februari 2017 aansprakelijk gesteld voor de schade.

3 Het geschil

3.1.

First Marine vordert na vermindering van eis ter comparitie dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, UTI veroordeelt tot betaling aan First Marine c.s. van een bedrag van USD 36.770,99, te vermeerderen met - kort gezegd - de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten (ad € 1.342,71), proceskosten en nakosten.

3.2.

First Marine legt aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag.

Tussen Nowaco en UTI is een (gecombineerde) vervoerovereenkomst gesloten.

UTI is aansprakelijk voor de door Nowaco geleden schade, nu zij niet aan haar verplichtingen uit hoofde van de vervoerovereenkomst heeft voldaan door de goederen niet zonder schade ter bestemming af te leveren. Nu niet is komen vast te staan waar de schade is ontstaan wordt de aansprakelijkheid van UTI beheerst door de artikelen 8:42 en 8:43 BW. Subsidiair grondt First Marine c.s. haar vordering op onrechtmatige daad.

First Marine c.s. stelt deze schade van UTI te kunnen vorderen, nu de goederentransport-verzekeraars door betaling aan Nowaco krachtens subrogatie in de rechten van Nowaco zijn getreden en Nowaco gecedeerd is in de rechten van Bayern Gourmet.

De totale schade bedraagt, na aftrek van de opbrengst van de verkoop van de beschadigde lading ad USD 6.844,05:

USD 49.846,90

USD 4.133,40 (opslagkosten)

USD 1.030,69 (disposal fee)

USD 1.760,00 (expertisekosten)

USD 56.770,99

Hierop komt een bedrag van USD 20.000 in mindering, nu APL dit bedrag aan First Marine c.s. heeft vergoed in het kader van een schikking.

3.3.

UTI concludeert tot afwijzing van de vorderingen van First Marine c.s. met hoofdelijke veroordeling van First Marine c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en nakosten.

UTI voert daartoe onder meer het volgende aan.

3.4.

UTI heeft niet als (gecombineerd) vervoerder maar als expediteur gecontracteerd met Nowaco. Zij treedt al geruime tijd voor Nowaco als expediteur op.

3.5.

Voorzover de vordering wordt gegrond op ontstane schade tijdens het voortransport, geldt dat deze vordering reeds op 20 februari 2017 was verjaard ingevolge artikel 8:1711 BW.

3.6.

First Marine c.s. is niet aansprakelijk op grond van artikel 8:63 lid 3 BW. De schade kan onmogelijk zijn ingetreden tijdens het op 17 februari 2016 uitgevoerde voortransport van enkele uren van Apeldoorn naar de RWG terminal te Rotterdam. De schade moet zijn ingetreden tijdens de periode dat de container onder APL verbleef of in de periode daarna.

3.7.

Ook indien er een gecombineerde vervoerovereenkomst zou zijn gesloten, geldt dat UTI niet aansprakelijk is voor de geleden schade, omdat uit het eigen standpunt van First Marine c.s. volgt dat de schade tijdens het transport door APL zou zijn ingetreden. Dit volgt ook uit het door First Marine c.s. overgelegde ‘subrogation form’.

3.8.

UTI betwist dat First Marine c.s. de eigen schade van Nowaco heeft vergoed.

Uit de stellingen van First Marine c.s. volgt dat Nowaco kennelijk een nieuwe partij goederen heeft verrekend met de rekening voor het schadetransport tegen cessie van de vordering tot vergoeding van de transportschade onder de transportpolis. First Marine c.s. oefent daarmee de (gecedeerde en gesubrogeerde rechten) uit van Bayern Gourmet ingevolge de vervoerovereenkomst onder cognossement en niet de rechten van Nowaco.

Bayern Gourmet heeft geen enkele contractuele relatie met UTI. UTI is ook geen partij bij het vervoer onder cognossement. Zij is nergens vermeld en is ook niet de vervoerder onder cognossement, dat is APL.

3.9.

Ook als er wel een vervoerovereenkomst zou zijn gesloten tussen UTI en Nowaco - hetgeen UTI betwist - heeft First Marine c.s. nog steeds geen vorderingsrecht op UTI op basis van deze overeenkomst, omdat door de presentatie van het cognossement en de in ontvangstname van de goederen door Bayern Gourmet, gevolgd door de aanspraak van vergoeding onder de transportpolis Nowaco geen vorderingsrecht meer had.

3.10.

UTI beroept zich op de ‘before and after’-clausule van artikel 5 van het cognossement en op de in artikel 6 opgenomen beperking van USD 500 voor de hele container.

3.11.

UTI is niet gehouden tot vergoeding van de opslagkosten, de ‘disposal fee’ en de ‘surveykosten’, nu slechts het waardeverschil van de beschadigde lading voor vergoeding in aanmerking komt.

3.12.

De subsidiaire vordering uit hoofde van onrechtmatige daad is niet onderbouwd en daarom niet toewijsbaar. UTI beroept zich terzake ook op de cognossementsvoorwaarden overeenkomstig artikel 8:363 BW.

3.13.

De vordering is verjaard ingevolge artikel 8:1740 BW, artikel 21 Fenex-voorwaarden en ingevolge artikel 10 cognossementsvoorwaarden. De verjaringstermijn van negen maanden is ten tijde van de aansprakelijkstelling verstreken.

3.14.

UTI betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten, nu slechts een enkele brief aan UTI is gestuurd en geen andere werkzaamheden hebben plaats gevonden.

3.15.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

bevoegdheid

4.1.

Nu partijen in verschillende landen zijn gevestigd en het vervoer over zee buiten Nederland betreft is sprake van een internationale zaak. Ingevolge artikel 4 lid 1 van de toepasselijke Verordening (EG) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel Ibis-Vo), is deze rechtbank als rechtbank van de woonplaats van verweerder bevoegd om van het geschil tussen partijen kennis te nemen, hetgeen ook niet ter discussie staat tussen partijen.

toepasselijk recht

4.2.

De vraag door welk recht de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst, dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I-Vo).

First Marine c.s. grondt haar vordering primair op de op UTI uit hoofde van de vervoerovereenkomst rustende verplichting om de goederen zonder schade ter bestemming af te leveren en subsidiair op onrechtmatige daad.

Partijen twisten over de kwalificatie van de overeenkomst. First Marine c.s. stelt dat sprake is van een vervoerovereenkomst, UTI stelt dat sprake is van een expeditieovereenkomst.

Deze (primaire) kwalificatie kan echter achterwege blijven, nu bij gebreke van een rechtskeuze de overeenkomst tussen partijen zowel bij kwalificatie als expeditie-overeenkomst (artikel 4 lid 1 sub b Rome I-Vo, gewone verblijfplaats dienstverlener) als bij kwalificatie als vervoerovereenkomst (artikel 5 lid 1 Rome I-Vo, gewone verblijfplaats vervoerder en plaats van aflevering) wordt beheerst door Nederlands recht.

vorderingsgerechtigdheid

4.3.

First Marine c.s. heeft onweersproken gesteld dat na het uitbrengen van de dagvaarding is gebleken dat First Marine Insurance niet meer bestaat, dat dit een voormalige handelsnaam betreft van First Marine, dat First Marine Insurance verder buiten beschouwing kan blijven en dat First Marine eiseres is in deze procedure. De rechtbank gaat daar van uit.

4.4.

First Marine is als goederentransportverzekeraar op 28 juni 2016 gesubrogeerd in de rechten van Nowaco. First Marine heeft ter comparitie gesteld dat Nowaco als afzender onder de vervoerovereenkomst met UTI een zelfstandig vorderingsrecht had op UTI dat door subrogatie is overgegaan op First Marine. Bayern Gourmet heeft haar rechten als geadresseerde van het cognossement op 6 juli 2016 aan Nowaco gecedeerd. Deze rechten berusten dus nog bij Nowaco.

4.5.

Vaststaat dat Nowaco de lading op grond van CIF-condities heeft verkocht en geleverd aan Bayern Gourmet. Bayern Gourmet is door de ontvangst van de (door APL) vervoerde lading tegen overhandiging van het cognossement toegetreden tot de vervoerovereenkomst.

Nowaco had op dat moment niets meer te vorderen op grond van haar eigen ‘vervoerovereenkomst’ met UTI en geen belang bij een vordering tegen haar vervoerder, nu door de CIF-levering het risico en de eigendom waren overgegaan op Bayern Gourmet waaronder ook de vordering tot schadevergoeding onder de transportverzekering van Nowaco bij First Marine c.s.

Uit de stellingen van First Marine c.s. volgt dat Nowaco een nieuwe partij goederen aan Bayern Gourmet heeft verscheept en kennelijk de betaling van de koopprijs heeft gecrediteerd tegen cessie van de rechten onder de bill of lading (waaronder de vordering tot vergoeding van de transportschade onder de transportpolis). De geadresseerde, Bayern Gourmet, was toen de enige vorderingsgerechtigde onder het cognossement.

Anders dan First Marine c.s. stelt, heeft zij de rechten onder het cognossement niet verkregen. Vaststaat dat de rechten onder het cognossement pas op 6 juli 2016 door Bayern Gourmet zijn overgedragen (gecedeerd) aan Nowaco. Toen had de subrogatie van de schadeverzekeraars in de rechten van Nowaco al plaats gevonden (28 juni 2016). First Marine c.s. verkreeg dus op 28 juni 2016 slechts de rechten van Nowaco betreffende de creditering van een koopprijs voor een nieuwe lading, maar niet de rechten van Bayern Gourmet onder de bill of lading. Nu de rechten om te claimen onder de transportverzekering op Bayern Gourmet waren overgegaan toen zij toetrad tot de vervoerovereenkomst, kon Nowaco zelf geen aanspraak meer maken op uitkering onder de verzekering. De grondslag voor het afwentelen van (de vergoeding van) de creditering van de koopprijs door Nowaco op UTI ontbreekt dan ook.

Hierop stuit de vordering af.

4.6.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook ingeval de rechten onder het cognossement wel tijdig (vóór subrogatie) aan Nowaco waren gecedeerd, dit niet tot een ander oordeel zou leiden. Vaststaat immers dat UTI geen vervoerder onder cognossement was en dat er geen rechtsverhouding c.q. contractuele relatie bestaat tussen UTI en Bayern Gourmet. Bayern Gourmet is geen partij bij de tussen Nowaco en UTI gesloten overeenkomst en gesteld noch gebleken is dat haar een vorderingsrecht in verband met die overeenkomst toekomt. Voor zover First Marine c.s. stelt vorderingsrechten van Bayern Gourmet uit te oefenen, kan haar vordering reeds hierom niet worden toegewezen. Dat - zoals First Marine c.s. ter comparitie heeft betoogd - zij gesubrogeerd is in de rechten van Nowaco als afzender onder de gecombineerd vervoerovereenkomst gaat om de hiervoor onder r.o. 4.5. uiteengezette reden niet op.

4.7.

De vraag of UTI zich als expediteur dan wel als gecombineerd vervoerder heeft verbonden, is dan ook niet meer van belang en behoeft geen bespreking. Ook aan beoordeling van het beroep op verjaring komt de rechtbank niet toe.

onrechtmatige daad

4.8.

First Marine c.s. grondt haar vordering subsidiair op onrechtmatige daad. First Marine c.s. heeft het door haar gestelde onrechtmatig handelen door UTI op geen enkele wijze onderbouwd. Ook nadat zij door UTI is gewezen op het geheel ontbreken van een onderbouwing van de door haar gestelde onrechtmatige daad, heeft First Marine c.s. - hoewel daartoe ter comparitie in de gelegenheid gesteld - niets terzake aangevoerd. De vordering zal dan ook, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

schending artikel 8:63 lid 3 BW

4.9.

First Marine c.s. stelt vervolgens dat UTI niet de door haar verzochte informatie over de vervoerovereenkomsten heeft verschaft.

Voor zover First Marine c.s. het niet voldoen aan het bepaalde in lid 3 van artikel 8:63 BW als zelfstandige grondslag beoogt aan te voeren, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het door First Marine c.s. overgelegde expertiserapport volgt dat het ms. Hamburg Express op 27 maart 2016 in Hong Kong is aangekomen en dat de container met voor Bayern Gourmet bestemde goederen op 1 april 2016 namens Bayern Gourmet in ontvangst is genomen. Bij het lossen van de container op 1 april 2016 zou de schade aan de lading zijn geconstateerd. UTI voert aan dat zij niet van het intreden van de schade op de hoogte is gesteld en dat zij pas op 20 februari 2017 over deze kwestie is aangeschreven en aansprakelijk is gesteld door de advocaten van First Marine c.s. UTI heeft gesteld dat haar slechts één keer is verzocht bij brief van 20 februari 2017 om het verstrekken van informatie over de uitvoering van de opdracht en dat zij aan dit verzoek geen gehoor heeft gegeven omdat een vordering vanwege vermeende schade tijdens het voortransport al op 20 februari 2017 was verjaard.

4.10.

First Marine c.s. heeft niet weersproken dat zij UTI pas bij brief van 20 februari 2017 en slechts eenmalig heeft verzocht om het verschaffen van informatie, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat. First Marine c.s. heeft UTI niet tijdig in kennis gesteld van de op 1 april 2016 geconstateerde schade, zij heeft UTI niet uitgenodigd bij de schadeopneming door de experts en zij heeft UTI bijna een jaar later pas voor het eerst op de hoogte gesteld van de schade waarvoor zij UTI verantwoordelijk houdt, waarbij ook voor het eerst het verzoek om informatieverschaffing is gedaan. Onder die omstandigheiden kan UTI niet met recht het verwijt worden gemaakt dat zij - indien zij als expediteur heeft gehandeld - niet aan haar verplichting tot het verschaffen van informatie over de vervoerovereenkomsten en de keten van ondervervoerders heeft voldaan. Daar komt nog bij dat - zoals UTI terecht stelt - First Marine c.s. in haar subrogation form zelf aangeeft dat de vermeende schade tijdens het transport door APL zou zijn ingetreden.

4.11.

De slotsom luidt dat de vordering van First Marine c.s. wordt afgewezen.

4.12.

First Marine c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van UTI bepaald op:

€ 1.924,- aan griffierecht

€ 1.390,- aan salaris voor de advocaat (2 punten à € 695,-, tarief III)

€ 3.314,- in totaal

4.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering af;

veroordeelt First Marine c.s. in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van UTI bepaald op € 3.314,- ;

veroordeelt First Marine c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,-, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van de uitspraak van € 68,- onder de voorwaarde dat First Marine c.s. niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden;

verklaart dit vonnis, wat de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.

1182/1573